zondag 20 maart 2016

recent

recent werk

Beste mensen,

Op deze blog ben ik niet langer actief. Wil je recent werk van me lezen, kijk dan op yoo.rs/lou.van.lier . Op deze site vind je alles wat ik publiceer.

Sinds 29/02/2016 gooi ik in wekelijkse afleveringen mijn roman "Tot ziens, Marianne" op het net.

Alvast veel leesgenot!

Lou

zondag 13 september 2015

Cultuurbarbaren (voor Beja 60)

Het gebeurde ergens in de vorige eeuw. Rond 1993, als ik het goed heb. Ik was een jaar voordien ingelijfd bij een theatergezelschap. Geen ordinair amateurgezelschap, maar een zichzelf respecterende groep semi-professionelen! Die term hield in dat we na iedere voorstelling een aalmoes ontvingen en niet in een achterafzaaltje onze kunsten toonden, maar wel de boer opgingen. Tot in de hoofdstad en het hoge noorden van Nederland toe! Tijdens barre wintermaanden nog wel! Ga daar maar eens aanstaan!
Enkele weken voor de zomer zijn intrede deed, werden plannen ontvouwd om met de hele theatergroep op vakantie te gaan. Naar Hongarije. De Berlijnse muur was nog maar pas gesloopt; de laatste restjes betonstof amper weg gekeerd, en wij gingen al eens opsnuiven hoe pas verworven vrijheid ruikt. Ik schreef me aanstonds in. Ik was vrijgezel op dat moment. Geen hond om rekening mee te houden. En op mijn eentje zou ik toch nooit op reis gaan. Mooi meegenomen dus, deze groepsreis! Later bleek dat ik - naast Beja en haar twee fantastische dochters - de enige was die meeging! Zelfs vader Marc bleef thuis. Asjemenou! Ik mocht een week in zijn plaats papa spelen! Van twee dochters! Dat was nieuw voor mij. Maar iet of wat acteur moet elke rol aankunnen. Ja, toch?

De rit naar Hongarije was een hel! In de autocar was nauwelijks ruimte voor mijn benen. Bij aankomst was ik geradbraakt. Maar ik was nog jong en tegen een stootje bestand. Overleven deed ik het wel.

Het huis, dat we voor een week betrokken, behoorde toe aan een ouder stel, wiens kinderen sinds kort een eigen stekje hadden verworven. Om wat geld in het bakje te krijgen verhuurden ze in de zomermaanden hun stulp. Zelf trokken ze zolang bij hun dochter in. 
Hoe laat ze op zaterdag terug zouden komen om hun eigendom weer op te eisen, wilden we te weten komen. Helaas. Hongaars is, net als Fins, een taal waar geen letter van te begrijpen valt. Engels was een ‘sprache’ die zij niet kenden, en van Frans hadden ze nog nooit gehoord. Duits dan maar? “Vraag jij het hen,” gebood Beja me. “Jij kunt beter Duits dan ik!” Hoe wist ze dat? Hoe wist ze dat ik me aardig uit de slag kon trekken in veredeld Jean-Marie-Pfaff-Duits? Was ze helderziende? 
“Wie spät kommen sie am Samstag?” hoestte ik uit. Vijf/zes keer. Tot ik begon te twijfelen aan mijn talenkennis. Net voor ik in de grond wilde kruipen van ellende, ging het Hongaarse stel een licht op. Ze kwamen om drie uur, meende ik te begrijpen uit hun koeterwaals.

We zaten in een dorpje. Daar was één winkeltje. Of iets wat daarvoor moest doorgaan. Er lagen wat spulletjes ordeloos op een hoop gegooid. Die kon je kopen. Ik ging er vragen of ze brood hadden. Niet alleen in het Duits. In alle talen. Gebarentaal inbegrepen. De winkelier brabbelde wat in zijn dialect en haalde tot vervelens toe zijn schouders op. Hij begreep geen jota van wat ik zei. En ik niets van hem. Onverrichter zake weer naar buiten. Een dag later leerden we dat er nog vooroorlogse gewoonten heersten op het Hongaarse platteland. Elke morgen kwam een grote, aftandse vrachtwagen het dorp binnengereden, volgeladen met brood en allerhande noodzakelijke levensmiddelen. Iedereen die wat nodig had, kwam staan aanschuiven. Daarna met de armen volgeladen naar huis. Handig, zo’n mobiele superette.

Eten deed je in het kleine dorpje niet op restaurant. Een eethuis? Daar hadden ze nog nooit van gehoord. Wilde je wat tussen de tanden duwen en had je geen zin om te kokkerellen, dan liep je gewoon de hoofdstraat af. Daar kon je aan de ene barak een stuk vis bestellen, aan een naburige keet een handvol groenten mee grissen, en aan een derde stalletje wat te drinken halen. Schranzen deed je vervolgens staande op straat. Of als je geluk had, zittend op een paar dwarse balken van een omheining. Wisten ze daar al dat de muur gevallen was? Dat Napoleon in het zand gebeten had? Moderne tijd was er een loos begrip.

De vierde dag van onze reis stond een trip naar Boedapest op het programma. Jee! Eindelijk even terug in wat beschaving kon worden genoemd. 
Boedapest is een wondermooie stad, wist ik. Google bestond nog niet, maar naslagwerken hadden me bereidwillig van dienst geweest. Als liefhebber van architectuur zou ik er mijn gading wel vinden. Daar kan ik úren naar lopen kijken! Uren? De rit er naartoe duurde een eeuwigheid. Ter plaatse zou ons een uur of vijf max gegund zijn. Karig. Een stad als Boedapest zie je niet op enkele luttele stonden. Maar goed. Beter vijf uur dan geen uur. Raar genoeg bleek de leider van de bende (we waren met een gezelschap van een man of vijftien) besloten te hebben om het plaatselijke Museum voor Schone Kunsten te bezoeken. Nee maar! Schilderijtjes zien! Dat kon je overal! Beja en ik wilden de stad zien! Sfeer opsnuiven! Architectuur bewonderen! We besloten niet mee naar binnen te gaan.
 “Cultuurbarbaren!” slingerde onze jongste dochter ons naar het hoofd. 
Cultuurbarbaren?!? Wij? Wij waren wel acteurs, hé! Wij speelden hoogwaardig theater in een zichzelf respecterend gezelschap! Wij waren geen stelletje amateurs, maar semi-professionelen! Jaja, mevrouwtje! Semi-professionelen!!! Of behoorde theater misschien niet tot cultuur? En architectuur? Dat ook niet misschien? Wat dacht onze dochter wel? Standje geven? Ach, welnee, ze was verder een hele lieve meid. 
“Nou, tot straks dan!” 
Beja en ik gingen ons weegs. We bezochten Boeda op de westelijke oever. Nou ja, bezoeken… We liepen met moeite een straat of vier in en uit. Prachtige gebouwen, kraaknette gevels, dat wel. Maar warm dat het er was.
Aan een kraampje, dicht bij de rivier, viel mijn oog op een wondermooi schaakspel, bestaande uit een bord van wel een kwart vierkante meter en prachtige, met de hand uit volwaardig hout gesneden stukken. Aangezien deze cultuurbarbaar een aardig stukje kon schaken, wilde ik even naar de prijs hengelen. Wat?!? Een peulschil! Drie keer niks! Een ware investering! “Kopen?” Beja schudde afkeurend het hoofd. “Hoe ga je dat ooit in je bagage gepropt krijgen?” “Euh… niet.” Laten staan dan maar. Jammer. Heb ik nu nog spijt van.
We zetten ons neer op een terrasje. Even wat vloeibaars nuttigen. Het was verdomd heet in de Balkan!
Na het drinken van een verfrissend wit wijntje, wilden we Pest bezoeken, het stadsdeel dat aan de oostelijke zijde van de Donau gelegen is. We liepen de Kettingbrug over, de oudste brug van de stad. 330 meter lang. In de blakende zon. Wel een fraai bouwwerk.
Pest had zijn naam niet gestolen. Alle gebouwen zagen er zwart als de dood. Als de zwarte dood, zoals de builenpest destijds werd genoemd. Wat een contrast met het kraaknette Boeda. Twee straten liepen we. Hooguit drie. Toen kregen we alweer dorst. En honger op de koop toe. Nog maar een terrasje doen?

De drankjes liepen vlot binnen. Keelgaten wijd open. En de tijd natuurlijk uit het oog verloren. Voor we het wisten, waren de vijf luttele uren, die ons waren toebedeeld om de stad te bezoeken, zo goed als om en moesten we terug naar de autocar. Of ze zouden zonder ons weg zijn. Haastig weer de lange brug over. Boeda doorgehold. 
Van de stad hebben we verder niets gezien. Mijn herinnering aan Boedapest reikt nauwelijks nog verder dan het wondermooie schaakspel. Misschien had mijn dochter-voor-één-week dus toch gelijk. Die dag hebben haar moeder en ik ons gedragen als ware cultuurbarbaren! Terwijl we ons zaten te bezatten, hadden we werken van Da Vinci, Rubens, Rembrandt, Dürer, Cézanne, Toulouse-Lautrec en vele andere grootmeesters kunnen aanschouwen. In één enkel gebouw nog wel! Waar er bovendien airconditioning was! Bedauerlich! 

complot (voor Nicole 60)


22 jaar geleden werd ik door een goede vriend gevraagd om ergens ten lande een wijngaard-die-in-bloei-stond uit de nood te helpen. De deurenkomedie ‘Stilte aub’ stond op stapel en een acteur was ernstig ziek geworden. Een week kreeg ik om er mee voor te zorgen dat het stuk alsnog in première kon gaan.
Op de eerste repetitie, in een ijskoud zaaltje waar een brullend warmtekanon aardig maar tevergeefs zijn best stond te doen om de boel wat op te warmen, maakte ik kennis met een hoop acteurs. Blij dat de regisseur een gek had gevonden, die op zo’n korte tijd een niet onaanzienlijke rol wilde instuderen, werd ik met wijd open armen ontvangen. Ik trachtte mij snel alle gezichten en namen in te prenten. Veel tijd was er niet. Bij de grijze muizen was dat moeilijk. Bij de meer remarquabele ging het vanzelf. Zoals bij ene Johan. Een kerel die een kin had welke de vergelijking met deze van Raymond van het Groenenwoud moeiteloos kon doorstaan. Zijn tronie staat nu nog haarfijn op mijn netvlies gebrand. 
Luce Plinke had dan weer een naam die je nooit kon vergeten. Het leek wel een pseudoniem, maar het was haar echte naam. Zo is me toch verteld. Bovendien had ze een stem waar je gyprocwanden mee sloopt. Blijf je onthouden.
Een andere opvallende figuur was Nicole. Een vrouw die de middelbare leeftijd naderde, maar ten opzichte van deze doorgeschoten rietstengel de schofthoogte had van een gemiddeld lagere-schoolmeisje. Zodra ik deze dame één woord had horen zeggen, wist ik: haar vergeet ik nooit meer. Ik diende wel nauw te luisteren, want haar stem droeg - weg van het podium - niet ver. Geluidsgolven dijen makkelijker uit in de breedte dan in de hoogte, heb ik toen ondervonden. De zwoelheid van haar stem, de afgemeten intonatie. Een beetje gewichtig, terwijl in haar blik iets samenzweerderigs school. Zelfs al meldde Nicole simpelweg dat ze die ochtend een boterham met kaas had gegeten, dan nog leek het alsof ze je betrok in een duister complot. Tot een samenzwering is het echter nooit gekomen. Jammer, want ik hou wel van wat intrige op z’n tijd.
20 jaar later. Op enkele toevallige ontmoetingen na, hadden Nicole en ik geen contact meer met elkaar gehad. We beschikten wel over elkaars telefoonnummer. Just in case. Op een avond rinkelde mijn gsm. De display meldde: Nicole. Ik nam op: “Hallo?” Aan de andere van de lijn bleef het even stil. Dan een adem. Wat gestommel. Uiteindelijk Nicoles stem, die me aarzelend, verward, maar onevenaarbaar zwoel in het oor hijgde: “Met wie spreek ik?” Ik rechtte mijn rug. Dan toch nog een complot? Ik antwoordde samenzweerderig: “Met degene die je net hebt opgebeld.” Zij: “Luc?” Ik: “Nee: Lou!” Weer even stilte. “Lou?” Verwarring. Een ademtocht, als van iemand die zijn laatste adem uitblaast. Wellicht een rookpluim van de eeuwige sigaret. Dan een licht dat opging. Traag. Als van een spaarlamp. “Oei… dan vrees ik dat ik een verkeerd nummer heb gedraaid. Luc en Lou staan vlak onder elkaar! Sorry.”
Enkele weken later identiek scenario. Dezelfde verwarring. Luc, Lou… Weer duurde het enkele seconden vooraleer de vergissing werd ingezien. Daarna nooit meer telefoon gehad van Nicole. Wellicht heeft ze me voor de zekerheid uit haar contactenlijst geschrapt. Wat gaan de mensen wel niet van je denken als je op weg bent om tram zes te halen, en je blunder na blunder begaat? Een voorbarige conclusie is gauw getrokken.
Onlangs: Luc, de echtgenoot van Nicole, die me contacteerde. Met het oog op een heuglijke feest. Voor haar zestigste verjaardag. Hij vroeg of mijn lieve vrouw Martine en ik aanwezig konden zijn. Dat kon. Graag zelfs! Eén voorwaarde: strikte geheimhouding was verreist! Geen woord over het feest aan Nicole! Mondje dicht! Krikkrak! 
Zo is het dus tóch nog tot een complot gekomen. Zij het niet met Nicole, maar met Luc. Mij goed. ‘Den Broes’ is een hele toffe kerel. Enkel jammer dat hij niet zo lekker in het oor hijgt!

dinsdag 23 april 2013

Ik, Lodewijk de Vijftiende

Zelfs voor Vlamingen die er niet mee vertrouwd zijn, blijkt de familienaam waarmee ik reeds vierenvijftig jaar door het leven ga niet altijd een evidentie te zijn. Geluyckens! Hoe vaak overkomt het me niet dat men mij vraagt om de naam even te spellen. De schrijfwijze kan dan ook erg variabel zijn.
"U, igrec, cee, kaa, mijnheer."
Een makkie is het niet.
Eenvoudiger is het wanneer mijn naam gelezen moet worden. De meeste Vlamingen die verder dan de papschool zijn geraakt, weten immers drommels goed dat een U gevolgd door een Y uitgesproken dient te worden als UI. Niks moeilijks aan.
Erger is het gesteld wanneer ik bij onze Noorderburen vertoef, daar waar men drager is van de meest vreemdsoortige namen, als daar zijn 'Zoetemelk', 'Zuurbier', 'Hakbijl', 'Gruwel' of 'Maneschijn'.
Een voorbeeld van heel wat jaartjes geleden: bij naamafroeping in een bekende meubelzaak, waar we een nieuwe slaapkamer voor één van onze kinderen hadden gekocht, en we geduldig op onze beurt bij de afhaaldienst wachten, klonk plots een moeizaam gehakkeld woord door de luidspreker, waar ik pas na enkele lange seconden en heel wat haastig denkwerk ternauwernood mijn naam in herkende.
"Cheeluwijkens," klonk het luid en onduidelijk. Tja, waar halen die Vlamingen ook die rare namen vandaan, hoorde ik de jongeman achter de microfoon denken.
Uit de middeleeuwen, beste vriend!
Toch kan het nog erger, met name wanneer ik onze zuidergrens overtrek, daar waar ze de ui-klank nog niet hebben uitgevonden. Hoe leg je aan pakweg een Parijzenaar uit hoe hij die hoogst merkwaardige oer-Vlaamse naam uit zijn strot dient te persen? Na talloze vruchteloze pogingen heb ik er een alleraardigst trucje voor gevonden. Dien ik mijn naam in la douce France ten berde te brengen, dan doe ik dat op de meest Franse manier die men zich kan inbeelden. Ik zeg gewoon: "Je m'appelle 'Je, Louis quinze', monsieur."
Makkelijk zat!
Je kijkt vreemd op? Zeg het even luidop en schuif intussen met je vinger over mijn naam: 'Geluyckens'. Je zult het zien: het klopt als een bus!




(met dank aan mijn goede vriend Werner Lefebvre voor het werkelijk uitmuntende staatsieportret)

donderdag 11 april 2013

GEWONNEN !

Op woensdag 10 april 2013 heb ik de eer genoten op het stadhuis van Gent de jaarlijkse Polleke Pluymprijs in ontvangst te mogen nemen voor een cursiefje dat ik ter ere van de Arteveldestad geschreven heb. Je vindt het hieronder.


DE WAARZEGGERS

Zeggen dat ik een waarzegger ben, zou me te veel tot eer strekken, waar? Ik bezit geen glazen bol, draag geen overmaatse oorringen, bind geen bandana om mijn hoofd en resideer niet in een woonwagen op de plaatselijke foor. En wat meer is: ik behoor niet tot de vrouwelijke kunne. Maar ondanks al deze schromelijke tekortkomingen, slaag ik er bij tijd en wijle in zeer nauwgezet de toekomst te voorspellen, waar? Zo weet ik ’s avonds reeds jaar en dag met zekerheid aan te kondigen dat er ‘s morgen een nieuwe dag zal aanbreken. Nog nooit gefaald, waar? En tijdens barre februaridagen durf ik me al jaren te bezondigen aan de gedurfde uitspraak dat het gauw weer lente zal zijn. Eveneens een voorspelling die me nog nooit zuur opgebroken is, waar? Om nog te zwijgen over mijn boude frase, dat na elke plensbui zonneschijn volgt. Deze zinspreuk bevat zoveel ontegensprekelijke waarheid dat hij reeds lang in een licht aangepaste versie zijn stek gevonden heeft tussen de wijsheden van wijlen Phil Bosmans, waar? Goed, ik hoor u denken: “Wat een wonderlijke waarzegger moet je zijn om met zulke alledaagse wetenswaardigheden voor de dag te komen. En wat een eergierigaard om te stellen dat dit straffe voorspellingen zijn! Dan brengt Frank Deboosere het er beter vanaf, waar? ” Waar! Ik heb geen enkele moeite om toe te geven dat het dagelijks weerpraatje van onze guitige weerman meer indruk maakt dan mijn goedkope dooddoeners. Tracht in een land met de oppervlakte van een forse reigerspetter maar eens drie dagen op voorhand te bepalen waar die ene zonnestraal de harten zal verwarmen en waar men de voeten niet droog zal kunnen houden. In vergelijking met mijn goedkope waarzeggerij is dat een heuse heksentoer, waar? Nee, ik heb geen enkele moeite om toe te geven dat ik geen Frank Deboosere ben, net zo min als het me zwaar valt om in een Jan Bardi of een Gili mijn meerdere te erkennen. Met mijn gedurfde quotes reik ik nog niet tot aan de enkels van deze hooggewaardeerde heren, waar? Maar toch wil ik even stipuleren dat de drie voornoemde brave huisvaders evenmin over bovennatuurlijke gaven beschikken als ik. Neem nu Frank Deboosere. Pak deze radde tong al zijn elektronische hulpmiddelen af en drop hem in het midden van de woestijn en zijn voorspellingen zullen al heel wat minder accuraat zijn. Hoewel de woestijn in dat opzicht misschien een foute keuze is, aangezien malse regenbuien daar niet meteen tot de alledaagse gebruiken behoren, waar? Schotland dan misschien? Ook niet, want daar regent het elke dag vijfentwintig uur aan een stuk, waar? Nederland dan? Of Duitsland? Of toch maar gewoon België? Welja, zet Frank Deboosere in het midden van een koeienwei in Ukkel, zorg dat hij over niet één van zijn hulpmiddelen kan beschikken en laat hem het weer eens voorspellen voor drie dagen en evenveel nachten door hem enkel een blik op de lucht te gunnen. Eens benieuwd hoe hij het er dan vanaf zal brengen!
En Jan Bardi en Gili, hebben deze brave zielen zelf niet herhaaldelijk gesteld dat paranormaliteiten niet bestaan? Zij zijn niet meer dan verméénde waarzeggers; doortrapte schurken die op lepe manier truken van de foor aanwenden om de goedgelovigheid van de goegemeente op de proef te stellen, waar? Bovendien… Jan Bardi, van waar is deze illustere man afkomstig? Van Leuven of all places! Een wat uit zijn voegen gebarsten provincienest dat zichzelf al eeuw en dag de enige echte universiteitsstad van de Lage Landen waant, waar? Hoe kun je beschouwd worden als ‘waar’zegger als je niet eens durft toe te geven dat Gent als universiteitsstad op z’n minst Leuvens gelijke is?! Nee, dan komt Lieven Gheysen, alias Gili, al wat meer in de buurt van de echte waarzeggerij. Hij mag dan wel het levenslicht gezien hebben in Kortrijk en daarna tien jaar lang een café uitgebaat hebben in – hou je vast – Stasegem.  Sinds 2007 bewijst deze brave man zijn hoge intelligentie door zijn intrek genomen te hebben in een stulpje dat zich situeert in de fiere stede aan de samenvloeiing van de Leie en de Schelde, daar waar men met trots de strop om de nek draagt, waar? En als er nu één volk op de aarde is dat met recht en rede aanspraak kan maken op de titel van ‘waar’zegger, dan zijn het toch de Gentenaars, zeker. Waar?


vrijdag 15 maart 2013

VERGANKELIJKHEID


aan mijn dierbare vader 14/03/1922 - 13/03/2013


De oude knotwilg is geveld
Jarenlang heeft hij overgeheld
                            de felste stormen doorstaan
Met zijn kale kruin
                            tegen een beukende wind
Op een eenzame vlakte
Als een verdwaasde soldaat
                            op een oorlogsveld

Zijn wortel is dood
Met ’t neergaan zijn ziel ontbloot
                            zijn houvast in grillige vormen

Wat rest is de stronk te ruimen
hem geven aan ’t slagveld der tijd
En als de wind der eeuwigheid
het laatste blad verdrijft
is een kale vlakte alles wat overblijft

woensdag 16 januari 2013

MORSIG



Op weg naar Amsterdam, waar we een weekendje met de kinderen zouden doorbrengen, merkten we dat we een eind te vroeg zouden toekomen in de B&B die we via het internet hadden vastgelegd. Om zeker te zijn dat we niet voor een gesloten deur zouden staan, besloot ik even te bellen naar het bijhorende telefoonnummer.
Hallo, met Rinus,” klonk een vriendelijke mannenstem in mijn oor.
Goede morgen! Wij zijn de familie 'G....'. Wij hebben een kamer bij u geboekt voor het weekend, maar ik merk dat we wat voor zijn op het schema. Zou u het erg vinden indien we wat vroeger...”
Oooooooooooowwwwwwwwwwww!” klonk het luid en tergend lang in mijn oor. “Komt u nu al?! Nou, dan heb ik een klein probleempje. Ik zit nog op m'n boot!”
O... ja, maar dat is niet erg,” zei ik vlug. “In dat geval maken we wel een ommetje.”
Neeeeeeeeejjjjjj, hoeft niet!” boorde de stem van Rinus zich door mijn trommelvlies. “Ik haast me wel naar huis. Tot zo.”

Een kwartiertje later belden we aan bij een chic herenhuis in een Amsterdamse buitenwijk. Een grote man met een forse buik, die hem noopte licht achteruithellend door het leven te gaan, opende de deur. Prominent op de voorzijde van zijn trui zaten enkele vieze vetvlekken, en hij keek ons een beetje onwennig aan. Meteen bekroop me de vrees of de B&B wel aan onze verwachtingen zou voldoen, een vrees die even later werd bevestigd toen we de ruimte te zien kregen waar we zouden overnachten. Wat een kamer moest voorstellen, bleek niet meer dan een in aller haast opgetrokken vertrekje op het gelijkvloers te zijn dat de achterste helft van de woonkamer besloeg. De scheidingswand tussen de twee ruimtes werd gevormd door een grote kleerkast en enkele houten panelen die erg amateuristisch waren aangebracht. Het meubilair bestond uit een klein tafeltje, een aftandse stoel, een tweepersoonsbed en twee krappe spondes voor de kinderen. Bovendien hing er een nadrukkelijke slaapkamergeur en vertoonden alle drie de bedden duidelijk woelsporen van vorige bezoekers.
Het kamermeisje is niet komen opdagen,” was Rinus' verontschuldigende commentaar toen hij onze lichtjes verbijsterde blikken opmerkte. “Ik breng het straks wel in orde wanneer jullie de stad in zijn, want ik neem aan dat jullie hier zijn om Amsterdam te verkennen, nee? Mag ik jullie overigens ineens een goede tip geven? Ik raad jullie aan een rondvaart te maken op de grachten. Een unieke ervaring! Moeten jullie zeker doen. Maar voor jullie gaan, zal ik nog even de keuken tonen waar jullie het avondeten en het ontbijt kunnen bereiden.”

De kookplaats in kwestie bleek een krap kruipkot te zijn, waarvan het aanrecht volgestapeld stond met allerhande keukentoestellen en de kasten puilden van deels vervallen levensmiddelen. Het keukengerei was zonder uitzondering vies. Potten en pannen waren zwartgeblakerd, tassen vertoonden aan de binnenzijde op de bodem een bruine koffierand, glazen waren zo vuil dat ze uit mat glas leken te zijn vervaardigd en aan vorken en lepels kleefden de resten van vorige eetbeurten. Mijn vrouw en ik besloten meteen stilzwijgend om onze maaltijden elders te nuttigen.

Hoewel het weer niet optimaal was en we af en toe een druilerige regen te verwerken kregen, maakten we een lange leuke wandeling door de stad. Tegen de avond kreeg ik plots telefoon van Rinus: of we nog lang zouden wegblijven.
Toen ik vroeg waarom hij dat wilde weten, zei hij: “Nou, ik denk dat het stilaan wat laat wordt om nog te eten, nee?”
O, maar we hebben al gegeten,” antwoordde ik. “U hoeft met ons geen rekening te houden.”
"Maar jullie hadden hier toch alles bij de hand!" reageerde hij ontzet.
Ik smeerde hem gauw wat stroop aan de baard.
"Nou goed, maar jullie hebben toch die boottocht gemaakt?" herpakte hij zich.
"Euh... nee..." antwoordde ik aarzelend.
"Maar ik had jullie dat toch aangeraden!” riep hij haast in wanhoop. “Tjonge, wat zonde!"

Toen we later die avond terug op de kamer kwamen, bleken de bedden netjes opgemaakt te zijn en was de ergste slaapgeur verdreven. Maar omdat tussen de bovenkant van de kast en het hoge plafond een gapende ruimte van ruim een meter zat, kostte het ons geen enkele moeite om te horen wat Rinus in het andere gedeelte van de woonkamer uitvoerde - en andersom – wat onze privacy sterk beknotte.

Om tien uur, net toen onze veertienjarige dochter even in onderbroek en behaatje de kamer was uitgeglipt om nog een laatste bezoekje aan het toilet te brengen, werd er indringend op de deur geklopt. Voor we de kans kregen te reageren, trad Rinus binnen. Zonder zich om onze weinig verhullende nachtkledij te bekommeren, vatte hij post aan het voeteneinde van het bed waarop we lagen te lezen, en ontstak in een monoloog.
Nou moet me toch van het hart dat ik het sneu vind dat jullie mijn goede raad niet hebben opgevolgd,” begon hij. “Die boottocht is werkelijk fantastisch! Ik zou jullie toch met aandrang willen vragen het morgen te doen.”
Vervolgens onderhield hij ons een kwartierlang met wetenswaardigheden betreffende de stad. En dan was er nog de kwestie van het avondmaal. Dat we niet van zijn gastvrijheid gebruik hadden gemaakt, leek hem nog het meest dwars te zitten.
Maar goed,” zuchtte hij tot besluit, “dan moeten jullie hier morgenvroeg maar ontbijten. Koffie zit in de bus. Er is melk, suiker, brood, margarine, beleg, pindakaas...”
Dat is heel vriendelijk,” mompelde ik beschroomd, “maar ik denk toch dat we elders gaan ontbijten.”
Wáár dan?!?” deed hij onbegrijpend. “Jullie gaan zich blauw betalen voor een eitje, een kop koffie en een broodje, terwijl hier alles uit de kast te halen is!”
Ik zocht naar een aanvaardbare uitleg, maar vond er geen omdat ik hem de waarheid wilde besparen.
Nou goed, dan moeten jullie het zelf maar weten,” zuchtte hij gelaten. “Maar laat me dan tenminste jullie ontbijt betalen.”
Hij haalde zijn portefeuille tevoorschijn, diepte een briefje van twintig op en stak het me toe. Ik keek hem ongelovig aan en zei dat dit niet nodig was, maar hij stond erop dat we het geld aannamen.
Maar dan moeten jullie me wel beloven dat jullie dit bij 'De Joffers', hier om de hoek gaan besteden,” zei hij. “Het is er hartstikke lekker en gezellig.”
We beloofden plechtig aan zijn bede te zullen voldoen.
Toen Rinus eindelijk weg was, verscheen onze dochter ten tonele. Op haar billen tekende zich in een dieprode kleur de toiletbril af.

Het spreekt voor zich dat ik niemand deze Bed and Breakfast wil aanraden, maar loop je ooit in Amsterdam langs 'De Joffers', ga dan gerust even binnen om een hapje te eten. Het ontbijt is er erg lekker, de broodjes zijn er knapperig vers en er is beleg in overvloed. Bovendien is het bestek er schoon, de glazen doorzichtig en wordt de koffie geschonken in kraaknette tassen. Toch bedankt voor het heerlijke ontbijt, Rinus. 

maandag 31 december 2012

ZUIGNAPPEN EN DRUIPSPOREN


Zoetemelk is zonder twijfel de bekendste, maar er zijn wellicht nog tal van andere voorbeelden op te noemen. Ze zijn immers van alle tijden, de wieltjeszuigers. In wielerwedstrijden zijn het de mindere goden, de jongens met het net-niet-talent die in het doorgedreven aanklampen hun enige mogelijkheid zien om in het spoor van de grote vedetten te blijven en op die manier af en toe, zij het steels en met diepliggende ogen en schuimbekkend van de inspanning, een overwinning weg te kapen. Een verwerpelijke staaltje van plat opportunisme dat zijn oorsprong vindt in de vette prijzenpot die de winnaar mee naar huis mag nemen. Begrijpelijk aangezien ook mindere goden zich wel eens wat luxe willen veroorloven, maar het minste wat men van deze derderangscoureurs zou mogen verwachten, is dat zij tijdens de koers op z'n minst de indruk wekken met aanvalslust begiftigd te zijn. Zelfs al draagt een occasionele demarrage niet verder dan enkele tientallen meters en wordt de onbezonnen aanvaller meteen daarna door de superhelden met huid en haar verslonden, dan nog kan hij na één zo’n aanval bogen op een zekere status. De doorsnee wielerfan sluit underdogs die gezegend zijn met een onstuimige aanvalsdrift immers graag in de armen. Daar was Ludo Dierckxsens het perfecte voorbeeld van.


Een verwerpelijker soort van wieltjeszuigers vind je dan ook in het dagelijks leven, waar doorgaans geen prijzen te rapen vallen. Als gewoontefietser word ik er haast iedere dag mee geconfronteerd. Je bent rustig naar je werk aan het peddelen en plots word je gewaar dat je schaduw vlees geworden is. Op een zucht van jezelf, alsof je snelbinder in het stuur van een achterligger verstrikt is geraakt, word je gevolgd door een man (heel soms een vrouw) die er alles aan doet om in je zog te blijven, met als doel zichzelf doodleuk uit de wind te zetten. Erg hinderlijk. Niet omdat ik aan een milde vorm van achtervolgingswaan lijd, maar zelfs te voet kan ik het niet hebben dat een exemplaar van het leidingbehoevende gepeupel, dat het grootste gedeelte van de wereldbevolking uitmaakt, vlak achter me aan blijft lopen. De wereld biedt plaats genoeg om in de nodige ruimte voor het aura te voorzien. Maar waar de slaafse volgzaamheid van deze wandelende subcategorie slechts voor mentaal ongemak en een lichte irritatie zorgt, is er in het geval van de spatbordklevers ook nog eens een levensgevaarlijk element aan verbonden. Eén kleine stuurfout van jezelf of je achtervolger kan een vreselijke valpartij tot gevolg hebben. Telkens ik zo'n zuignap aan mijn wiel voel hangen, ga ik dan ook wat feller op de trappers beuken in een poging de vermaledijde schaduw af te schudden. Soms lukt dat, maar net zo goed zit je opgescheept met een pitbull die het vertikt zijn beet te lossen. Je hoort hem kreunen als een barende vrouw, voelt zijn hijgende adem je nek strelen en na afloop moet hij wellicht aan de zuurstoffles, maar lossen doet hij niet.

Laatst had ik de idiootste van allemaal achter me aan. Ruim anderhalve kilometer hing de uitslovende sukkel op millimeters van mijn achterwiel. Het leek wel alsof hij zich met een enterhaak aan mijn bagagerek had vastgeklonken. Nadat ik drie keer een tandje bijgestoken had en het duidelijk werd dat ik hem niet zou kunnen afschudden, hield ik in. Kun je een wieltjeszuiger niet losrijden, dan is hem laten voorbijrijden meestal een betere optie. Dit exemplaar wou echter zelfs daar niet van weten. Ook hij hield de pedalen stil.
“Doe maar, doe maar, doe maar, doe maar!” spoorde hij me aan, toen ik geërgerd omkeek.
Heel even flitste het door mijn hoofd dat ik misschien met een vurige fan van Hennie Vrienten te maken had, en hij me verkeerdelijk voor deze begenadigde zanger hield, maar zijn volgende repliek maakte duidelijk dat dit een misvatting was.
“Heb je nooit naar het wielrennen gekeken? Daar doen ze dat allemaal!” vertrouwde hij me belerend toe nadat ik hem had toegesnauwd “Wat, doe maar?”
Ik schudde mijn hoofd in de hoop dat dit mijn begripsvermogen zou verhogen, maar het mocht niet baten.
Omdat ik het surplacen nooit langer dan een halve minuut volhoud, trok ik me noodgedwongen terug op gang, met de man meteen weer in mijn wiel. Ik voelde me een deel van een Siamese tweeling. Een kilometer lang bleef ik gestaag mijn tempo opvoeren tot ik het spuugzat was en de remmen bruusk dichttrok. De pseudo-Zoetemelk scheurde rakelings langs me heen, keek even kwaad om en riep: “Halve gare!!!”

Nog een ander slag idiote fietsers waar je al eens mee te maken krijgt, is 'de bewijzer', het haantje dat zo graag wil tonen dat hij de roodste lellen van het hok heeft. Dit soort macho komt je met haast supersonische snelheid voorbij geijld om even verder halfdood over zijn stuur te hangen omdat zijn recuperatievermogen ontoereikend is. Het gevolg is dat je genoodzaakt bent hem even later terug in te halen om niet zelf tot wieltjeszuiger gedegradeerd te worden. Helaas vindt de bewijzer net daarin meestal zijn tweede adem om je opnieuw als een ziedende vuurpijl voorbij te stuiven, om even verder weer een stille dood te sterven.
Jaren geleden vocht ik ongewild een robbertje uit met zo'n sujet. Tot vijf keer toe zag ik me genoodzaakt hem terug in te halen omdat hij van de inspanning als een pudding in elkaar was gezakt. Bij mijn laatste inhaalmanoeuvre hoorde ik hem tot mijn afgrijzen van pure frustratie het zware geschut bovenhalen. Met een vervaarlijk keelgeluid zoog hij zijn neusholtes leeg en zijn sinusholte vacuüm en mikte het opgehaalde slijm met onvermoede kracht achter me aan. Ik trapte mijn ketting haast aan flarden om het ranzige projectiel voor te blijven en reed in één moeite mijn belager uit het wiel. Klus geklaard, dacht ik. Helaas… toen ik een half uur later thuiskwam, trof ik op de rugzijde van mijn jas een walgelijke kwak afdruipend slijm aan. Het venijn van mijn antagonist had dan toch doel getroffen.
Conclusie: de aanschaf van zo’n carnavaleske fietshelm heb ik nooit overwogen, maar een beschermend pak lijkt me als fietser in sommige gevallen geen overbodige luxe.

zondag 23 december 2012

Pijplijn

Beste lezers,

Er zitten nog een massa cursiefjes aan te komen, maak jullie vooral geen zorgen. Helaas neemt mijn ander schrijfwerk heel wat tijd in beslag en moet ik me zowat in vieren delen om alles uit mijn brein geperst te krijgen. Ik kan dus niet beloven dat er nog klokvast elke week een cursiefje zal verschijnen op mijn blog. Indien gewenst kunnen jullie intekenen met jullie e-mailadres op 'follow by e-mail', dan krijgen jullie automatisch een berichtje toegestuurd wanneer ik weer een nieuw stukje heb gepubliceerd. Handig en makkelijk zat.

Alvast prettige feestdagen toegewenst en tot one of these days

Deloux

zaterdag 15 december 2012

SUPERMAN


Ik heb weleens een jongetje van acht in woede zien ontsteken alleen maar omdat een treiterig vriendje zich laatdunkend had uitgelaten over zijn vader. Kinderen van die leeftijd, ten prooi aan blinde adoratie, hebben de gewoonte hun helden onvoorwaardelijk te verdedigen. Een mooi maar wat naïef trekje. Zelf was ik nochtans niet anders. Ook ik ging in die tijd voor mijn held door het vuur. Enkel jammer dat ik hem nooit aan de ontbijttafel trof, zoals de meesten van mijn vriendjes. Mijn grote voorbeeld hield zich op in een klein kastje in de woonkamer, achter een bol scherm waarop hij één keer per week in sombere zwart-wittinten en lichtjes korrelig werd geprojecteerd. Moet het verwondering wekken dat ik meer dan eens overvallen werd door een opstoot van jaloersheid, wanneer ik weer eens een jongetje koesterend aan de nek van zijn vader zag bengelen. Papa hoort immers de enige échte grote held te zijn van jongetjes van acht, niet een wat vreemde kerel die, getooid met een goedkoop plastieken masker en gezeten achter het stuur van een auto waar de vlammen uitslaan, het onuitroeibare kwaad in de wereld tracht te bestrijden! Ik had graag - zoals andere kinderen - kunnen pochen dat ‘mijn papa’ de stoerste van de wereld was, niet bang om desnoods die vijfkoppige draak uit mijn nachtmerries te lijf te gaan. En ik had met hen in dispuut willen treden over het feit dat MIJN papa zonder twijfel de slimste was, aangezien hij op iedere vraag die ik stelde het sluitende antwoord wist.
Helaas liep het bij vader zo’n vaart niet. Ik vond 'mijn papa' helemaal niet stoer. Hoewel hij groot en zonder meer angstaanjagend was, zag ik hem niet dadelijk een draak te lijf gaan, zelfs niet één met maar een kop of twee. Bovendien luidde op eender welke waarom-vraag die ik stelde zijn antwoord steevast "Daarom!" Geen juiste attitude voor een held.

Nee, het lijdt geen twijfel dat heel wat jongetjes van acht in hun dromen vaak hun papa door het luchtruim zien klieven, één gestrekte arm voor zich uit, een lange rode mantel achter zich aan wapperend, een grote sierlijke 'S' op de borst die staat voor 'Superpapa'! Ik heb ook vaak over vader gedroomd, maar nooit kliefde hij door de lucht. Hij stond met zijn twee van schimmelnagels voorziene voeten altijd stevig op de grond. En op zijn borst prijkte geen 'S', maar een grote 'B'. Van boeman. Niet dat vader een slechte man was, maar hij was doorgaans wat kort aangebonden en ruw, en bovenal liet hij zich al te vaak opjutten door moeder die hem met plezier als schrik opvoerde.

Toch heb ik één keer kortstondig in de waan verkeerd dat ik op het punt stond de superman in mijn verwekker te ontdekken. Het was op een mooie lentedag. Ik had net mijn eerste fiets gekregen voor mijn verjaardag: een wankel geval dat te klein geworden was voor mijn opgroeiende broer en dat voordien nog aan een andere jongen had toebehoord, die het jaren daarvoor had overgenomen van een vriend van hem. Of zoiets. Vader zou me - weliswaar onder lichte druk van moeder - leren fietsen. Er stond plots heel wat te gebeuren in mijn jonge leven.

Terwijl vader met zijn koolschoppen van handen mijn stalen ros in bedwang hield, sloeg ik met enige moeite mijn been voorwaarts over de horizontale buis en hief mijn achterwerk op het afgeleefde lederen zadel. Om me te helpen gauw vaart te maken, zou hij me een fikse duw geven, waarna het een fluitje van een cent zou zijn om de hele straat uit te rijden. Het enige waar ik moest voor opletten, was dat ik niet tegen één van de jonge boompjes aan knalde waarmee het hele voetpad in de straat was afgezoomd.

Ik hoorde de grote voeten van vader zwaar op de straattegels ploffen, terwijl ik langzaam aan snelheid won. Op het moment dat hij me losliet, kneep ik krampachtig in de verduurde handvatten van het stuur. Freewheelend als een afgehaakt zweefvliegtuig zocht ik vervolgens mijn weg over het voetpad. Heel even voelde ik me als een engel op een wolk, maar dan zag ik plots vanuit het niets zo'n jong boompje voor me opdoemen. In paniek trachtte ik een botsing te vermijden, maar hoezeer ik ook aan mijn stuur trok, het lukte me niet om van koers te veranderen. En waar de remmen stonden, had vader nagelaten te vermelden. Een ogenblik later hing ik als de slingerende rank van een haagwinde rond de stam van het boompje gedraaid, terwijl ik angstvallig mijn vervaarlijk slagzij makende fiets tussen mijn knieën geklemd hield om verdere averij te vermijden. Mijn hele tengere lijf deed pijn, maar daar schonk ik geen aandacht aan. Ik werd helemaal in beslag genomen door de gedachte dat het grote moment, waarop mijn superman in actie zou treden, was aangebroken. Ik zag vader in mijn verbeelding reeds een arm voor zich uitstrekken, zich losmaken van de grond en naar me toe komen zweven, waarna hij mijn ranke lijf vakkundig van het boompje zou wikkelen, en me in zijn sterke armen te rusten zou leggen.
Helaas... toen ik met enige moeite het hoofd wist te draaien, kon ik enkel vaststellen dat mijn held al lang de vlucht naar binnen had genomen. Op dat moment verkreeg ik zekerheid: het zou me nooit gegund zijn toe te kijken hoe mijn eigen persoonlijke superman aan de ontbijttafel zijn boterhammen zat te smeren.

Van verdere fietslessen is nooit nog iets in huis gekomen, maar ach... nu, vijfenveertig jaar later, ben ik een voortreffelijk fietser. Ik lijk wel met een stalen frame tussen de benen geboren te zijn. Wellicht zal iedere topsporter het wel beamen: de harde leerschool is de beste. 

maandag 10 december 2012

TANDEN DES TIJDS



De Engelse term 'beats per minute' was in die tijd nog niet uitgevonden, maar het lijdt geen twijfel dat Rozeke heel wat jongensharten sneller heeft doen slaan. Zelf was ik amper uit de luiers, maar toch was ook ik niet blind voor haar innemende verschijning. Niet dat Rozeke een klassieke schoonheid was. Als fotomodel zou ze schromelijk hebben gefaald. Ze was niet groot, niet knokig slank, had geen eindeloze benen, geen lange blonde haren, maar Rozeke was liefelijk en zo ontwapenend sympathiek dat je al een vrouwenhater moest zijn om niet getroffen te worden door haar verschijning. Ze was op haar manier betoverend mooi. Haar hoofd was bedekt met een schier onontwarbare hoop donkerbruin kroezelhaar dat ze nonchalant - maar o zo charmant - samenbond met een kleurige strik, en ze had een oogopslag waarin een onoplettende bader probleemloos verdrinken kon. Maar haar grootste troef waren wellicht haar tandjes. Als haar lippen uiteenweken om de beminnelijke lach te vormen die zowat op haar gezicht gebeiteld stond, verscheen de mooiste rij bijtertjes die ik ooit te aanschouwen had gekregen. Geen snijtand was langer de andere, geen hoektand scherper; nergens vertoonde haar gebit een spleetje of een oneffenheid; geen zerkje dat wat scheef stond of afweek van kleur. De ware perfectie.

Hoewel ze de droom was van vele jongens was Rozeke onbereikbaar. Rozeke was namelijk jong gehuwd. De gelukkige die haar aan de haak had geslagen, was Guy, een psychiatrisch verpleegkundige die zijn ideologisch gedachtegoed etaleerde met lange Christusharen en een specifieke klederdracht. Guy was - wat men noemt - een geitenwollensokkendrager. Zomer en winter liep hij gehuld in een wat slobberige salopet - waaronder hij bij voorkeur een loszittend kleurig bloemetjeshemd droeg - en bruinlederen sandalen waar zijn tenen uitpuilden als volgroeide champignons. Op zijn kin woekerde een baard als een volwassen kraaiennest.
Guy droeg het aura van een gelukkig man over zich, wat me niet mocht verbazen aangezien hij het liefdesnest mocht delen met wellicht het beminnelijkste meisje uit de streek.

Guy en Rozeke waren een stel om jaloers op te zijn: onafscheidelijk, altijd lief en attent voor elkaar, nooit een spoor van onenigheid. Zij golden in mijn ogen als het schoolvoorbeeld van hoe een relatie hoort te zijn. Wat een verschil met onze ouders, waar sleur en gewoonte de vlam der liefde al lang hadden gedoofd.
Maar op een dag verscheen Guy plots alleen ten tonele, nadat er wekenlang van het voorbeeldige paar geen spoor was geweest. Tot mijn verbazing had de verpleger op die tijd een indrukwekkende metamorfose doorgemaakt. Zijn sandalen hadden plaats gemaakt voor stevige lederen schoenen, het gekleurde hemd voor een witte polo en de salopet voor een pikzwarte, strak zittende spijkerbroek. Zijn haren waren kortgeknipt en met gel achteruit gekamd en zijn kin gladgeschoren als de billen van een boreling. De fleurige hippie had plaatsgemaakt voor een donkere rocker. Kennelijk ook innerlijk. Hij droeg een opmerkelijke somberte over zich. Na wat rondvragen kwam ik te weten dat Rozeke en hij uit elkaar waren gegaan.

Hoewel de markt voor haar openlag, was van Rozeke lang geen spoor. Ze leek wel van de aardbodem verdwenen te zijn. Pas vele jaren later zag ik haar terug, in het café waar het plaatselijke theatergezelschap zijn repetities hield. Ze bleek zich ingelijfd te hebben bij deze ongeregelde bende. Rozeke had niet eenzelfde ingrijpende metamorfose ondergaan als Guy, maar ook over haar hing een onmiskenbare somberte. Mooi en innemend was ze nog, maar ze lachte nog maar uiterst zelden haar prachtige rij tanden bloot, die gelukkig wel intact waren gebleven.

In het vouwblad van het toneelstuk waarin Rozeke aantrad, las ik dat zij de rol van een stokoude vrouw op zich nam. Ik vroeg me af hoe deze schoonheid die klus geloofwaardig zou kunnen klaren. Ik nam aan dat het een huzarenstukje zou vergen van de grimeur om dat liefelijke Rozeke in een bejaarde vrouw om te toveren.

Vanuit de in duisternis gedompelde zaal keek ik vol verwachting uit naar het aantreden van Rozeke. Toen ze, voorzien van een grijze pruik, een hopeloos gedateerde jurk, de benen bekleed met afzichtelijke steunkousen en de romp vervaarlijk overhellend, de scène betrad, ging ik spontaan wat rechter zitten. De aanblik was overweldigend. Rozeke spéélde geen oude vrouw, Rozeke wás een oude vrouw! Gebiologeerd keek ik toe hoe ze naar het midden van de scène kwam geschuifeld. Ik vond het bijna jammer dat haar geloofwaardigheid weldra aan stukken zou spatten, wanneer ze haar mond zou opendoen en haar ontblote rij prachtige tanden haar jonge leeftijd zou verraden. Maar toen Rozeke met veel overgave haar eerste repliek de zaal in spuwde, kreeg ik geen porseleinen pareltjes te zien, maar werd me een blik geboden op een hoop schrompelig tandvlees! Van de rij prachtige bijtertjes was geen spoor!
Het koste me minuten om te aanvaarden dat het volmaakte gebit van Rozeke niet uit echte tanden bestond, maar uit kunststoffen replica's! En alsof dat nog niet genoeg was om een jarenlange betovering te verbreken, zag ik in het licht van de schijnwerpers, bij elk woord dat ze sprak, vieze speekselvlokjes de zaal in vliegen.

Alsof ik bekropen werd door een diepe plaatsvervangende schaamte liet ik me zachtjes onderuit zakken in mijn zetel en trachtte mezelf onzichtbaar te maken. Het is dat ik tijdens het toneelstuk niet durfde op te staan, anders was ik vast en zeker de zaal uit gevlucht. 

maandag 26 november 2012

TROTS



Met het hoofd diep tussen mijn schouders getrokken, liep ik langs de straten waarvan de bolle kasseien blonken als zilveren pollepels. Het was een naargeestige dag die 31e mei van het jaar 1980, de dag waarop ik mijn intrek nam in mijn nieuwe woonst. Op het middaguur leek het avond, net voor het invallen van de duisternis. Het wolkendek was nog nooit zo dik en dreigend geweest, en een druilerige regen viel onafgebroken naar beneden.
Ik sloeg het doodlopende straatje in, waar acht bouwvallige huisjes tegen elkaar aanleunden uit lijfsbehoud, en werd getroffen door de onheilspellende stilte die het slop in zijn greep hield. Het enige geluid dat te horen was, was het repetitieve pletsen van dikke waterdruppels die zich door de bekleding van de dakgoten wrongen en zich met doodsverachting naar beneden stortten als levensmoeë lemmingen van een hoge klif.
Ik hield halt bij het tweede van de acht identieke krotten, die door de dienst volksgezondheid onbewoonbaar waren verklaard maar door de eigenaar werden uitgemolken als een melkkoe. Ik diepte de sleutel op die ik even tevoren overhandigd had gekregen, opende de deur en trad binnen. Een weeë geur van vocht en rottigheid drong zich meteen in mijn neus. Ik voelde me op slag onpasselijk worden. Niet alleen door die zuurstofarme lucht die me leek te verstikken, maar ook door de weemoed die me trof. Ik had het ouderlijke huis verlaten omdat ik daar zat te verwezen in een leeg nest waaruit de andere vogels al lang gevlogen waren, maar het nest waarin ik nu terecht kwam, bood geen uitzicht op een beter leven. Wel integendeel! Een diepe somberte greep me om het hart, terwijl ik de woorden die vader me honend nageroepen had in mijn hoofd hoorde galmen: “Je zult gauw terugkomen!”
Ik betrad de enge ruimte die een woonkamer moest verbeelden en voelde de muren op me afkomen. Als een kind dat verloren gelopen was in een groot beklemmend bos keek ik vreesachtig om me heen. Er hingen zoveel lagen schreeuwlelijk behang over elkaar geplakt dat het papier karton geworden was en uit zichzelf rechtop bleef staan. Door het kozijn van het kleine raampje, dat uitzicht bood op de tuin van een aanpalend herenhuis, druppelde onophoudelijk water naar binnen, wat op de scheefgezakte tegels van de stenen vloer een aanzienlijke plas vormde.
In het belendende kamertje, waarvan de oppervlakte niet meer dan twee vierkante meter besloeg, was het niet beter gesteld. Hoewel deze enge ruimte dienst moest doen als keuken, was er geen gasaansluiting voorzien en evenmin was er een spoor van stromend water. Het primitieve gasstel moest worden gevoed met loodzware flessen butaan, en de enige watervoorziening in het steegje bleek een oude pomp te zijn die helemaal achteraan tegen de afsluitende muur stond opgesteld, en die bij vriesweer niet kon worden gebruikt.
Ik slaakte een diepe, schokkende zucht, en beklom de steile trap waarvan de treden in het midden stuk voor stuk een gevaarlijke uitholling vertoonden. De bovenverdieping van het huisje bestond uit een minuscuul zoldertje, waar grote kieren tussen de pannen zicht boden op de muisgrijze hemel, en een slaapkamer. Op deze kamer tekende zich een grote zwartbeschimmelde vochtvlek af op het behang, en in het plafond had de doorsijpelende regen een gat geslagen waaruit van zavel doordrongen bruine waterdruppels lekten die met doffe ploffen op de planken vloer uiteenspatten. Bovendien was het hout van het raam zo rot dat de wind er ongehinderd doorheen blies.
Een toilet bleek het huisje niet te bevatten. Om in de behoefte van de bewoners van de acht bouwvallen te voorzien, stonden op het braakliggende terrein voor de huizenrij vier houten hutjes opgesteld waarin een groot rond gat in een verweerde houten plank zicht bood op een walgelijk stinkende beerput. Ging je bovenop dat gat zitten, dan voelde je meteen dikke vliegen aan je kont  komen kriebelen.

Aangezien ik geen rooie duit bezat en bij het verlaten van het nest enkel een afdruk van vaders schoenzool op mijn broek had meegekregen, zag ik me genoodzaakt mijn krot aan te kleden met gekregen rommel en aftandse meubelstukken die ik hier en daar bij het groot huisvuil vond. In een poging enige gezelligheid te creëren, hing ik over het peertje, dat aan een lange rafelige elektriciteitsdraad uit het plafond bengelde, een stenen bloempot als lampenkap, met als gevolg dat 's avonds het schaarse kunstlicht vrijwel uitsluitend op het krakkemikkige salontafeltje viel en de rest van de ruimte in een sombere schemer werd gehuld.

Hoewel het hele bouwvallige huisje een perfecte voedingsbodem bood om tot diepgewortelde depressies te leiden, heb ik geen seconde overwogen om terug naar het ouderlijke huis te keren. Niet dat er daar niet goed voor me werd gezorgd - moeder waste en plaste tot ze er bijna het leven bij liet - maar een jongeman van eenentwintig heeft nog andere behoeften dan schone kleren en een warme maaltijd op z'n tijd. Bovendien had vader me maar niet spottend moeten naroepen dat ik gauw terug zou komen. Trots heeft ook zijn deel.

maandag 19 november 2012

ONDERSOORT



Kinderen zijn een mensensoort die gemakshalve tot de homo sapiens wordt gerekend, maar dat is een dwaling. Er is namelijk een aanzienlijk onderscheid tussen de twee. Waar de gangbare mens, waartoe jij en ik behoren, gemiddeld probleemloos een leeftijd van tachtig jaar bereikt, worden kinderen zelden ouder dan twaalf jaar! Kinderen zijn dus geen volwaardige mensen maar een ondersoort. Je fronst de wenkbrauwen? Verklaar dan eens waar al die vrolijke kinderen, waar jullie zo dol op waren, allemaal gebleven zijn!
Geen enkele ouder geeft het graag toe, maar de realiteit is helaas nietsontziend: op een mooie doordeweekse ochtend betreed je vrolijk neuriënd de slaapkamer van je oogappel, en doe je de vreselijke vaststelling dat je telg 'overnight' verdwenen is. In zijn plaats ligt er een vreemd wezen in zijn sponde dat uiterlijk vage trekken van je kind vertoont, maar er verder opvallend weinig mee te maken heeft. De alien etaleert op vlak van karakter nauwelijks enige gelijkenis met dit van je eigen broed. Waar dat kleine schattige mormeltje van je, dat je met de grootste zorg hebt grootgebracht, elke morgen je hart deed smelten met een stralende glimlach, heeft dit specimen een ochtendhumeur waar niet door te raken is. In een poging je van het verschrikkelijke doembeeld te ontdoen, knipper je enkele keren met de oogleden, maar er is geen ontkomen aan: het kind, waar je meer van hield dan van jezelf, is verdwenen en vervangen door een slechte imitatie; een misbaksel dat vermoedelijk tegen een hongerloon en uit minderwaardig materiaal vervaardigd is in een lagelonenland. Hoe verklaar je anders die lelijke puisten die plots het hele gezicht van je knuffelbeer bedekken? En de plukjes onvolgroeid haar die hier en daar uit poriën opduiken? En die vreemd overslaande stem die je aan het roestige hengsel van een waterpomp herinnert? Wat overigens te denken van de grapjes, waar je jarenlang onuitroeibaar gewaand succes mee wist te boeken, en die plots op verveeld ooggedraai worden onthaald. En hoe verklaar je dat de schattige outfits, waarmee je spruit daags voordien nog vrolijk liep rond te paraderen, opeens hopeloos belachelijk worden gevonden? En dat de cd's met liefelijke kinderliedjes ergens in een duistere la weggemoffeld liggen, en de handdoeken met het echtpaar Mickey en Minnie Mouse je worden aangeboden als vod? Als je eerlijk bent met jezelf wéét je het: het onvermijdelijke drama heeft zich voltrokken. Je kind is niet meer. Een zware pil om te slikken, en helaas is dit nog maar het begin van de ellende. Van de ene dag op de andere ben je niet meer vrij om te gaan en te staan waar je wil in je eigen huis. Plots is de slaapkamer van je oogappel privéterrein waar je aanwezigheid niet langer gewenst is, en wordt de toegang tot de badkamer je ontzegd wanneer er waswerkzaamheden aan de gang zijn. De edele delen van je snotaap, die een dag eerder nog als een volstrekt normaal onderdeel van het lichaam werden beschouwd, blijken plots voer te vormen voor diepe schaamte. Uitstapjes waar je koter een paar weken tevoren zelf nog enthousiast om verzocht, worden plots als oeverloos saai ervaren. Speeltuinen worden gemeden alsof er de zwarte pest heerst. Films die niet tenminste het label 16+ dragen worden afgedaan als stom. Gezinsmomenten als het ontbijt zijn plots uit den boze. Slechts het werkloze kinderstoeltje, dat ergens in een hoek op verkassing naar het containerpark staat te wachten, herinnert nog aan de leuke tafelmomenten van weleer. De nieuwe mens verslaapt liever de helft van de dag om ergens diep in de namiddag helemaal alleen een ongezond ontbijt te nuttigen, gezeten op een onhandig krukje in plaats van op een comfortabele stoel aan de keukentafel. Kinderprogramma's op zondagochtend moeten het voortaan met een kijker minder stellen. Bij meisjes beginnen zich een hoop lippen te ontwikkelen die niet gestift hoeven te worden, en bij jongens dienen zakdoeken niet langer uitsluitend om een loopneus schoon te vegen. Het voordien zo onontbeerlijke speelgoed wordt achteloos in een hoek gegooid of door jezelf netjes in dozen gestopt om het te bewaren voor een volgende generatie. Het slaapkamerbehang dat getooid is met figuurtjes uit Walt Disneyfilms wordt vakkundig overplakt met tientallen centerfolds van levensbelangrijke popsterren. Het schattige anorakje, waar dat kleine kotertje zo beeldig mee stond, krijgt het predicaat 'kinderachtig' mee en wil de indringer nooit meer om het lijf! Nooit meer!!! Een eenvoudige 'coole' trui zal voortaan bescherming moeten bieden tegen regen en wind. De sterke laarsjes met verharde tippen worden ingeruild voor een paar turnpantoffels waarin de voeten zweet zullen vergaren tot er een geur zal van opstijgen die tot hersenverlamming kan leiden. De hinkelpas waarmee je spruit zich over straat bewoog, blijft achterwege en wordt vervangen door een tergende slenterpas waaruit een grenzeloze verveling en een hevig balen blijkt. En zo kan ik nog makkelijk een cursiefje of drie doorgaan. Maar het punt is dat er iets niet klopt, beste lezers. Geen mens kan op zulke korte tijd zo drastisch veranderen dat hij zelfs voor zijn eigen moeder en vader een vreemde is geworden. Daarom twijfel ik geen ogenblik aan mijn stelling. De wetenschap is nog niet zo ver om het toe te geven, maar ik kijk uit naar de dag dat het wereldkundig zal worden gemaakt: kinderen zijn een niet erkende ondersoort van de homo sapiens, een soort met opmerkelijke kwaliteiten maar met één ernstige handicap: een wankele gezondheid, de reden waarom hun houdbaarheid niet meer dan twaalf, hooguit veertien jaar bedraagt. Daarom, beste mensen, zou ik - met jullie steun - een oproep willen richten aan alle wetenschappers die zich met de constitutie van de mens bezighouden: laat die ouderdomskankers voor wat ze zijn! Zoek niet langer een remedie tegen dementie, artrose, Parkinson en andere vervelende kwalen die bij bejaarden de gedachte aan een gewisse dood draaglijker moeten maken. Stel uzelf tot doel een middel te vinden om die arme kinderen langer te laten leven! Misschien komt het dan nog wel goed met de mensheid... en de wereld. Onze nakomelingen zullen u dankbaar zijn! 

zondag 11 november 2012

EEN MOOIE OUDE DAG



"Die ene is goed ziek geweest," wist vader me tijdens mijn wekelijks bezoekje in het rusthuis te melden.
Ik groef naarstig in mijn geheugen, want als vader één ding niet verdraagt, is het niet dadelijk begrepen te worden.
"Wie bedoel je?" vroeg ik omdat ik geen aanknopingspunt vond.
"Die ene waar ik altijd mee wegga," verduidelijkte hij.
Ik groef nog wat dieper in mijn geheugen. Ik had weet van een kranige bejaarde die een tijdje zo vriendelijk was geweest om vader op sleeptouw te nemen tijdens zijn wekelijkse wandeltocht door de stad, maar dat was alweer even geleden. De vriendschap was geëindigd met een hoogoplopende ruzie omdat de kranige man graag en veel praatte en vader de stilte verkoos.
"Bedoel je Fons?" vroeg ik.
"Maar nee!" klonk het ongeduldig. Het voorhoofd van vader vertoonde een vervaarlijke rimpel. "Ik bedoel die ene die mij altijd komt halen met de auto."
Ik spitte mijn hele memorie ondersteboven en kon maar één iemand bedenken die aan de summiere beschrijving voldeed en dat was mijn tweede oudste broer. Die had zich – sinds hij zelf met pensioen was – tot doel gesteld vader elke woensdag een uur of twee uit zijn kamer te bevrijden om hem wat verstrooiing te bieden.
"Bedoel je Herman?" vroeg ik redelijk zeker van mijn zaak, maar in plaats van bevestiging te krijgen, onderging ik een hogelijk verwarde blik. De mond van vader leek ‘ja’ te willen zeggen, terwijl z'n hele confuse geest zich tegen die stellige zekerheid verzette. De naam 'Herman' leek hem op de één of andere manier even vreemd in de oren te klinken als een Arabische vloek.
"Je bedoelt toch onze broer?" probeerde ik mij te verduidelijken, maar ook het bizarre woord 'broer' deed niet meteen een belletje rinkelen.
Uiteindelijk schudde vader ontkennend het hoofd.
“Nee, die niet,” zei hij.
"Over wie heb je het dan?" probeerde ik opnieuw.
Ik moést wel doorvragen. De gezondheid van een mens is geen futiliteit, en bovendien had ik nog lang geen volgend onderwerp in gedachten waarmee ik de stilte te lijf kon gaan.
"Wel, die ene die me elke week komt halen!!!" klonk het ongemeen hard.
Het geduld was duidelijk op.
"Maar dat is toch Herman," probeerde ik een laatste keer, op het gevaar af een badkuip frustraties over me uitgestort te krijgen.
Vader dacht even na en zei dan: "De tweede!" en om alle misverstanden te vermijden: "Jij bent de derde."
Hoewel deze bewering enkel klopte als de twee zussen buiten beschouwing werden gelaten, kon de gedachtegang van vader gezien worden als een verdienstelijke poging om het nest jongen dat hij op de wereld had gezet te reconstrueren. Ik wist nu zeker dat ik op het goede spoor zat.
"Wel ja, de tweede dat is Herman," knikte ik bevestigend.
"Heet die zo?" vroeg hij zeer verbaasd.

Herman was dus ziek geweest.
"Wat had hij?" vroeg ik.
De afhangende schouders van vader wipten even op. Wat kón een mens nu hebben?!
"Griep?" probeerde ik.
"Zoiets zeker," klonk het ontwijkende antwoord.
Meteen daarna verzonk hij weer in zichzelf, waarmee hij te kennen gaf dat hij niets meer aan het onderwerp toe te voegen had. Op slag begon de grote klok aan de muur weer wat nadrukkelijker te tikken, en naar mijn gevoel ook trager. Ik staarde door het raam en zag enkele plukken hagelwitte wolk door het blauwe uitspansel drijven. Aangezien het klimaat reeds jaar en dag voer tot conversatie biedt, liet ook ik deze mogelijkheid niet onbenut.
"Het is mooi weer vandaag," opperde ik. "Mooi maar koud."
"Hm?" deed vader met de flank van zijn hoofd naar me toegekeerd, de ogen tot spleetjes geknepen en de oorspieren opgespannen; de typische houding waarmee hij aangeeft dat hij uit de uitgestoten klankenbrij geen woord heeft weten te distilleren.
"Dat het mooi weer is, maar koud," riep ik haast. "Mooie herfstkleuren."
Vader knikte vaag, maar nam niet eens de moeite om een blik door het raam te werpen. Hij reikte naar het glas bier dat ik hem had voorgezet en nam een teug. Ik goot uit solidariteit eveneens een slok door mijn keel en smakte luid om de loden stilte geen kans te geven.
"Zet je nooit nog eens muziek op?" vroeg ik, terwijl ik mijn glas weer op de tafel zette. "Of je nooit nog eens..."
Met een onverschillig schouderophalen maakte vader me duidelijk dat hij mijn vraag ditmaal van de eerste keer begrepen had.
"'t Is altijd hetzelfde," antwoordde hij kort.
Vreemd, dacht ik bij mezelf, wetende dat zijn kast puilde van de meest uiteenlopende cd’s en de radio toch ook wel wat variatie weet te brengen.
"Maar het lichtje brandt nog altijd!"
Hij richtte zijn vinger op het stand-bylampje van de compacte stereoset die naast hem op de vensterbank stond en trok zijn mond in een tevreden plooi. Ik vatte niet meteen waarom hij het permanente glimmen van dit rode oogje zo wonderlijk vond, maar besloot begrijpend te knikken om niet weer in een diepe verwarring verzeild te raken. In de stilte die volgde, keek ik naar de klok en trachtte de wijzers met een dwingende blik vooruit te stuwen.

Klokslag drie hees ik me overeind.
"Ik stap maar eens op. Ik heb nog wat te doen," loog ik.
Ik sloeg mijn jas om, boog me over dat kromme afgeleefde ventje, dat niet meer dan een flauw afkooksel was van die reusachtige man waar we als kind voor beefden, en drukte drie kussen op zijn wangen.
"Bedankt dat je gekomen bent," vertrouwde hij me met zachte stem toe.
"Graag gedaan. Dat weet je," glimlachte ik minzaam.
Ik ging naar de deur.
“Doe thuis de… de…” Hij krabde zich nadenkend op het voorhoofd.
“De groeten? Zal ik doen,” raadde ik.

Het kostte me, zoals iedere week, de hele weg naar huis om de angst voor ’een mooie oude dag‘ te verdrijven.

zondag 4 november 2012

MARRAINE



De eerste ontmoeting met “marraine” vergeet ik nooit. Na een dagje werken, trof ik haar in de voorkamer in het gezelschap van mijn vriendin die haar kleindochter was. Ze zat in onze wit-groengestreepte tweezit in een lichtjes geforceerde houding op mij te wachten. Met haar kaarsrechte rug, zedig samengedrukte knieën en de handen godsvruchtig in haar schoot gevouwen, leek ze een grote verwachting uit te stralen naar onze ontmoeting. Ik gaf haar een beleefde handdruk, maar ze trok me onvervaard naar zich toe en besmeurde mijn beide wangen met haar rijkelijk aangebrachte helrode lippenstift.
Ik nam plaats in de zetel tegenover haar en taxeerde haar onopvallend. Met haar fier opgeheven kin, en haar opzichtige blonde pruik, die aan de wulpse haartooi van Marilyn Monroe deed denken, leek ze weerstand te willen bieden aan de onverbiddelijk voortschrijdende tijd. Maar wat me het meest trof, waren haar ogen. Hoewel hoogbejaard, school in haar blik de hunkering van een jong meisje dat op het punt stond zich over te geven aan een eerste verliefdheid. Ik was gebiologeerd door die priemende ogen, die me geen ogenblik loslieten.

Een paar maanden later nodigde “marraine” ons uit voor een etentje. Omdat ze zelf niet al te best meer uit de voeten kon met houten lepels en gardes, troonde ze ons mee naar de plaatselijke vestiging van een restaurantketen. Hoewel ze ontegensprekelijk een hele lieve vrouw was, voelde ik de hele tijd een sluimerende ongemakkelijkheid, een gevolg van die priemende blik, die haast onophoudelijk op me brandde als de focus van een loep.
Op een moment dat we even alleen waren, nam ze zonder enige schroom mijn hand in de hare en vertrouwde me op gewichtige, haast samenzweerderige toon toe dat ze “gevaarlijke ogen” had. Ze liet er geen enkele twijfel over bestaan dat ze zich ten volle bewust was van de kracht van haar blik. Ik wist even niet waar ik het had, hetgeen mijn vriendin, na het beëindigen van haar toiletbezoek, meteen opmerkte.
“Is er iets?” vroeg ze nadat ze plaats had genomen.
Ik schudde ontwijkend het hoofd, maar later op de avond, nadat we “marraine” bij haar appartementje hadden afgezet, vroeg ik haar me nooit meer met haar grootmoeder alleen te laten. Ze begreep het. Blijkbaar droeg het oudje een zekere reputatie met zich mee.

De jaren nadien zagen we “marraine” geregeld, meestal op familiefeestjes waar ik de enige was die niet te kiezen had naast wie ik wilde plaatsnemen. Ik moest en zou naast “marraine”zitten. Daar stond ze op. Aanvankelijk zag ik sterk op tegen deze verplichte nummertjes, maar gaandeweg begon ik een vaardigheid te ontwikkelen om met de naar behaagzucht neigende bejaarde dame om te gaan. Het volstond om haar voldoende aandacht te geven, haar te vleien met wat goedkope complimentjes en iedere keer weer volmondig te beamen dat ze ‘hele speciale en gevaarlijke ogen’ had. Meer had ze niet nodig om voor een dag haar saaie en uitdovende bestaan te ontvluchten. Na een tijd begon ik zelfs een diepe genegenheid te ontwikkelen voor dat oude mensje dat zich zo gemakkelijk tevreden wist te stellen met het weinige dat het leven haar nog bood.

Tijdens het feestje voor haar 93e verjaardag zat ik, zoals altijd, naast ”marraine”, toen ze opeens haar hand op mijn arm legde en me toefluisterde dat ze ‘stijf gezeten’ was. Haar onderste ledematen waren dringend aan beweging toe. Ik hielp haar overeind, nam haar beide handen in de mijne en loodste haar, langzaam achteruitlopend, door de wirwar van tafels. Ze trachtte zich kranig te houden, maar ik zag dat ze verging van de pijn. Uit haar blik, die ook nu onophoudelijk op mij gericht bleef, sprak een zekere droefheid. Ik kon me niet van het gevoel ontdoen dat dit de voorbode was van een naderend einde.
Enkele weken later werd mijn vermoeden bevestigd. We kregen een verontrustend telefoontje met de melding dat “marraine” met hoogdringendheid in het ziekenhuis was opgenomen. Het verdict was vreselijk: er werd een ernstige kanker vastgesteld, die zo vergevorderd was dat de dokters geen mogelijkheid meer zagen om haar te helpen. Om het lijden niet eindeloos te rekken, werd stilzwijgend besloten om haar kaarsje langzaam te laten uitdoven.

Tijdens ons bezoek in het ziekenhuis zag ze er, wellicht onder invloed van medicatie, opvallend opgewekt uit. Helemaal niet terneergeslagen, zoals we verwacht hadden. Het leek wel alsof ze alweer aan het opknappen was. Heel even flakkerde de hoop op, maar toen ik vertrok, las ik in haar ogen een diepe melancholie. Niemand had haar van de ernst van de zaak op de hoogte gebracht; ze bleef glimlachen, maar met die blik gaf ze aan dat ze wist dat dit het definitieve afscheid was. Net voor ik de kamer verliet, draaide ik me nog één keer naar haar om. Ze zwaaide me uit met een haast kinderlijke handbeweging, waarmee ze zich naar mijn gevoel dankbaar wilde tonen om het kleine lichtpuntje dat ik had gevormd in haar uitdovende bestaan.

Enkele dagen later werden we bij haar sterfbed geroepen. Met een ongekende wellust hapten de wijzers van de klok de laatste stukken uit haar leven. Ik nam plaats op de stoel naast het bed, en hoewel ik wist dat het oude mensje zich nergens meer van bewust was, nam ik haar uitgemergelde hand in de mijne, boog me naar haar toe en fluisterde zachtjes mijn naam in haar oor. Ik wilde dat ze wist dat ik bij haar was. Een reactie kwam er niet, maar het leek alsof ze me door haar gesloten oogleden heen met haar priemende blik duidelijk maakte dat het goed was.
Kort daarna sliep ze vredig in, net toen ik even weg was. Dat ik niet zat waar ik op dat cruciale moment hoorde te zitten: naast haar, daar heb ik na al die jaren nog altijd spijt van.

zondag 28 oktober 2012

GOED BESTEED



Bart was geen lieve jongen. Zachter kan ik het niet uitdrukken. Bart was het soort kerel dat je liever niet tegen het massieve lijf loopt. Alleen al zijn gelaatsuitdrukking, waarop een gemene grijnslach gebeiteld stond, kon je de stuipen op het lijf jagen. Maar het meeste indruk maakten zijn schouders, waarvan ik vermoed dat ze probleemloos een volledig marmeren schouwgarnituur konden torsen. Zijn haren, die qua structuur aan de uitgerafelde uiteinden van een vlastouw deden denken, waren hoogrood van kleur, wat fel contrasteerde met de bleke teint van zijn gelaat.
Bart ging zelden te voet. Wanneer hij daartoe gedwongen werd, deed hij dat met grote zelfverzekerde passen, waarbij zijn licht overhangende torso nadrukkelijk over en weer wiegde. Maar bij voorkeur verplaatste hij zich met een zware motor. Wellicht om die reden was hij zomer en winter gehuld in een pikzwarte leren jekker met ingewerkte epauletten, die de breedte van zijn schouders nog extra benadrukte.

Ik kende Bart aanvankelijk niet persoonlijk. Ik wist alleen dat hij de kleinzoon was van de beminnelijke melkboer die al jaren bij ons aan huis kwam, naar ik aanneem enkel om melk te leveren. Op zekere dag kwam ik echter totaal buiten mijn wil om met hem in contact. Bart was namelijk een kerel die af en toe behoefte had aan een flinke portie heibel. Sommige mensen begeven zich naar het café om er een gezellige tijd onder vrienden door te brengen; anderen doen dit om zich eens goed lazarus te zuipen. Een derde categorie grijpt een cafébezoek aan om zich af te reageren en te buiten te gaan aan zinloos geweld. Tot deze laatste groep behoorde Bart. Heel vaak, wanneer je hem het café zag binnenkomen, kon je al aan zijn tot spleetjes geknepen ogen merken dat hij op zoek was naar een slachtoffer om zijn agressie op bot te vieren. Die dag was ik aan de beurt.
Ik stond met een glas bier in de hand te keuvelen met een paar vrienden toen hij plots met z’n breed ‘karuur’ naast me kwam staan en me onverwijld met uitdagende blik en opjuttende taal tot een gevecht trachtte aan te zetten. Omdat ik verre van macho ben en al zeker geen vechterstype, kneep ik voor de zekerheid mijn billen al dicht. Maar als ik aan iets een hekel heb, dan is het om me bang te tonen. Ik liet zijn provocaties van me afglijden als water van een eend en trachtte zijn opruiende praat te pareren door me vriendelijk en toegankelijk op te stellen, wetende dat een kat een muis die niet tegenspartelt ook gauw laat liggen. En deze strategie sloeg wonderwel aan. Langzaam maar zeker werd Barts toon minder driftig. Na zowat een halfuur was de stoom zodanig van de ketel, dat hij me een schouderklop gaf en een glas bier aanbood. Hoewel ik geen enkele behoefte voelde om nog een seconde langer in het gezelschap van die crapuleuze kerel te vertoeven, aanvaardde ik het biertje, om geen nieuwe woedeaanval uit te lokken. Wat ik niet besefte, was dat dit het begin inluidde van een lange lijdensweg.

De volgende weken werd ik machteloos gepromoveerd tot Barts ‘vriend’. Enige inspraak hierover had ik niet. Of hij me daadwerkelijk sympathiek was beginnen te vinden, durf ik overigens te betwijfelen. Ik denk eerder dat hij dat ene geoffreerde pintje dubbel en dik terugbetaald wilde zien. Ik werd immers geacht al zijn bierconsumpties te betalen. Deed ik dat niet spontaan, dan zorgde hij er met een 'vriendschappelijke' wurggreep - een python waardig - wel voor dat ik van gedachten veranderde. En dit was nog maar het vagevuur. Ik betrad de hel toen Bart me op een dag met een list mijn adres wist te ontfutselen. Minstens twee keer per week stond hij daarna ongevraagd aan mijn deur, en verzocht me met aandrang om een aantal gekoelde biertjes. Zuchten en verveelde gelaatsuitdrukkingen hadden niet het minste effect. Met geen middel wilde hij begrijpen dat zijn aanwezigheid niet op prijs werd gesteld.

Op een dag bedacht ik een list om Bart te verschalken. Van zodra ik het aanzwellende gebrom van zijn motor hoorde naderen, vluchtte ik de tuin in en dook weg achter een lage struik. Liggend op mijn buik wachtte ik tot de kust weer veilig zou zijn. Maar toen hoorde ik opeens zijn nijdige stem klinken. Ik wurmde mijn verbaasde kop in de struik en tuurde doorheen de bladeren. Tot mijn afgrijzen zag ik de vechtersbaas bij de achterdeur staan, geflankeerd door mijn vriendin die op een wel érg ongelukkig moment was thuisgekomen.
Om te illustreren dat hij maar al te goed wist dat ik me daar ergens verborgen hield, riep Bart tot drie keer toe uitdagend mijn naam, tot ik geen andere uitweg zag dan vanachter de struik te voorschijn te komen. De kop die ik trok moet lachwekkend zijn geweest. Even nog probeerde ik op te houden dat ik daar een zomers middagdutje had liggen doen, maar Bart lachte zijn gemeenste lach, gaf me een tergende por in de ribben en verzocht me om een pint.

De daaropvolgende weken zocht ik verwoed naar een manier om me van de belastende ‘vriendschap’ te ontdoen. Hoe bevrijdt men zich van een parasiet zonder het eigen lichaam in gevaar te brengen? De oplossing voor mijn probleem werd me uiteindelijk aangereikt door Bart zelf, toen die op een dag om een aanzienlijke som geld kwam bedelen. Eerst wilde ik hem de gevraagde financiële steun weigeren, maar toen bedacht ik dat dit wel eens mijn redding zou kunnen betekenen. Zo’n werkschuw tuig zou immers nooit in staat zijn z’n schuld te vereffenen. Met deze lening kon ik me in het beste geval vrijkopen van zijn ‘vriendschap’. Ik gaf hem het gevraagde bedrag, eraan toevoegend dat ik het geld uiterlijk een week later terug moest hebben om de huishuur te betalen. Een leugentje om de druk nog wat op te voeren. Bart snokte het geld driest uit mijn hand, moffelde het in zijn broekzak en maakte zich snel uit de voeten. Hij nam niet eens de tijd om een biertje af te bedelen.

De week daarop kwam hij - zoals verwacht - niet opdagen. De weinige keren dat ik Bart nog heb gezien, was wanneer hij me tegen een haast supersonische snelheid voorbij scheurde op zijn motor. Van het geleende bedrag heb ik uiteraard geen cent teruggezien, maar nooit heb ik het gevoel gehad dat mijn geld beter besteed was dan toen!

maandag 22 oktober 2012

WIJSGEER


  
Over ieder kind valt wel een novelle te schrijven. Of een kortverhaal. Of een opstel. Of op z’n minst een cursiefje. Maar er zijn zo van die kinderen aan wie je een hele verhalenbundel kunt ophangen. Zo’n kind was ons zoontje. Veel van zijn fratsen en uitspraken zijn binnen de familie legendarisch geworden en kunnen nog decennialang dienen tot hartverwarmend vermaak op koude winteravonden. Het is dan ook onmogelijk om ‘de geschiedenis zijner jeugd’ in een cursiefje te vatten, maar een kleine impressie zal volstaan.

Binnen ons gezin was zoonlief in zijn prille jaren de potsenmaker van dienst. Soms gewild, maar net zo vaak ongewild, meester als hij was in het zich op de hals halen van kleine ongelukjes en misverstanden, het hebben van impulsieve reacties en het verkeerd uitspreken of benutten van uitdrukkingen en begrippen. Hele monologen kun je uitschrijven met door elkaar gehaspelde woorden en kinderlijke versprekingen die hij bleef maken.
“Gaan we vandaag eten in een ‘nestaurant’? En drinken we dan eerst een ‘apetirief’? En mag ik daarna de centjes ‘butalen’?” Het is maar een voorbeeld.
Hoe vaak je hem ook corrigeerde, hij bleef dezelfde fouten maken. Elke dorpskermis was in zijn ogen een ‘Sinksenfoor’, ook al waren we mijlenver van Antwerpen en was het midden november. Eens over de taalgrens waren we in Frankrijk, hoe dikwijls je hem dat ook uit het hoofd trachtte te praten. En twijfelen aan zichzelf deed hij nooit. Toen zijn zus op een keer vroeg: “Een ‘bronchite’, wat is dat eigenlijk?”, antwoordde hij vastberaden en met de intonatie van een professor die voor de zoveelste keer een hardleerse student een eenvoudige wetenswaardigheid tracht bij te brengen: “Weet jij dat dan niet? Vlees op een stokje natuurlijk!”
Een ander voorbeeld: toen we in het bekende pretpark in Kaatsheuvel waren, kwam hij plots proestend van het lachen naar ons toegelopen.
“Mama, mama, weet je hoe die jongen het hier noemt?” Hij wees op een knaap die wat verderop stond en hoorbaar een Hollandse tongval had.
“Nee, hoe?”
“De Efteling!” schalde hij luid.
Toen wij verbaasd vroegen: “Ja, en hoe is het dan volgens jou?” antwoordde hij met de hem typerende vanzelfsprekendheid: “De Nefteling!”
Moesten Vlamingen maar niet altijd die vervelende verbindings-n gebruiken!

Maar niet alleen verbaal wist hij ons keer op keer te amuseren. Zijn impulsieve reacties brachten ook geregeld hilariteit teweeg. Zoals die keer dat we naar het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis in Brussel togen. We hadden de gewoonte om op voorhand bij het ontbijt al wat te vertellen over wat we later die dag zouden zien. Zoonlief, toen amper vier jaar, was altijd erg geïnteresseerd in nieuwe dingen en wilde over alles, en liefst zo snel mogelijk, het fijne weten.
“Wat is een mummie?” vroeg hij nadat ik me dat moeilijke woord had laten ontvallen.
Ik trachtte hem omstandig ‘uit de doeken te doen’ dat een mummie een dode mens is die ze héél lang geleden in repen stof hebben gewikkeld om hem beter te bewaren. Hoe leg je zoiets uit aan een kind?
Toen we die namiddag in de afdeling ‘Oud Egypte’ van het museum halt hielden bij de glazen kist waarin de stoffelijke resten van ‘de borduurster Euphemia’ worden bewaard, stond zoontje reikhalzend naast mij.
“Ik kan niks zien,” zei hij met een pruillip.
“Kom,” antwoordde ik, “ik zal je optillen.”
De reactie die volgde bij het aanschouwen van de mummie met ontbloot gezicht, was hilarisch. Terwijl hij met zijn hele kleine lijfje verschrikt achteruit deinsde, riep hij luid: “Baah, een doodskop!!!”
De hele zaal lachte met ons mee!

Waar je ook naartoe ging met hem, altijd kwam je wel met een verhaal of een anekdote terug. Lachen deden we in het slechtste geval pas achteraf, wanneer het komische van de situatie met enige vertraging tot ons doordrong. Zoals die keer toen we met het hele gezin door de straten van een rustig Italiaans dorpje liepen, en hij het presteerde om met zijn sandaaltje in de meest smeuïge hondendrol ooit te trappen, een okerkleurige bolus, vers van de pers! Terwijl de stront zich bij elke stap meer en meer door zijn tenen wurmde, liep zoonlief nog rustig tien meter verder, tot de temperatuur van het excrement hem op het onheil attendeerde. De verschrikte kop die hij toen trok is onvergetelijk. Mama zag geen andere mogelijkheid dan zijn voet te spoelen onder het drinkfonteintje waaraan het hele dorp zich kwam laven!

Eén keer werden we zo verrast door een uitspraak van hem dat onze lach gesmoord werd in een sterk gevoel van weemoed. We kwamen terug van een uitstapje en hadden hem net vastgeklikt in zijn zitje op de achterbank van de auto toen plots zijn fijne stemmetje weerklonk.
“Weet je…” zei hij. Het was zijn geëigende manier om een nakende mededeling in te luiden. “Als wij groot zullen zijn en jullie klein, dan zullen wij vanvoor zitten en jullie vanachter.”
Mama en ik keken elkaar aan met een mengeling van ongeloof en verbijstering. Zijn opmerking sloeg ons zodanig met verstomming dat we minutenlang geen woord over onze lippen kregen. Er bleek een filosoof van amper zes jaar te hebben postgevat op de achterbank! Dat ons kind geen gewoon kind was, wisten we al langer, maar dat hij op die leeftijd tot het uiten van zulke diepzinnige uitspraak kwam, deed ons werkelijk naar adem happen.

Zelf herinnert onze wijsgeer zich niets meer van dit onvergetelijke moment, maar voor ons is het een oneliner die in ons geheugen gegrift staat als de hiërogliefen in de steen van Rosetta. Over een jaar of dertig zullen wij het misschien ook vergeten zijn. Maar tegen die tijd zitten wij al lang vanachter.