maandag 19 december 2011

Kroniekjaar 1882

De gezondheidstoestand van Hendrik Conscience wordt met de dag zorgwekkender. Stilaan wordt het voor iedereen duidelijk dat ‘de man die zijn volk leerde lezen’ geen jaren meer te leven heeft. Frans Joris, voorheen Gust Wappers, werkt naarstig aan een standbeeld dat men nog voor de dood van de schrijver voor hem wil oprichten. De chroniqueur/beeldhouwer voelt dat elke minuut telt.
Het Jezuïetenplein, waar het standbeeld zal staan, is ondertussen omgedoopt tot Conscienceplein, maar daar blijkt niet iedereen in de stad even gelukkig mee te zijn…

Ik loop zo gehaast de trappen van de Repenstraat af dat mijn benen haast in een knoop slaan. ’t Is met een hoop armgezwaai dat ik mij ternauwernood weet recht te houden. Een kreupel oud menske, dat net het portaal onder ’t Spekhuis komt uit gesukkeld, krijgt bijna een veeg tegen haar oor door mijn geklapwiek.
“Héla! Kunt gij niet zien waar ge loopt!” krijt ze met schelle stem. “De jeugd van tegenwoordig, hé!” Ze heft haar wandelstok hoog boven het hoofd en doet alsof ze mij een rammeling dreigt te geven.
Met klakkende tong, vanwege die droge hostie die ik maar niet van mijn verhemelte krijg, prevel ik gauw iets dat op een verontschuldiging moet lijken, en duikel mijn portaal in. Voor ik de deur open, gooi ik tersluiks een blik door het raam. Ik zie al meteen dat Hendrik nog altijd zieltogend op zijn bed ligt. ’t Gaat niet goed met hem. ’t Is om die reden dat ik mij de laatste tijd naar de mis begeef, om aan zijn verzoek te voldoen een hostie voor hem af te bedelen en desgevallend een aflaat of twee. Hoewel ik door mijn status als chroniqueur enigszins vertrouwd ben met de geplogenheden van de hemel, en ik bijgevolg weet dat al die aardse gebeden nergens toe dienen en er Hierboven eens goed mee gelachen wordt, wil ik hem dat plezier gunnen. Helaas zie ik mij dan telkens verplicht om zelf ook een hostie tot mij nemen, omdat de pastoor er mij anders geen wil meegeven. En laat ik nu juist een afkeer hebben van brood dat maar half gebakken is en geen gist bevat! Voer voor de zwijnen is het! Maar goed, voor een mens die zijn einde voelt naderen, moogt ge al eens een effort doen.
Ik zwaai de deur open en gooi mijn lijf binnen. “Hewel, luilak, ligt gij nu nog altijd te stinken in uw boerentram?” probeer ik luchtig te doen.
Als antwoord krijg ik een soort van gesmoord gekreun te horen. Met een fikse inspanning weet hij zich om te draaien en mij met uitgebluste ogen aan te kijken. “Zijt gij nu al terug van de kerk?” vraagt hij met een schor keelgeluid.
“Wat dacht ge,” zeg ik, “dat ik de matinee ook ging uitzitten? Ik heb hier nog genoeg omhanden om mijn tijd niet te zitten verprutsen tijdens de brevieren. Kom, klauter uit uw bed en hijs u in uw zondags kostuum, zodat ik aan mijn dagelijks werk kan beginnen. Mijn vingers jeuken.”
“Kunnen we eens niet een dag overslaan?” vraagt hij, terwijl hij zijn deken demonstratief over zich heen trekt tot een stuk onder zijn lange baard. “Ik ben te moe om te ademen.”
“Luister, wilt gij riskeren dat gij de geest geeft vóór mijn kunstwerk af is? Mij goed, maar weet dat ik zonder model niet kan voort werken. Als ge wilt dat er op uw plein een schoon beeld van u verrijst, dan zult ge nog een paar maanden op uw tanden moeten bijten.” Ik doe mij harder voor dan ik ben, omdat ik weet dat ik hem anders niet gemotiveerd krijg, maar diep vanbinnen wringt het medelijden. Gelukkig weet ik uit ondervinding dat, eens hij gezeten is, het allemaal nog wel meevalt. Tenslotte moet hij niets anders doen dan stilzitten, en hij kán schoon stilzitten als ’t moet. ’t Is een geboren poseur, maar dan niet in de denigrerende betekenis van het woord!  
“Hebt ge een hostie voor mij meegebracht?” vraagt hij, terwijl hij zich met enige moeite overeind zet op de rand van zijn brits. Zijn haar piekt alle kanten uit.
“Uiteraard!” zeg ik. Ik tast in mijn zakken, maar het enige wat ik daar aantref is een groot gat waar een hele zak hosties moeiteloos doorheen valt. “Dedju, ik vrees dat ik ze onderweg ben kwijtgeraakt,” mompel ik. Zijn oren blijken nog goed te werken.
“Gij meent dat of wat?!” roept hij uit. “Hoe is dat nu mogelijk! Nu laat ik u daar speciaal voor naar de mis gaan!”
“Ja, zeg! Ik doe dat toch niet expres!” verdedig ik mij. “Hier zie, moet ge de mijne hebben?” Ik tracht het stuk doorweekt vloeipapier los te krabben van mijn verhemelte.
“Zijt gij op uw kop gevallen?! Houdt uw viezigheid bij,” zegt hij. “Trouwens, daar zal de heiligheid al lang zijn afgezabberd!”
Mokkend en stijf als een kapstok begint hij, zittend op de rand van zijn brits, zijn broek aan te trekken. In afwachting van zijn aantreden zet ik mij alvast klaar op mijn krukje en concentreer mij op mijn steen, die al redelijk op ‘den Grooten Schrijver’ begint te lijken. Tien minuten later komt hij eindelijk schuifelend op zijn chique stoel toe gestapt en laat zich uitgeput neerzijgen, alsof hij juist een dag en een nacht in de dokken heeft gewerkt.
“Hoelang denkt ge nog te moeten beitelen aan dat beeld?” vraagt hij, terwijl hij zijn haar in de plooi legt. “’t Begint mij eerlijk gezegd de keel uit te hangen om hier elke dag zo onbeweeglijk te moeten zitten. Straks zijn mijn gewrichten zodanig aan elkaar vastgegroeid dat ge geen beeld meer moét maken, dan kunt ge mij lijfelijk op uw sokkel zetten.”
Ik tracht zijn gezemel te negeren en fixeer mij op zijn tronie, die alweer weinig vrolijk staat.
“Kunt ge nu toch niet een klein beetje minder neerslachtig kijken?” vraag ik. “Of wilt ge dat het nageslacht u herinnert als een triestige plant? Ge trekt een smoel alsof ge juist een kilo van de zuurste morellen achter uw huig hebt gestoken. Lach eens een keer naar ’t vogelke!”
“Zoudt gij lachen als ge wist dat ge al lang de schoonste jaren van uw leven hadt versleten en u alleen nog een aanloop naar de dood wacht?” vraagt hij.
“Ik zou daar zo geen drama van maken,” antwoord ik zonder nadenken.
“Ja, gij hebt natuurlijk gemakkelijk praten, gij” fulmineert hij. “Gij hebt altijd uitzicht op een schoon vers leven als ’t vorige uitgeperst is als een citroen, maar ge moet u eens trachten in te beelden hoe het voelt als sterfelijke mens wanneer ge die magere met zijn zeis al in de hoek ziet staan gluren, terwijl hij zich verkneukelend in de uitgemergelde handen wrijft. Ik garandeer u dat ge dan niet veel zin meer hebt om de circusclown uit te hangen.”
“Dat kan goed zijn,” zeg ik, “maar denkt gij nu echt dat het geen nadelen heeft om onsterfelijk te zijn. Hoe langer het duurt, hoe meer ik er van overtuigd ben dat het zalig moet zijn om op zeker moment te weten dat de cirkel rond is en ge in alle rust uw einde tegemoet kunt zien. Mijn trein blijft maar eindeloos rondjes draaien.”
“Ah! In alle rust. Daar zegt ge zoiets. Welke rust kan ik hier vinden? De helft van de tijd zit ik uw kronieken neer te pennen, en de andere helft vliegen de steenspaanders mij om de oren. Als gij dat rust noemt…”
“’t Is al goed, zagevent,” zucht ik. “Weet ge wat. Láát het nageslacht dan denken dat ge een zuurpruim waart. Ze zullen nog gelijk hebben ook. Mij kan het niet schelen.”
Ik plant de punt van mijn beitel naast zijn neus om zijn vleugel nog wat bij te kappen, maar wanneer ik ter vergelijking terug opkijk naar het levende exemplaar, zie ik tot mijn ontsteltenis dat zijn neus plots alle kanten opgaat, van links naar rechts en van onder naar boven.
“Niet voor ’t één of “t ander,” zeg ik, “maar zoudt gij dat orgaan, dat daar in ’t midden van uw gezicht prijkt, misschien eens twee minuten stil kunnen houden? Hoe wilt gij dat ik daar de juiste vorm aan geef als dat spel over en weer zit te wippen als een vogelke op een tak?”
“En kunt gij nu geen twee seconden wachten?” vraagt hij, terwijl ik aan de nasale klank in zijn stem kan horen dat hij een niesbui onderdrukt. “Mijn jeus neukt!”
Ik hou mijn hamer in en wacht geduldig, maar ik denk dat zijn nies ergens blijft haperen ter hoogte van zijn poliepen. Het duurt. En hoe langer het duurt, hoe meer hij met heel zijn lijf ongecontroleerde bewegingen begint uit te voeren. Uiteindelijk weet het snot zich, na een eindeloos langgerekte ‘àààààààààà’, uit zijn beklemmende neusholte te bevrijden, en vliegen de spetters mij om de oren. Wanneer het noodweer voorbij is en hij eindelijk weer stil zit, plaats ik mijn beitel opnieuw naast zijn neus en hef mijn moker hoog. Maar ’t is alsof de duivel ermee gemoeid is. Nog voor ik één klop heb kunnen geven, word ik opnieuw uit mijn concentratie gerukt door een stuk of wat mannenstemmen die door de dikke voordeur tot mij doordringen en langzaam aanzwellen. Even laat ik begaan, in de veronderstelling verkerende dat het wat luidruchtige passanten betreft die zo dadelijk weer weg zullen zijn, maar wanneer volle drie minuten later blijkt dat het ongewenste gezelschap mijn portaal heeft uitgekozen om zich eens flink verbaal te buiten te gaan, is mijn geduld op. Begeleid door een kletterende vloek sta ik op, gooi mijn beitel klingelend op de grond en stap met mijn hamer kloppensgereed op de deur toe. Wanneer ik deze wild openzwaai ontwaar ik een vijftal sjofele manspersonen die stuk voor stuk gehuld zijn in een kostuum dat in de bak naast die met de zondagse kleren heeft gelegen. Meteen nadat ze oog in oog met mij komen te staan, houden ze alle vijf hun klep en staren mij aan met een mengeling van angst en weinig imponerende dapperheid.
“Hewel?” bijt ik hen toe. “Wat is dat hier allemaal? Kunt gij niet op een ander van uw oren gaan maken? Een kudde viswijven heeft er niks aan!”
Overdonderd door mijn uitval zetten ze gezamenlijk een stapje achteruit. Toch durft er nog één zijn mond te roeren, al heeft die voor alle zekerheid toch maar ergens opzij van de groep plaatsgenomen. Zo’n zwaai met een hamer kan hard aankomen, weet hij.
“Hier, sè, dat is ‘hem’!” roept hij uit.
Een andere veilig geplaatste neemt over: “Awel, schoëne meniër, wa zedde gaai allemol van plan? Schoën van a, hé! Wette wa gaai zè? Nen echte ‘paravent’, dát zedde gaai!”
De snerpende stem van de man laat een gemene galm na, maar ik moet toegeven dat ik zijn betoog niet goed kan volgen.
“Hoe bedoelt ge?” vraag ik.
“Ge zou verleigen moeten zaain,” gaat hij verder, “oew aaigen volk zoe in de steik loaten, ’t is farm!”
Nu mag het gezegd zijn dat ik mij niet gauw uit het lood laat slaan door verbaal geweld, zeker niet wanneer dit afkomstig is van gepeupel dat zich ook eens een air wil aanmeten, maar deze keer sta ik toch met mijn mond vol tanden. Ik heb werkelijk geen idéé waar de man het over heeft en wat het is dat hij mij verwijt.
“Neem mij niet kwalijk, beste vriend,” werp ik op, “maar voor ge mij onder uw hielen vermorzelt… zeg mij eens eerst met wie ik te maken heb en van welke zonden ge mij verdenkt, want ik heb werkelijk geen gedácht!”
“Dat zallek oe is direct zegge, sè!” piept er ene die nog niet aan ’t woord is geweest en die een opvallend dik glas in een monocle draagt. Ik moet toegeven dat hij lef heeft, want hij treedt naar voor met de air van een voordrachtkunstenaar die van plan is alle concurrentie op een hoopje te zeveren, terwijl hij zo klein van gestalte is dat ik moeiteloos de luizen tussen zijn vettige striemen haar kan zien schaatsen. Wel houdt hij voor alle zekerheid één oog op mijn moker gericht.
“Waai zèn een petit comitei van d’aander paroche,” zegt hij met ongeloofwaardige plechtstatigheid, “en...”
“Hola, wacht een secondje!” hou ik hem tegen. “Ik weet niet of ge er u van bewust zijt, maar hier in Tstadt zijn er minstens dertien parochies in een dozijn. Dus zoudt ge zo goed willen zijn te situeren waar uw kerkgemeente zich preciés bevindt?”
“Gingder!” zegt hij fier, nadat hij eerst met schattende blik zijn exacte positie heeft geverifieerd. Ik steek mijn kop buiten, kijk in welke richting zijn eeltige vinger wijst en denk even na… bezuidens ons…
“Bedoelt gij de parochie van miserie?” vraag ik.
“Pardon, ’t Singt-Andries, meniër!” antwoordt hij met ongepaste trots.
“Bon, de Luizenmarkt dus. En leg mij nu eens uit wat gij meent mij te moeten verwijten, want er moet toch een duidelijke reden zijn voor het feit dat gij uw emmers kak over mij komt uitkappen.”
Het mannetje met de monocle schuift nog wat dichter naar mij toe, tot onze buiken elkaar raken, en richt zijn blik omhoog. Ik denk dat hij zinnens is de haren in mijn neus te tellen.
“Leustert,” ademt hij mij onwelvoeglijk in ‘t gezicht, “gaai gebaart nà wel van kroemmen haas, mor ’t is gewoën ni schoën van a dat g’oew aaigen volk leut vallen gelak nen bakstiën. Gaai moet nogal een lap spek rongd oewe nek hemmen hangen. ’t Is gelak de Jos hier zei: nen echte parvanent zedde gaai, ik kan het ni beiter zeggen.”
Ik denk dat zij bedoelen dat ik een parvenu ben, maar dat ze er niet in geslaagd zijn het woord correct van buiten te leren. Hoe dan ook: ondertussen neemt alweer een andere kwibus het woord, eentje die een halve meter boven de andere vier uittorent en een opvallend magere kop op zijn lijf torst, waar de jukbeenderen fel uitsteken. Zoals het een domme kloot met een overgroeid lijf betaamt, heeft hij helemaal achteraan postgevat, maar dat weerhoudt hem er niet van eveneens wat vocaal gewicht in de schaal te werpen.
“’t Is just wat ‘hem’ zei, zulle!” roept hij met bezwerend opgestoken vinger.
Ik bekijk hem lankmoedig. “Is ’t waar, jongen?” zeg ik.
“Ja,” knikt hij met grote stelligheid. “Mor ik zal oe ién dingk zegge: as ge hoëg vleegt met oewe luchtbal, kunde deep stoiken! Zegt da kikket gezeid heb!”
Hij mag er dan wel de domste van allemaal uitzien; aan zijn bewering valt niet te tornen. Maar daarmee weet ik nog steeds niet wat het is dat mij verweten wordt.
“Luister,” zeg ik, “ik neem aan dat gij alle vijf eerbare mannen zijt - wie ben ik om daaraan te twijfelen - maar ik zou nu toch wel eens graag willen vernemen door welke mijner daden uw wrevel wordt gevoed. Kan één van u mij nu eens duidelijk trachten te expliceren wat het precies is dat gij mij verwijt?”
“’k Zal ’t oe zegge,” neemt de monocle het weer van de lange over. “Gaai zetter iëne van ongs, wa wilt bedoide da…”
Ik luister aandachtig toe, maar juist wanneer ik op het punt sta te vernemen wat mij ten laste wordt gelegd, port de vijfde van de hoop, de enige die nog geen klank heeft uitgestoten, de man met de monocle in de zij en zegt: “Jef, dat is ‘hem’ ni, zenne! Gingder zit ‘hem’!” Hij richt een afzichtelijk misvormde vinger, waarvan het voorste kootje ontbreekt, op mijn interieur. Ik draai mij verbaasd om naar Hendrik die nog steeds onbeweeglijk op zijn stoel zit, en merk daardoor niet dat ‘de monocle’ van de gelegenheid gebruik maakt zichzelf binnen te laten. Voor ik het goed en wel besef, heeft hij zich, met het hoofd fier in de nek, voor mijn standbeeld geposteerd en begint daartegen te fulmineren. Ik denk dat hij zich beter een volwaardige binocle aanschaft.
“Hier zitte gaai!” keft hij als een hese hond. “Parvanent da' ge zè! Ge zou moete verleigen zaain!”
“Jef!” springt die met de misvormde vinger hem tegemoet. Hij neemt zijn kompaan bij de schouders en draait hem naar Hendrik toe. “Dat is hem oek ni! Hier zittem!”
De man met de monocle kijkt een paar keer verward over en weer van het model naar het afbeeldsel, en begint vervolgens tegen Hendrik zijn gal te spuwen. Deze keer krijgt mijn dierbare vriend het verwijt te horen 'één van hen' te zijn, en een ‘parvanent’ en weet ik wat nog allemaal. Te oordelen aan de diepe frons in zijn voorhoofd geraakt hij echter evenmin wijs uit de woordenvloed die hem in de strot wordt gesplitst. Zelf tracht ik ondertussen te verhinderen dat de drie andere ingezetenen van de armste parochie van Tstadt mijn krocht betreden, maar ongewenst volk, dat is als ratten: dat laat zich niet tegenhouden. Hoezeer ik ook mijn best doe om in hun weg te blijven staan… als een school gladde palingen glijden ze langs mij heen. Alleen de langste lomperik van de hoop ziet zijn vrije doorgang gestuit, hoewel niet door mij. Op het moment dat hij mij met zijn flamingostengels wil voorbij waden, botst hij namelijk zodanig hard met zijn lompe kop tegen de dwarse deurstijl dat het hout er van kraakt, als het zijn schedel al niet is.  
“Nondemiljaarde!!!” roept hij mij luid in het oor, terwijl hij zich dubbel plooit van de pijn.
Ik maak van de gelegenheid gebruik om hem een forse duw te geven, waardoor hij achterwaarts terug mijn portaal invliegt. Zo slaag ik er toch in ten minste één van hen buiten te houden.
De andere vier ontsteken ondertussen in een onverstaanbare kakofonie van verwijten. Ik besluit hen even te laten doen omdat ik niet op twee plaatsen tegelijkertijd kan zijn, maar wanneer ik aan het gezicht van Hendrik kan zien dat hij niet alleen het noorden maar zowat alle windrichtingen tegelijk begint kwijt te geraken, besluit ik dat het genoeg is geweest. Niet dat ik het simpele volk zijn amusement niet gun, maar niets belet hen om in de zoölogie de aap gaan uit te hangen. In drie forse stappen ben ik bij hen en wring mij tussen hen en Hendrik in.
“En nu is het genoeg!” brul ik zo luid dat mijn huig wappert als een vlag in een fikse stormwind. Mijn uithaal heeft succes. Van het ene moment op het andere daalt er een doodse stilte over het korps misnoegden neer. Alle vier de ingezetenen van de parochie van miserie bekijken mij met de stomste uitdrukking die zij machtig zijn. De langste van het quintet maakt echter ondertussen van mijn afwezigheid bij de deur gebruik om zijn lange lijf omzichtig binnen te schuiven. Met zijn handen zedig voor zijn kruis gevouwen, de voeten vlak naast elkaar en de afhangende schouders lichtjes naar elkaar toe geplooid, sluit hij zich bij de anderen aan. Ik kijk hen één na één diep in de ogen.
“Luister,” zeg ik, nu ik hun aandacht heb. Ik besluit mijn woorden wat te wikken en te wegen; tenslotte staat de trots van de toch al zo wreed misdeelde parochie op het spel, “ik meen te begrijpen dat gij alle vijf kwaad zijt, en ik twijfel er niet aan dat uw wrevel is ingegeven door waarachtige verontwaardiging, edoch… het jammerlijke feit wil dat wij nog steeds geen gedacht hebben van wat aan de oorzaak ligt van die verontwaardiging. En daarom zou ik u finaal nog één keer willen verzoeken ons klaar en duidelijk te zeggen wat er op uw lever ligt… Iemand?”
Heel even heerst er een drukkende stilte, maar dan, alsof het afgesproken is, gaan vier verontwaardigde vingers simultaan de hoogte in en zuigen acht doorrookte longen zich vol met lucht, duidelijk om een nieuwe tirade af te steken. Maar net op dat ogenblik neemt de lange, die zich ondertussen van de anderen heeft afgewend, plots het woord. Terwijl hij enigszins wezenloos naar mijn creatie staat te staren, zegt hij luid en gemeend:  “’t Is pertang een schoën stambeld!”
Kijk, ik ben ook maar een mens, zij het een bovennatuurlijke, en ook al ziet mijn opponent er, door zijn lange schrale lijf, de domste uit van allemaal, toch doet het mij iets dat hij zo openlijk voor zijn mening uitkomt, temeer omdat deze wonderwel aansluit bij de mijne… Een ogenblik overvalt mij zelfs de lust om de man aan mijn hart te drukken, maar die lust wordt mij gelukkig tijdig ontnomen wanneer hij gezwind een dikke luis uit zijn hoofdvacht plukt en deze onvervaard tussen zijn tanden kraakt en de spijs smakkend opslorpt. Een mens heeft nu eenmaal af en toe behoefte aan proteïne.
Terwijl ik mijn walging tracht te onderdrukken, probeert Hendrik een bemiddelingspoging te ondernemen. “Vrienden, zeg nu eens wat het probleem is,” zegt hij eenvoudigweg.
Daarop draait het ventje met het uilenoog zich naar hem toe en zegt: “Awel, meniër, ‘k zal het oe zegge. Waai, het petit comitei van ‘t Singt-Andries, waai vingden het ni schoën dat gaai oe stambeld ni baai ongs wilt zette. Verget meniër misschien dattem ba ongs in de paroche gebouren is? Gaai zetter iëne van ongs, manneke, en dus moet da beld ba ongs op ‘t plaain komen te staan en nieverans anders!”
Dat is nu eens duidelijke taal, zie! Nu weten we eindelijk waar het schort: de trots van de Luizenmarkt speelt zowaar op!
“Maar jongen,” zeg ik sussend, terwijl ik mijn hand op het opdondertje zijn schouder leg, “had dat dan toch eerder gezegd.” Hij kijkt mij vol verwachting aan, maar ik zie mij verplicht hem dadelijk teleur te stellen. “Luister,” zeg ik, “het is niet dat ik geen begrip kan opbrengen voor uw grieven, maar ik vrees dat ge aan het verkeerde adres zijt om ze wereldkundig te maken. ’t Is namelijk op Tschoon Verdiep dat ge moet zijn. Dáár en nergens anders hebben ze beslist waar het beeld zal komen. Wij hebben ons in die kwestie niet te moeien. Dus… als ge zo vriendelijk zou willen zijn uw emmers stront daar te gaan uit kappen, dan kunnen wij rustig verder werken.”
Ik spreid mijn armen en drijf het verbouwereerde vijftal als een kudde schapen naar buiten. Net voor ik hen de deur op de hielen keil, hoor ik nog wel een aarzelende “jommer” opstijgen, maar het zal mij worst wezen welk bezwaar het gespuis nog aan te voeren heeft. Het werk wacht.

Terwijl ik mijn beitel opraap en plaatsneem op mijn kruk, hoor ik hoe hun trappelende stappen zich verwijderen. Ik slaak een zucht van opluchting en wacht tot Hendrik weer de vereiste pose heeft aangenomen. Maar dan, juist op het moment dat ik met volle kracht mijn hamer naar voren zwaai om die vervelende spaander naast zijn neus nu eens eindelijk weg te hakken, wordt er met zo’n stevige vuist op de deur gebonsd, dat het mijn duim is die de slag van mijn hamer opvangt.
“Auw!” roep ik luid. In een impuls steek ik mijn duim - die pulseert als een hartspier - in mijn mond, en loop met grote passen naar de deur. In de overtuiging verkerende dat het luizengespuis op zijn stappen is teruggekeerd, bereid ik mij voor op een vlammende woordenwisseling, maar groot is mijn verbazing wanneer ik oog in oog kom te staan met een heer van standing wiens gezicht mij bekend voorkomt, maar dat ik in alle opwinding niet meteen weet thuis te brengen. Het betreft een kop met oplichtende lichtgrijze ogen, zijdelings achteruitgekamd golvend haar, een dopneus die als speen zou kunnen dienen en wijd uitstaande bakkebaarden. Nog voor ik tijd heb om mijn hersenen aan het denken te zetten, doet de man een stap voorwaarts en vraagt mij onbeschroomd en in ’t Frans of hij even binnen mag komen. Ik haal mijn duim uit mijn mond en haal diep adem om hem in het gezicht te spuwen dat ik geen tijd heb om mij met triviale dingen bezig te houden, maar dan schiet het mij gelukkig tijdig te binnen wie deze man is. ’t Is verdomme ‘de grote baas’! ‘t Is Leopold, de huidige burgemeester van Tstadt!
“Ochot, mijnheer Leopold,” stamel ik onbeholpen. “Neem mij niet kwalijk dat ik u niet dadelijk had herkend. Ik zat met mijn gedachten elders. Treed binnen in mijn nederige krocht, maar buk u voor de veiligheid, want het is een laag deurke en er heeft er daarjuist al ene mogen kennis maken met de deurstijl.”
Ik doe een stap opzij en verschaf hem vrije doorgang. Beducht voor het deurkader schuift hij zijn ranke lijf haast horizontaal binnen. Pas halverwege mijn krocht durft hij het te wagen zich weer helemaal op te richten. Meteen neemt hij dan ook zijn typerende kaarsrechte-rug-houding aan, en strengelt zijn handen in elkaar op zijn achterwerk.
“Bonjour Henri!” knikt hij Hendrik gemaakt vriendelijk toe.
“Dag mijnheer den burgervader,” mompelt Hendrik opzettelijk in ‘t Vlaams met een Antwerpse tongval.
“Aan wat danken wij de eer en het genoegen dat u zich tot de laagste regionen van ’t Spekhuis verlaagt?” vraag ik. Het klinkt botter dan ik bedoelde, maar dat is mooi meegenomen.
De burgervader lijkt niet zinnens mij van antwoord te dienen. Zonder mij een blik waardig te gunnen, loopt hij mij voorbij, stapt op mijn standbeeld in wording toe en gaat als een echte kunstkenner met scheefgehouden hoofd de stand van zaken inschatten, terwijl zijn vingers aan zijn ineengestrengelde handen achter hem zwabberen als zotgeworden sausissen. Met zijn spaarzame mond brengt hij een begeleidend ondefinieerbaar ‘POM-POM-POM-deuntje’ ten gehore, waarbij zijn wangen telkens opblazen als de keel van een kwakende kikker. Ik laat hem even zijn gang gaan, want ik weet als geen ander dat ‘mijnheer Leopold’ er niet mee gediend is gestoord te worden in zijn interessantdoenerij.
Pas nadat hij elk detail van het beeld in zich heeft opgenomen, draait hij zich naar mij toe en zegt: “Ik ben gekomen pour vérifier hoe ‘et met uw werkzaamheden is gesteld.”
“Ah… zoals ge kunt zien…” begin ik, maar hij geeft mij niet de kans om mijn zin af te maken.
“Denkt gij klaar te zullen koom met uw beeld alvorens le grand écrivain hier euh…?” Hij maakt met zijn vinger een glijbeweging onder zijn kin. “Het is maar dat ik zinnens ben te verwezenlijken des grandes choses tijdens mijn ‘ambtsperiood’. Het zou fantastique zijn, moesten we in het bijzijn van Henri zelve nog grootse stoeten en festivités kunnen organiseren. Dat zou mij bij de volgende ‘kiezing’ nen ‘oop stemmen kunnen opleveren!”
Dat laatste mogen we interpreteren als een innerlijke bedenking die hem ontsnapt. Er kruipt een koude rilling over mijn rug. Dit is Leopold ten voeten uit: alleen maar begaan met zichzelf. De gezondheidstoestand van Hendrik zal hem knudde wezen.
“Enfin, ‘oe lang denkt gij nog werk te heb?” draait hij zich naar mij.
Ik slik mijn ergernis weg en zeg zo bedaard mogelijk: “Dat kan ik helaas moeilijk inschatten, mijnheer den burgervader, dat hangt namelijk van verschillende factoren af, zoals daar zijn: hoe stil Hendrik kan blijven zitten; hoe dikwijls ik gestoord word tijdens mijn werk…”
Hij trekt zijn wenkbrauwen zo hoog op dat zijn oren een stuk naar achter lijken te migreren. Het is duidelijk dat hij zich afvraagt of hij zich aangesproken moet voelen door mijn weinig verhuld verwijt, maar nog voor hij van zijn verbazing bekomen is, worden we allen afgeleid door een hoop opgewonden stemmen, die naderbij komen en gevolgd worden door een enerverend geroffel op de deur. Ik sla een binnensmondse vloek en open de deur. Tot mijn niet geringe verbazing blijkt het luizenquintet dan tóch op zijn schreden te zijn teruggekeerd.
Met losse pols tast ‘de monocle’ even of de deur wel degelijk open is, en steekt dan van wal. “Is hem heere?” spuwt hij mij spetterend in het gezicht.
“Wie?” doe ik verbaasd.
“Diej van Tschoën Verdeep, dedju!”
Nog voor ik kan antwoorden, hoor ik achter mij fiere stappen naderen en word ik verdrongen door het aura van de burgemeester.
“Ik meen te mogen aanneem dat het mijn noble persoon is die gij zoek,” keft hij met zijn stem die rotsen kan klieven.
“Zeede wel dattemet was!” roept de lange, terwijl hij met zijn wijsvinger, die aan een uitschuifbare arm bevestigd lijkt, bijna het oog van Leopold uitsteekt. De vier anderen doen, nu ze zeker weten dat ze geïmponeerd mogen zijn, een stap achteruit. Eén van hen trapt daarbij op de tenen van Langemans, die als enige achteraan stil is blijven staan.
“Auw!” roept de zwieber uit. “Ge stot oep maain zwemvleezen!!! Got er af!!! Got er af!!!”
Er wordt vervolgens door het vijftal wat zenuwachtig over en weer geschoven tot zij weer een perfect gelid vormen. Ze koeken als het ware samen als gestold vet op de bodem van een spekpan.
“Alors, wat is ‘t dat gij mij te zeggen heb?” vraagt de burgermeester.
Even bekijken de vijf dapperen elkaar om te zien wie zijn mond zal durven open te doen, maar uiteindelijk is het weer de kleinste van de hoop die de hete kolen uit het vuur mag halen: de man met de monocle!
“Aw… awel, ierwaarde,” stamelt hij, “’t zit zoë: waai zitte mè een levensgroët probleim, en meniër mokermans daar achter u, hei gezei dat waai ongz’iemers strongt baai u moesten koumen oitkappen, mor aangezeen da’ w’ oe zagen gaan… ’t is te zeggen, de lange zag oe gaan… zen waai oep ongze stappen teruggekierd, zoe doengde da’ we…”
“Wat is dat?! Uw emmers stront!?!” roept Leopold luid. “Manneke, is den Escaut niet breed genoeg om uw vuiligheid in kwijt te raken misschien? Quelle idée!” Daarop draait hij zich naar mij, bekijkt mij met ogen waar het vuur met vlammen tegelijk uitschiet, en snauwt: “Et vous? Heb gij vraiment gezegd dat die mannen hun merde bij mij moesten komen uitkappen?”
“Neem mij niet kwalijk, mijnheer den burgervader,” zeg ik verontschuldigend, “’t kan zijn dat ik mij tussen twee woorden in zoiets heb laten ontvallen, maar in dat geval was het ten hoogste spreekwoordelijk bedoeld.”
“Spreekwoordelijk?!” doet hij snuivend, terwijl hij mij een minachtende blik toewerpt, maar meteen daarop keert hij zich weer naar het vijftal. Blijkbaar vindt hij het belangrijker het gespuis van de luizenmarkt nog eens een ferme schrobbing te geven.
“Enfin,” bast hij, “gaat er nu nog iemand zeggen wat ’t probleem is waarmee gij zit, of hebt gij collectief op uw tong gebeet?”
Het miserabele quintet gooit wat schichtige blikken over en weer, maar uiteindelijk is het alweer de kleinste van de hoop die naar voren wordt geschoven. Langs de ene kant omdat zijn mond een stuk groter is dan hijzelf, maar zeker ook omdat hij er met die halve bril op zijn eentje een stuk intelligenter uitziet dan de vier andere tezamen. In ieder geval: lef heeft het opdondertje zeker. Dat demonstreert hij nogmaals met verve.
“Leustert, meniër den ierste ingezeitene van Tschoën Verdeep,” tracht hij voornaam te klinken, “’k zal u expliceiren wat ’t probleim is. Waai stellen een afvaardiging veur van ’t Singt-Andries-kwartier, en waai zèn van bescheiten miening dat ongze paroche, die waai hoëg in ‘t vaandel dragen, zwaar tekeurt weurdt gedaan door het faait dat het beld van ongze veurmaligen inboerling heer, dien helaas verweurden is tot ‘ne Groete Schraaiver, oep een ander pleuts in Tstadt zal weurre gezet dan baai ongs, op ongs aaigenste plaain! Oem te beginnen is ongs plaain véél groëter dan da van de Zjuzewieten, en… en om te aaindigen óék! Ik hèm gezei!”
Uit de luchtpijp van Leopold begint een vervaarlijk gegrol op te stijgen waar zelfs een buldog voor zou terugdeinzen, maar dan richt Hendrik, die tenslotte het lijdend voorwerp van heel de kwestie vormt, zich op en zegt bemoederend, met een stem die breekbaarder is dan kristal: “Kom, kom, kom, wees nu toch allen eens kalm. Met alle respect, mijnheer den burgervader en heren van de luizenmarkt, maar ik ben het toch niet waard om ruzie over te maken!”
“Gaai zetter iëne van ongs!” scandeert er eentje die niet heeft geleerd zijn beurt af te wachten. Hendrik draait zich naar hem toe en legt hem het zwijgen op bij middel van een wankel handgebaar.
“Luister, heren,” zegt hij vervolgens, “ik begrijp dat gij daar, in uw verstoten parochie, ook uw fierheid hebt, en dat siert u, maar laat ons eerlijk zijn: door te stellen dat ik er ene van u ben, begeeft ge u toch op glad ijs. Het klopt dat ik het levenslicht heb gezien in de Pompstraat die aan de Sint-Andriesplaats grenst, maar ik sabbelde nog op mijn duim toen ik door vader al naar alle buurten van Tstadt ben meegetroond. Wij hebben zowat overal gewoond waar huizen zijn gebouwd. Moeten al die andere buurtcomité’s dan eveneens een gezelschap afvaardigen om het beeld van mij te komen opeisen? Nee toch! Kijk, ik ben een burger van Tstadt en in welke parochie mijn standbeeld komt te staan, interesseert mij niet.”
“Da kan goe zaain,” werpt de monocle op, die blijkbaar zijn ‘gewijde geschiedenis” op voorhand goed vanbuiten heeft geleerd, “maar met ’t Zjuzewietenplaain hedde helemáál niks te maken, want vor zoevaar da’k weit, hedde dor noeit gewoënd!”
“Dat klopt,” antwoordt Hendrik, “maar het feit wil dat ze dat plein nu toch al naar mij hebben vernoemd, en dat er daar een reusachtige bibliotheek zal worden gevestigd die mijn boeken alle eer zal aandoen, dus...”
“Satisfaits?” bijt de burgervader het onooglijke mannetje van terzijde toe. Ik zie zijn slagtanden blinken. De monocle heeft er niet van terug.
“Alors,” vervolgt Leopold, “en maak nu dat ge weg zijt, of ik laat mijn ‘onden los!”
“Jommer, dan hemmen waai wèr niks!” roept er nog eentje beteuterd.
“Meugen waai nà noeit is eet hemmen?” vervolgt een andere op klagerige toon.
“Ksssht!” doet Leopold alsof hij een jankende kater wegjaagt, maar Hendrik, die toch wel enig medeleven voelt met het luizenquintet, komt nogmaals tussenbeide.
“Wacht eens een secondje,” zegt hij, waarna hij zich naar Leopold richt. “Mijnheer den burgervader, ik wil niet onbescheiden lijken, maar… misschien – dacht ik zo - kunt ge aan het huis waar ik geboren ben een gedenkplaat hangen, op die manier hebben zij ook iets dat aan mij herinnert. Zou dat niks zijn?”
De ogen van Leopold priemen als gloeiende bajonetten, maar desalniettemin blijkt hij het voorstel toch enigszins genegen te zijn, want zijn houding verandert al gauw.
“Hewel ja,” zegt hij, “da’s geen slecht gedach.” Daarop draait hij zich naar het vijftal. “Écoutez, ik zal doen ne geste. Ik zal laten maak ne plakkaat met de naam van dingeske hier op…” Hij wijst met zijn kinnebakkes op Hendrik. “En ik zal die plakkaat aan de gevel van ’t huis laten ‘angen waar dattem geboren is, boven de deur. Dan hebt ge ook iets om mee te stoefen. D’accord?”
Aan ’t binnensmonds gemompel te oordelen gaan de vijf luizenaars niet voor de volle honderd procent akkoord met het voorgestelde compromis, maar wat brengt ge als arme sukkelaar in tegen het gezag van een burgervader waarvan ge aan ’t zweet, dat uit zijn poriën stroomt, kunt ruiken dat hij vastberaden is en niet tot compromissen bereid?
“Allez… en scheert u nu weg. Salut en de kost,” zegt Leopold, waarna hij de deur, nog voor alle tenen goed en wel zijn ingetrokken, in hun gezicht dichtsmijt. ’t Zou mij niet verwonderen moest de kleine zijn monocle in duizend stukjes zijn.
“Bon,” zegt de eerste burger vervolgens, zich omdraaiend naar Hendrik, “en nu is ’t aan ons. Hoe lang denkt gij nu nog te zullen leef? Kunnen wij geen datum vastleggen? ’t Zou gemakkelijk zijn…”
Ik kleur rood tot in mijn nek van plaatsvervangende schaamte, maar Hendrik slaagt er wonderwel in zijn kalmte te bewaren.
“Ik zou het niet kunnen zeggen,” zucht hij, terwijl hij zich met krakende gewrichten en bleek weggetrokken gelaat weer op zijn stoel laat zakken.
“Dommage. Enfin, une éternité zal het toch ni meer duren, zo te zien,” zegt Leopold. Hij gaat naar de deur toe, maar draait zich halverwege naar mij.
“Et vous…” zegt hij, “smeert u maar in, want de opdrach voor ne monument voor op zijn graf is ook aan u toegewees! Ge zult nog mogen travakken, want ik wil ni da zijn graf er als een platgestampte molshoop zal bijliggen. Da is geen zicht! Alors, à bientôt!”
Hij stapt met fiere burgemeesterschreden naar de deur toe, maar wanneer hij daar is aangekomen draait hij zich plotseling pirouettegewijs om en staat aarzelend te dralen. Ik heb sterk de indruk dat hij nóg iets wil vragen, maar niet goed durft. Vreemd voor een man die altijd en overal meent dat hij het voor ’t zeggen heeft. Uiteindelijk komt hij terug op mij toe gestapt, kijkt over mijn schouder om te zien of Hendrik meeluistert, en vraagt fluisterend: “Zeg eneuh… nu we ’r toch over klappen… zoudt gij ook ni ineens ne statue van mij kunnen maak?”
“Van u?” schrik ik.
“Pourquoi pas? Geef toe: ik ben toch een schone mens! Ik mag toch ‘worren’ gezien. Et par dessus le marché… daar ik van plan ben te verwezenlijk grootse dingen, zal het toch wel zijn dat ze gaan plaats ne statue van mij na mijn dood! Vindt gij het dan geen zond’ om daarmee te wacht tot ‘t zover is. Nú kan ik nog poseer gemakkelijk. Mij zult ge ni nen ‘ele dag op een stoel moeten zet. Ik kan fier overein staan. Qu’en pensez-vous?”
“’k Weet ni…” zeg ik weifelend. Deze lichte aarzeling blijkt al genoeg te zijn om hem een kop te laten trekken waar ge donderwolken uit kweekt, en in zijn zakken zie ik zijn vuisten ballen.
“Hoe gij weet niet?!?” doet hij verbijsterd.
“Ik vrees dat ge u voor het nemen van zulke beslissingen tot andere instanties zult moeten wenden,” opper ik voorzichtig.
“Andere instanties?! Mais… je SUIS andere instanties, monsieur!” roept hij luid. “L’état, c’est moi!” Zijn woorden donderen door mijn krocht. Het is als een oergeweld dat losbarst. ’t Kan mijn verbeelding zijn, maar ‘t is alsof ik het plafond boven mij hoor scheuren.
Met een hoofd, zo rood als een zongerijpte tomaat die op ontploffen staat, draait Leopold zich om en stevent voor de derde keer op de deur af. Zonder nog een woord te zeggen, noch tegen mij, noch tegen Hendrik, plooit hij zich voorover, duikt het voorgeborchte van mijn krocht in en maakt zich uit de voeten. Al wat achterblijft is een wolk ziedend stoom.

zondag 11 december 2011

Kroniekjaar 1878

Het schepencollege van de stad Antwerpen heeft unaniem beslist om het voormalige Jezuïetenplein om te dopen tot Conscienceplein. En niet alleen dat. Tevens is beslist om centraal voor de kersverse bibliotheek, een bronzen beeltenis van de grote schrijver op te richten.
Vegyllius Couckneus, alias beeldhouwer Frans Joris voorheen Gust Wappers, krijgt tot zijn grote vreugde de opdracht toegewezen. Hij ziet hierin een gelegenheid om zijn dierbare vriend alle eer aan te doen, en tevens een oude wens van de schrijver in vervulling te laten gaan…  

Bij middel van een forse stoot slaag ik erin de deur, die achter een scheefgezakte vloertegel was blijven haperen, dicht te duwen. Meteen is het alsof alle klokken van Rome tegelijk met donderend geraas uit de hemel stuiken: de bel draait een aantal keren woest rinkelend om haar as, terwijl het loszittende glas in de deur rammelt alsof hemel en aarde dreigen te vergaan. Het is een gerinkel en een gekletter van jewelste dat moeiteloos aan het tergend gedruis van de Beeldenstorm refereert. Als ze in deze oude antiekzaak op de Kleine Markt nu nog niet weten dat ik binnen ben, zullen ze het nooit weten!
Met mijn handen verbeidend op mijn rug gevouwen, ga ik staan wachten tot iemand zich aandient om mij te gerieven. Echter… de stilte die intreedt nadat het gerammel is uitgeklonken, is zo allesoverheersend en duurt zo tergend lang dat ik mij al gauw begin af te vragen of het menselijk leven in dit aftands gebouw misschien al een paar eeuwen geleden is uitgestorven. Ik hoor de muizen om mij heen trippelen en gretig hun tanden in het verweerde hout zetten. Met toenemend ongeduld wacht ik op de komst van de verkoper en laat alvast mijn blik onderzoekend rondgaan. Het noemt zichzelf hier, bij middel van een opschrift aan de gevel, een antiekzaak, maar mij komt het eerder voor als een ordinaire brocanterie. De meeste spullen die ik aantref, zijn wel degelijk oud van jaren, maar hebben allerminst enige waarde. Of ze zijn half verteerd door een kolonie memel, of er ontbreken substantiële delen aan, of er is wel iets anders mis mee. Een chaise longue waarvan de stof zo doorgesleten is dat de springveren er op diverse plaatsen uit priemen, kan mijns inziens bezwaarlijk als een decoratief stuk worden beschouwd. Net zo min overigens als een kast in de stijl van Lodewijk de zoveelste waarvan alle deuren en lades ontbreken. En een stoel die door een leger houtwormen tot stof is herleid, en nog slechts door het beschermende vernis in zijn oorspronkelijke vorm wordt gehouden, krijgt men niet eens ongeschonden tot thuis gesleurd, laat staan dat men erop zou plaats nemen. En laat nu juist dát de enige eis zijn die ik aan desbetreffend meubelstuk stel. Ik ben namelijk op zoek naar een stoel die het lusteloze lijf van Hendrik zou kunnen torsen terwijl ik zijn evenbeeld uit steen houw. Wetende dat het voor zijn armetierige knoken een marteling zou zijn om hem hele dagen rechtop te laten staan, heb ik een pose bedacht om hem al zittende tot levend model te laten fungeren. Ik zal hem de stoel cadeau doen. Hij verzocht er mij al járen om, en zo sla ik twee vliegen in één klap. Edoch… tenzij ik er als een dief in de nacht vandoor wil gaan met een ‘geleende’ stoel onder de arm, dien ik al mijn hoop te stellen op de intrede van een verkoper die verdacht lang op zich laat wachten. Evenwel juist op ’t moment dat ik de overweging begin te maken mijn heil elders te zoeken, hoor ik vanuit het achterhuis een zacht geschuifel naderen, en komt mij ongenadig een indringende alcoholwalm tegemoet gewaaid. Ik kijk in de richting van het geluid en ontwaar een amorfe schim die, wanneer ze in het daglicht treedt, transformeert tot iets wat op een mens moet lijken. Een doorzopen manneke, lelijk als de nacht en niet hoger dan mijn duim, maar tien keer zo breed, komt mij tegemoet gewaggeld, terwijl hij zich aan alle zich aandienende obstakels overeind tracht te houden. Zijn adem is diep en ruisend als het gehijg van een blaasbalg die een smidsvuur aanwakkert; zijn onderste oogleden hangen als uitgezakte kwabben over zijn rooddooraderde wangen, en zijn paarse, gezwollen neus vertoont zo’n gigantische poriën dat ik vermoed dat hij nog zou kunnen ademen wanneer men hem mond en neusgaten zou dichtnaaien. Scheef als een krab komt hij op mij toe gestapt, terwijl hij met één oog op mij probeert te mikken. Wanneer hij pal voor mij heeft postgevat, trekt hij zijn tandenloze mond open en vraagt: “Voor wat if’t?” De walm, die uit zijn scheur opstijgt, is met geen woorden te beschrijven. De stank van een sterfput, na de doortocht van een fikse stortbui, komt nog het dichtst in de buurt.
Hoewel de opmerkingsgave van het mannetje ongetwijfeld zo goed als nihil is, probeer ik mijn neus zo onopvallend mogelijk te bedekken met de rug van mijn hand terwijl ik hem van antwoord dien.
“’t Is voor een stoel,” zeg ik simpelweg. Daarop peilt hij met zijn lodderoog in de diepte van mijn blik.
“Een ftoel?” bromt hij alsof ik hem, bakker zijnde, om een stuk leverworst heb verzocht. “Wat foor een ftoel moet dat fijn? Er fijn fofeel ftoelen!”
“Ene om op te zitten?” probeer ik vaag te blijven in mijn omschrijving. Langs de ene kant maakt het mij niet uit welke stoel het is, zolang hij maar niet uiteenvalt, en langs de andere kant wil ik zijn ongetwijfeld sterk aangetast begripsvermogen niet al te zeer op proef stellen door met ingewikkelde begrippen te goochelen. Maar kijk: tot mijn grote vreugde blijkt de door mij verstrekte informatie voor de man ruimschoots te volstaan. Hij begint alleszins meteen na mijn aanwijzing met schattende blik zijn opslagruimte rond te turen.
“’k Denk da’k iet hep foor u!” lalt hij. Ik zie hem zijn ogen kluisteren aan een zitmeubel dat ooit nog als kakstoel voor Lodewijk de veertiende zou kunnen hebben gediend: een flatteus geval waarvan de poten fraai gedraaid zijn en de bruinlederen stof op zitting en rugleuning weliswaar sterk gecraqueleerd maar niet geheel versleten is, en door koperen klinknagels met bolle kop op z’n plaats wordt gehouden. Hoewel oud van jaren is het een mooi object en perfect om te dienen als eeuwige rustplaats voor een bronzen evenbeeld van mijn dierbare vriend. Het is wellicht het enige stuk in de collectie van het dronken mannetje dat de aanduiding ‘antiek’ durft te claimen. Als het nu nog enige stevigheid bezit, denk ik van geluk te mogen spreken.
“Wa peinft ge van dat daar?” kolkt het op uit des dronken mans luchtpijp. Hij tracht een wiegende vinger op de stoel te richten.
“Hm…” doe ik ten teken dat ik zijn voorstel in overweging neem. Daarop begint hij zich bij middel van een vervaarlijke slalom een weg te verschaffen naar het bewuste zitmeubel. Maar amper is hij halfweg of ik zie hem tot mijn ontsteltenis over een scheefliggende tegel struikelen en slagzij maken. Alsof hij wil bewijzen toch nog over een reactievermogen te beschikken, klampt hij zich, midden in zijn vertraagde val, vast aan een hoge piëdestal waarop een decimeters hoog Christusbeeld staat te pronken, waaraan weliswaar één uitgestoken hand ontbreekt, maar dat voor de rest nog ongeschonden oogt. Samen met de piëdestal en het bewuste beeld zie ik hem verder kapseizen. Een ogenblik later spat de gipsen Christus in stukken uit elkaar en komt het zieltogende hoofd van de Heer mijn richting uitgerold.
“Daar fijn we fanaf,” luidt het enige commentaar van de onfortuinlijke dronkaard, terwijl hij als een geveld everzwijn over de vloer ligt te rollen. Hij onderneemt een paar verwoede pogingen om recht te staan; een opzet waarin hij niet slaagt aangezien het zwaartepunt van een met een vloeibare stof gevulde bal zich telkens weer verplaatst.
“Wacht!” zeg ik. Ik zie geen andere mogelijkheid dan hem een handje toe te steken. Ik stap met enige eerbied over het gipsen hoofd van de Here Jezus dat mij hulpeloos ligt aan te staren, en loop op het dronken opdondertje toe. Ik plooi mij voorover, neem hem bij de arm en wend al mijn krachten aan om hem overeind te hijsen, maar ook ik faal in mijn opzet. Uiteindelijk ziet hij geen andere mogelijkheid dan op handen en knieën naar de door mij begeerde stoel toe te kruipen, zich op de zitting schroefgewijs overeind te duwen, en plaats te nemen op het desbetreffende meubel. Dit weldoordachte manoeuvre laat mij meteen toe te constateren dat de stoel in staat is het gewicht van een voluptueuze man moeiteloos te torsen.
“Wa finder van?” vraagt hij, terwijl hij zijn handen met ineengestrengelde vingers in zijn schoot legt, alsof hij van plan is zo meteen in een knikkebollende dut te verzinken. Vooraleer te antwoorden, onderwerp ik het dragende gedeelte van de stoel nog even aan een grondige inspectie.
“Wildem eenf brobeere?” vraagt het mannetje in de hoop mij zo over de streep te trekken. Hij krabbelt met enige moeite overeind en biedt mij de vrijgekomen plaats aan. Ik plant mijn achterwerk op de zitting en wiebel een paar keer over en weer om de zwaluwstaartverbindingen aan een test te onderwerpen. ’t Kraakt en piept dat het een lieve lust is, maar het meubel geeft niet de indruk onmiddellijk uiteen te zullen vallen. Goedgekeurd.
“Hoeveel vraagt ge hiervoor?” kijk ik naar hem op.
Na het slaken van een schaamteloze boer, die de hele liquide inhoud van zijn maag hoorbaar door elkaar klutst, pompt het mannetje zijn borstkas vol lucht en zegt, niet gespeend van enige trots om het feit dat hij tot zijn eigen verbazing in het bezit blijkt te zijn van een meubel waaraan enige waarde wordt gehecht: “Tien prang.”
“Tien frank?” meen ik te hebben verstaan. Het lijkt mij, ondanks de licht bouwvallige staat van het meubel, geen overdreven hoog bedrag, maar zeg ik het nu wat te streng of hoort hij stemmen die ik niet hoor? In ieder geval schijnt het ventje van oordeel te zijn dat ik mij opmaak om af te dingen van de prijs en hij besluit de eer aan zichzelf te houden.
“’t If goe!” zegt hij met een gezicht waarover een poging tot misnoegdheid hangt. “Fijf dan, omda ge ni afhoudt!”
Kijk, ik zou hem de tien frank probleemloos hebben gegeven – zoveel heb ik voor mijn vriend nog wel over - maar als hij dan toch zelf de waarde van het meubelstuk lager gaat schatten, dan ga ik hem niet tegenhouden. Dat ziet ge van hier!
Om hem niet de kans te bieden zich te bedenken, pruts ik gauw een groot vijffrankstuk, waarop de beeltenis van onze baardige koning prijkt, los uit de voering van mijn broekzak en probeer het in zijn komvormige handpalm te leggen. Geen sinecure, aangezien zijn hand over en weer blijft deinen. Het is alsof ik op onstuimige zee een ei in de pan moet slaan. Wanneer hij uiteindelijk het muntstuk heeft weten vast te grijpen, wurmt hij het meteen in zijn mond, plant er zijn gehard tandvlees op, en wrikt het uitstekende gedeelte naar omlaag. Hij knikt tevreden wanneer het een echt exemplaar blijkt te zijn.
“Moet ik ‘em mimpakke?” vraagt hij, op de stoel doelend.
“’t Zal zo wel gaan,” zeg ik.
Ik sta op, schuif mijn arm onder de leuning door en til het meubel op. Aan het gewicht te oordelen heeft de houtworm nog geen kans gezien zich in deze stoel te nestelen. Als ik mij maar geen breuk hef!
Nadat ik de weerbarstige deur met het nodige gerammel achter mij heb dichtgetrokken, verlaat ik de Kleine Markt en zet via de Kammenstraat en de Oude Koornmarkt koers naar de Grote Markt. Tegen de tijd dat ik daar aankom, hangt mijn tong op mijn schoenen en maken al mijn spieren (ook die van mijn hart) aanstalten om te bezwijken. Hoewel ik mij daar midden in het gewoel bevind, besluit ik mijzelf een ogenblik rust te gunnen. Ik zet mijn stoel neer op de kasseien, zwier de slippen van mijn mantel met een routineus gebaar hoog op en laat mij met een diepe zucht neervallen op de zitting. “Hèhè!” laat ik mij ontvallen. Ik druk mijn rug diep in de leuning en kruis mijn armen en benen. Zo gezeten bekijk ik het volk dat mij bekijkt en vraag mij af of zij nog nooit iemand op een stoel hebben zien zitten. Waarschijnlijk wel, maar wellicht niet in het midden van de Grote Markt; ik kan het mij niet aantrekken. Zo weten ze straks, als ze thuis zijn, weer eens waarmee ze de stilte moeten verdrijven wanneer ze zich als smakkende zwijnen aan de keukentafel voorovergebogen tegoed zitten te doen aan gaar gestoofde dierlijke resten.
In een poging mij heel even af te zonderen van het gewoel, sluit ik de ogen en laat de drukte langs mij heen waaien, maar al gauw word ik opgeschrikt door een overslaande jongensstem die hopeloos een evenwicht zoekt tussen een kindersopraan en een basbariton.
“Wat is ’t, mijnheer de krotschrijver: zitstaking?” schalt het mij luid in het oor.
Ik open verschrikt de ogen en ontwaar een mannenhoofd in wording: een kop met nog kinderlijke trekken, waarop hier en daar al enkele dun gezaaide plukken haar te ontdekken vallen, en die door ongelijke groei van gelaatsbeenderen aan lichte misvorming onderhevig is. Het is een kop die ik maar al te goed ken. Hij behoort toe aan het crapuul van de wijk, een jongen uit de Krabbenstraat die er voor bekend staat de mensen die hem voor de voeten lopen te tarten en te kwellen met plaagstoten en uitdagend gesar. Men heeft trouwens een bijnaam voor hem bedacht. ‘Jan zonder vrees’ wordt hij genoemd, omdat hij voor niets of niemand ontzag toont. Ik besluit mij niet te laten doen.
“Dingeske, moeit u thuis eens,” zeg ik op gebiedende toon, maar de kwajongen schijnt niet van plan te zijn af te zien van zijn voornemen mij eens flink te kwellen.
“Wat is ’t, bietekwiet?” schalt hij uitdagend luid. “Zijt ge op de sukkel met uw geheugen? ’t Is Constant! Jan zonder vrees voor de vrienden!”
Ik zucht eens diep en verbijt mijn ergernis. Ik besluit het slim te spelen en te zwijgen. Het is altijd beter om niet op zulke uitdagingen in te gaan. Maar helaas, die jongen is als een wolfsklem: eens hij zijn tanden in week vlees heeft gezet, laat hij niet meer los, dat is algemeen geweten.
“Is dat eigenlijk waar wat ze zeggen,” vraagt hij op irritante toon, “dat gij uw kronieken door een ander laat schrijven, terwijl ge zelf met het geld gaat lopen? Gij moet goeie bazen hebben dat die u willen blijven betalen voor werk dat ge niet verricht! En waarom schrijft gij eigenlijk zelf niet? Omdat ge ’t niet kunt, wedden? ’t Zal daarom wel zijn dat ge op stenen gaat zitten kloppen, om uw frustratie kwijt te geraken?”
“Jongen, laat grote mensen eens gerust,” probeer ik mij te verweren. ‘Gaat naar uw moeder, die heeft viskens gebakken.”
“Ons moe kán geen viskens bakken, want die ligt al lang op ’t kerkhof,” antwoordt hij frank. “En ons grootmoe die verkóópt vis, maar alleen verse, gene gebakken!” voegt hij er met een uitdagend lachje aan toe.
“Gaat dan naar uw grootmoeder, hé jongen, en laat mij gerust!” bijt ik hem toe. “Of wilt ge dat ik u stroop gelijk een paling!”
“Och, hoort hem bezig!” roept hij brutaal. “Gefrustreerde zot! Zal ik u eens iets zeggen? Gij zijt misschien een krotschrijver eerste klas, maar IK ga later een echte schrijver worden?”
“Gij?! Daar zal veel volk komen naar kijken,” doe ik spottend.
“Ge moet daar niet mee lachen! Ik weet de titel van mijn eerste boek al: Jan zonder vrees!”
“A la bonheur! Een autobiografie!” roep ik uit. “Goed bedacht, manneke, maar ’t is niet omdat ge goed zijt in het tarten van mensen en het bedenken van voor de hand liggende titels dat ge ook kunt schrijven.”
“O, maar dat kan ik! De meester in ’t school heeft het mij zelf gezegd. Hij zegt dat áls ik ooit een boek schrijf, ze er de volgende eeuwen nog over zullen klappen!”
“Laat mij niet lachen,” doe ik schamper. “Een ventje van niks gelijk gij! Toom u maar wat in, jongen. Bescheidenheid siert de mens. En trouwens: een rechtgeaard zakenman verkoopt zijn waren pas wanneer hij er over beschikt en niet eerder.”
“Ja, zoals een rechtgeaard ambachtsman zich alleen maar laat betalen voor werk dat hij zélf heeft verricht en niet voor wat hij door een ander laat doen!” sneert hij.
Ik veer overeind en hef mijn hand om hem een ferme veeg om de oren te geven, maar in een flits is hij weg. Zijn benen blijken zowaar nog rapper te zijn dan zijn tong. Hij loopt zo snel dat zijn hielen haast inhakken op zijn achterhoofd.
Wanneer de kwelduivel achter ’t stadhuis verdwenen is, slaak ik een diepe zucht die mij van mijn ergernis moet bevrijden, en hef de stoel op die ineens de indruk geeft een kilo of tien lichter te wegen. Wat coleire al niet vermag te doen met de krachten van een mens. In één vloeiende beweging plant ik de stoel ondersteboven op mijn kop en hou de leuning als een lederen borstschild voor mij uit. Turend door de uitsparing tussen leuning en zitting, voel ik mij net een geharnaste ridder die met opengeklapt vizier de vijand tegemoet treedt. Echter, die vijand is met geen ogen meer te bespeuren, en heeft vermoedelijk reeds de veilige muren van het grootouderlijk huis in de Krabbenstraat opgezocht, de lafaard.
Ik zwenk, badend in revancherende gedachten, het portaal van mijn krocht in, en verlies totaal uit het oog dat ik een gevaarte op mijn hoofd draag! Op ’t moment dat ik het laag deurtje onder ’t Spekhuis wil binnengaan, stomp ik de poten van het meubel er bijna af. Het voegsel valt als stofsneeuw van tussen de stenen.
“Amice,” roep ik overlopend van enthousiasme, “nu moet ge eens zien wat ik bij heb!” Ik plof mijn aanwinst neer in het midden van de krocht en blink van trots. Hendrik, die als vanouds krom als een nagel over zijn pupiter gebogen zit, kijkt verbaasd op en gooit een schattende blik op het meubel.
“Wat is dat?” gromt hij.
“Een schaap met vijf poten!” zeg ik terwijl ik mijn ogen wegdraai. Ik vraag mij af of het zijn maagkwaal is die maakt dat hij heden ten dage ook ná de middag wel eens last durft te hebben van een ochtendhumeur. “Dat is een stoel, Hendrik, ziet ge dat niet?”
“Ja, dat zie ik zeker,” zegt hij. “Maar waarvoor moet dat dienen?”
“Om op te zitten, natuurlijk!” Het is soms niet te geloven tot welke kinderlijke conversaties grote mensen in staat zijn, wat doorgaans weinig te maken heeft met domheid, maar eerder met doorgedreven koppigheid of onwil.
“En wie moet daar op zitten?” vraagt hij.
“Gij, amice! Het is de stoel waar ge jaren geleden al om gebedeld hebt. Weet ge dat niet meer? Ge wilde wat comfortabeler zitten bij ’t schrijven. Voilà, hier is hij! Kom, hef uw luie kont van die kruk en probeer hem eens.”
Alsof het tegen zijn goesting is, krabbelt hij recht, met zijn veer nog in de hand, en laat zich met een diepe zucht op het aangeschafte stuk meubilair vallen.
“En?” vraag ik. “Wat vindt ge ervan?”
“Hm… gene krot,” doet hij met bewonderend vooruitgestoken onderlip. “Maar ter ere van welke heilige komt ge daar nu ineens mee aandragen? Had ik iets tegoed van u? Of hebt gij misschien iets goed te maken?”
“Maar nee. Ik was al lang op zoek naar een goede stoel,” lieg ik, “maar ge moet daar juist oplopen. Ik wou u geen ordinair spul cadeau doen. ’t Moest iets voorstellen, verstaat ge? En? Zijt ge content?”
Hij drukt zijn kromme rug tegen de leuning, legt zijn linkerelleboog er bovenop en wiebelt een paar keer over en weer met zijn derrière, om te testen of de zitting hem bevalt. Met de veer in zijn hand, verschaft hij zichzelf op die manier een prachtige pose.
“Wacht nu eens twee seconden!” roep ik uit. “Blijf zo eens zitten!” Ik bekijk hem met een hoofd dat om beurten in alle richtingen schuin valt.
“Wat is dat met u?” vraagt hij. “Hebt gij plotseling last van verlamde nekspieren?”
“Goede vriend,” zeg ik, “ge hebt er weet van dat het stedelijk bestuur mij opgedragen heeft een beeld van u te houwen?”
“Ja,” zegt hij, “en ge weet dat het mij mateloos verblijdt dat mij die eer bij leven wordt gegund, maar waar wilt ge naartoe?”
“Wel,” zeg ik, “wat zoudt gij ervan vinden indien ik u in deze houding zou vereeuwigen, met stoel en al?”
“Zo? Gezeten?”
“Welja, waarom niet? Is een schrijver niet altijd gezeten wanneer hij zich kwijt van zijn moeilijke taak pennenvruchten af te werpen?  Ja toch! Denkt ge niet dat het u, als man die ervan verdacht wordt zijn volk te hebben leren lezen,  alle eer zou aandoen om op deze manier vereeuwigd te worden? Trouwens, zou ik het van uw afgeleefde leden durven vergen heelder dagen rechtop te staan om te poseren? Ik denk dat uw stramme botten beter af zijn gezeten.”
“Ja, dat misschien wel,” zegt hij, “maar gaat mijn beeltenis op die manier wel voldoende grandeur en dramatiek uitstralen?”
“Maar jongen, twijfelt gij daaraan?” roep ik uit. “Amice, doe mij eens een plezier en bekijk uw doorgroefd gelaat eens in de spiegel. Er is geen mens op aarde die een meer schilderachtige kop heeft dan gij, zeker nu ge zo oud zijt en ge een getormenteerde blik in uw ogen draagt die zijn gelijke niet kent. Welk hoofd zou er nog schoner het aardse lijden van de mens kunnen verbeelden dan het uwe? Gegarandeerd geen enkel! En het feit dat ge zult neerzitten zal de indruk van diepgewortelde dramatiek nog versterken.”
Zijn doffe ogen lichten zowaar op bij het aanhoren van zoveel lof. “Denkt ge?” vraagt hij. “Allez, goed dan. Gij zijt tenslotte de meester. Wie ben ik om uw geoefend oog tegen te spreken.”
“Welaan dan. Draai u misschien nog een tikkeltje meer naar links… zo ja. En houd die elleboog stevig op de leuning… en verbeeld met die hand misschien een expressief gebaar, alsof ge iets wilt duidelijk maken… En houd met uw andere hand uw veer in de aanslag alsof ge op het punt staat te gaan schrijven. Ja, zo. Perfect. Onthoud deze pose, Hendrik. Zo en niet anders wil ik u vereeuwigd zien.”
Terwijl hij zich diep peinzend de pose tracht eigen te maken, tekent zich op zijn pantalon, ter hoogte van zijn dijbeen, langzaam een uitdijende inktvlek af…

maandag 5 december 2011

Kroniekjaar 1874: deel 2

Er heeft kortstondig een vuur gewoed in de krocht onder het Vleeshuis. Hendrik Conscience, thuisgekomen van een vergadering, heeft zijn weldoener en vriend Gustaaf Wappers meer dood dan levend aangetroffen te midden van een hoop verbrande paperassen. Gust, wiens gezondheid al erg wankel was, is bevangen door de rook en staat op het punt het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen. Hendrik, die blijk geeft nog steeds geen geloof te hechten aan het reïncarnatieverhaal van zijn vriend, verzinkt in een diepe droefenis…

Lustig fluitend als een vrolijke Frans daal ik de trappen van de Repenstraat af en duik dartel als een hertenjong de doorgang onder ’t Spekhuis in. Bij de openstaande deur, een breed uitgevallen geval, waar zelfs de dikste wijven met hun wiegende bommerskonten vrijelijk doorheen kunnen waden, hou ik halt. Ik hef mijn hand om een vrolijk ritme op het eikenhout te roffelen, maar juist voor mijn kneukels de deur raken, zie ik binnen een spaarzaam flakkerend vlammetje doven. Wat blijft is een duistere ruimte die gehuld is in een sombere stilte. Flarden rook zoeken zich een weg naar buiten en laten zich door een krikkele wind als vluchtige spoken de hoek omjagen. Wiegend van het éne steunbeen op het andere, wacht ik tot de kaars weer ontstoken wordt, maar dan dringt er plotseling een gesmoord gesnotter tot mij door. Nog steeds hou ik mijn ongedurige hand in bedwang en wacht. En dan hoor ik een lucifer aangestreken worden, en ben ik er getuige van hoe Hendrik de kaars ontsteekt en met een plechtig gebaar het witte laken over het hoofd van mijn vorige hoedanigheid trekt. Het doet mij wel iets, moet ik toegeven, hem zo te zien treuren om mij. Het is gewone stervelingen niet gegeven te zien welke dansen er op hun graf worden uitgevoerd! Ik sta mijzelf toe even te genieten van dit privilege…
Pas nadat Hendrik zich van alle plichtplegingen heeft gekweten en zich met neerhangend hoofd heeft opgericht, klop ik aan… zachtjes, om niet ’t gevaar te lopen dat hij zich een ongeluk verschiet. In de schemer van de kaars zie ik hem verbaasd opkijken. Het dansende vlammetje legt een spookachtig schijnsel op zijn droeve gelaat terwijl hij op mij komt toegelopen.
“Het spijt mij,” zegt hij, mij met doffe ogen aankijkend, “maar ge komt wat ongelegen. Ik heb zopas mijn beste vriend verloren. Kunt ge morgen of volgende week niet eens terugkomen?”
“Maar Hendrik toch!” roep ik goedlachs uit. “Hoe kan IK nu ongelegen komen?!”
“Tiens,” doet hij, terwijl hij zich in de ruige baard krabt en mij pierend aankijkt, “hoor ik u te kennen?”
“Maar wat is dat nu met u?” vraag ik. “Houdt gij u zelve nu van den domme of mij voor de zot?”
“Geen van beide,” zegt hij bloedernstig. “Ik meen u – met de beste wil van de wereld - nooit eerder gezien te hebben.”
“Niet in deze hoedanigheid,” zeg ik, “dat klopt. Hendrik, jongen, ik ben het: uw goede vriend Gust!”
Gedurende een minuut of twee staat hij mij vervolgens aan te gapen alsof hij oog in oog staat met een bovennatuurlijke verschijning. Ik weet niet waar de tocht, die ik om mijn oren voel waaien, het meest vandaan komt, uit de bochtige Burchtgracht of uit zijn wijd opengesperde mond.
“Komt gij hier een beetje met mijn verdriet zitten spotten of wat?” vraagt hij. Zijn stem trilt van ingehouden woede.
“Maar nee, amice! Ik heb u toch gezegd dat ik terug voor u zou staan alvorens ge goed en wel zou beseffen dat ik er niet meer zou zijn. Waart gij nu nog altijd in ’t gedacht dat ik u destijds een blaas in de nek had geslagen? Hoe kunt gij nu toch zo’n ‘ongelofelijke’ Thomas zijn! Allez, ga met uw lomp lijf uit de weg staan, zodat ik binnen kan treden. Het trekt hier!”
Nog terwijl hij stapvoets achteruit deinst, als een prooi voor zijn predator, wring ik mij naast hem binnen. Onophoudelijk houdt hij zijn ogen op mij gericht. Hij lijkt het zaakje niet te vertrouwen.
“Wat is ’t nu? Waarom kijkt ge nu zo?” vraag ik. “Ge doet precies of ge een spook ziet.”
“’t Scheelt niet veel,” zegt hij. “Ge kunt u niet voorstellen hoe raar dat is. Uw intonatie en manier van spreken is dezelfde, maar het is alsof de mij vertrouwde prietpraat uit de mond van een wildvreemde komt, uit de bedrieglijke scheur van een charlatan, een acteur die zijn rol goed vanbuiten heeft geleerd, maar niet de moeite heeft genomen om zich naar ’t voorbeeld van ’t origineel te maquilleren! Verstaat ge?”
“Och jongen, ge zult zien hoe rap dat went,” zeg ik. “Over een paar weken zult ge al diep in uw memorie moeten graven om u de beeltenis van Gust nog levendig voor de geest te kunnen halen. Vergeet niet dat het menselijk geheugen als een boek kaarten is die voortdurend dooreen wordt geschud. Hetgeen vandaag zichtbaar vooraan zit, steekt morgen ergens weggemoffeld achteraan. Sluit voorlopig uw ogen als ge ’t tegen mij hebt, dan gaat ge ‘t verschil nauwelijks merken. En ter titel van inlichting: de naam waarmee ik nu door het leven ga, is Frans. Ook daar zult ge moeten aan wennen. En van ogen sluiten gesproken; zoudt ge ’t heel erg vinden indien ik een uurke op mijn brits ging liggen? Ik heb namelijk een fameus eind moeten wandelen om tot hier te geraken. Ik ben pompaf. ”
“Euh… doe wat ge niet laten kunt,” antwoordt hij terwijl de verwarring nog in zijn ogen staat te lezen, “maar ik vrees dat er éne in uwe weg zal liggen die nog koud aan ’t worden is.”
“Dat weet ik,” zeg ik, naar mijn dood omhulsel omkijkend, “maar ik had gedacht dat we die misschien zolang onder de brits konden leggen. We hebben hem toch niet meer vandoen.”
“Op de grond?! Is dat niet wat oneerbiedig?” vraagt hij verschrikt.
“Waarom? ’t Is toch maar een leeg omkleedsel; de verdroogde pop waaruit een nieuw imago is ontstaan.”
“Héla, het is wel mijn beste vriend waar ge het over hebt, hé!” vaart hij uit.
“Jongen, uw beste vriend staat HIER!!!” timmer ik mij ongeduldig met de vingertoppen op de borst. “Hoe moet ik dat nu aan uw verstand brengen?! Hetgeen daar ligt heeft niks meer te betekenen. Dat heeft gediend om mij bijeen te houden, maar heeft nu geen enkel nut meer! Dat is… verlopen materie!”
Hij staat mij wat beteuterd aan te kijken en weet niet wat zeggen of doen.  
“Allez, pakt mij eens goed vast bij mijn knoesels!” zeg ik. Hij kijkt mij met grote ogen aan. “Mijn vorig ik!” verduidelijk ik. Ik schuif ter illustratie mijn armen onder de oksels van wat rest van Gust. Met enige terughoudendheid slaat hij zijn handen om de enkels van het lijk en heft het de benen op. Samen laten we het stoffelijke overschot van de brits glijden en duwen het onder de bank. Nadat ik de dode huidschilfers van het oude corpus met mijn hand van het laken heb geveegd, vlei ik mij neer en prop mijn armen voldaan onder mijn achterhoofd. Op mijn gezicht staat een gelukzalige glimlach gebeiteld.
Hendrik zet zich neer op de rand van zijn eigen brits. Wanneer ik hem van terzijde aankijk, zie ik dat hij in diepe gedachten verkeert.
“Aan wat zit ge uw denkenergie nu nog te verspillen?” vraag ik.
“Toch straf, zo’n reïncarnatie,” zegt hij. “Ik had eerlijk gezegd nooit gedacht dat het waar zou kunnen zijn.”
“Ge ziet: de wonderen zijn de wereld nog niet uit,” geeuw ik.
“Blijkbaar niet,” zegt hij. “Maar mag ik eens vragen: als er wonderen bestaan, bestaat er dan ook een hemel?”
“Vaneigens!” knik ik. “Maar daar moet ge mij verder niet te veel over vragen. ’t Is er ongetwijfeld goed toeven, maar zelf ben ik er nooit geweest. Ze doen daar namelijk niet in lege omhulsels. Enkel zielen komen in de hemel - mits ze goed zijn geweest - maar zolang die van mij niet is uitgediend, blijft zij op aarde rondwaren, verstaat ge?”
Even valt er een stilte, tijdens dewelke ik vredig mijn ogen sluit.
“Allemaal goed en wel,” oppert hij ineens, “maar hoe moet dat nu met hemmekens daar?”
“Hoe bedoelt ge?” vraag ik, één oog openend.
“Hewel ja… de dood van uw vorige dinges… enfin, van Gust, moet die aangegeven en begraven worden? Tenslotte is hij voor de goegemeente toch een doodnormale mens geweest. En dan nog één die belangrijke dingen heeft verwezenlijkt…”
“Nu stelt ge eens een pertinente vraag,” zeg ik. “Hewel, ik zal het u uitleggen. Er zal voor het lege omhulsel dat mij heeft gedragen inderdaad een begrafenis moeten worden georganiseerd, met alles erop en eraan. De schijn dat dit een echte mens is geweest, moet worden opgehouden om geen argwaan te wekken. Daarom ook dat gij morgen aangifte van mijn dood moet gaan doen op ’t stadhuis.”
“Ikke?” kijkt hij op. “Kunt gij dat niet doen?”
“Gij zijt goed, gij!” roep ik uit. “Hebt gij al ooit iemand geweten die zijn eigen dood ging aangeven?” “Nee,” antwoordt hij gevat, “maar ik heb ook nog nooit iemand geweten die terug kwam binnen wandelen nadat hij gestorven was!”
Ik moet eerlijk toegeven dat hij daar een punt heeft. “Ja, da ’s misschien wel waar,” zeg ik, “maar desalniettemin stáát het niet uzelf te gaan aangeven als zijnde overleden. Men zou zich overigens de vraag kunnen stellen wat ik met Gust te maken heb gehad dat ik mij daarvoor naar ’t stadhuis moet begeven. Neenee, wandelt gij morgen maar eens op uw gemakske tot daar, zo kunt ge hetgeen ge als uw beste vriend aanzien hebt nog gepast een laatste eer bewijzen. En wilt ge nu zo vriendelijk zijn mij wat verpozing te gunnen. Ik zou graag uitgerust willen zijn alvorens aan mijn nieuwe taak te beginnen.”
“Ah! Wilt dat zeggen dat ge voortaan weer zelf uw kroniek gaat schrijven?” vraagt hij, niet gespeend van hoop.
“Dat ziet ge van hier,” mompel ik met gesloten ogen. “Ik heb nog wel wat anders te doen dan datumkes en feitekes op te schrijven.”
“Ah ja? Wat dan?” vraagt hij.
“Dat zoudt ge graag willen weten, hé, curieuzeneuzemosterdpot!” monkellach ik. “Hewel, ik zal het u zeggen. Schrijven is helaas ook deze keer niet aan mij besteed. Dat is de enige constante door al mijn levens: dat ik nooit met het talent ben gezegend om schone volzinnen te schrijven. Maar daar heb ik mij ondertussen al lang bij neergelegd. Wat ik een stuk spijtiger vind, is dat ik deze keer ook het schilderen niet beheers. Een hond, die met zijn achterste zijn kak uitveegt, brengt er meer van terecht dan ik. Ik blijk in mijn huidige hoedanigheid maar een kladschilderke van ’t laagste knoopsgat te zijn, juist goed om een muur te witten en desgevallend hier en daar de lijnen wat uit te zetten, meer niet.”
“Waar schuilt dan uw talent?”  vraagt hij.
“Wel, in deze hoedanigheid houw ik beeld,” zeg ik trots. “Geef mij een stuk steen, een moker en een beitel, en ik houw er u een beeld uit dat zijn gelijke niet kent.”
“Serieus?” doet hij geïnteresseerd.
“Zeker. Ik stond er in het begin zelf van te kijken. Ik had mij ooit een hamer en een beitel toegeëigend die ik ergens op een vaalt had zien liggen. Op een dag ben ik daarmee op een stuk steen beginnen te kloppen met alle geweld dat ik in mij had, en een paar maanden later stond daar plots het borstbeeld van mijn moeder. Ik kon mijn eigen ogen haast niet geloven. Afijn, ’t was ineens duidelijk waar mijn talent zat, en dat ontging ook mijn ouders niet. Ze hebben mij naar de beeldhouwschool gestuurd en sindsdien ben ik ook in deze hoedanigheid een vermaard plastisch kunstenaar. Geef mij een klomp steen van een kilo of duizend en binnen een paar maanden hebt ge een schoon beeld om in uw hof te zetten. Ik heb trouwens pas een opdracht aanvaard om een beeld te maken van iemand die gij nog hebt gekend.”
“Ha ja? Wie dat?”
“Ik mag het mombakkes beginnen te timmeren van ene van Lier.”
“Ene van Lier?! Sinds wanneer ken ik mensen uit dat boerengat dat zich een stad waant?!”
“Denk eens na. ’t Was er ene die advocaat was van beroep, maar die met die functie alleen geen genoegen nam en zich had voorgenomen daarnaast ook nog eens boekskens te gaan schrijven. En ik moet toegeven: niet geheel zonder resultaat. Hij bleek wel degelijk over talent te beschikken. Helaas voor hem heeft hij ’t einde van zijn grootste werk amper gehaald. ’t Succes zal ten hoogste zijn werk, maar jammer genoeg niet hem zelf te beurt vallen.”
Hendrik bekijkt mij met ogen, waar de vermoeide oogleden in vellen over hangen. “Nu weet ik nog niet over wie gij het hebt,” zegt hij.
“Maar denk nu toch eens na! Herinnert gij u niet meer dat wij ooit in herberg ‘de Playsanten hof’ zijn aanbeland? Die dag dat ik u heb ingefluisterd een boek te wijden aan de historie van die twee Italianen…”
“Wacht eens… Hebt gij het over Anton die wij daar tegen het magere lijf zijn gelopen?”
“C’est ça! Ge kent hem toch nog.”
“Anton! Jááá, die ken ik! Is die dood?”
“Ja, ongelukkigerwijze wel,” zeg ik. “Eén of andere slepende ziekte moet hem het leven hebben gekost. Hij was nog geen veertig, als ik het goed heb.”
“Mensen toch!” schuddebolt hij. “Moeder natuur kan toch ongenadig zijn. En gij gaat nu een beeld van hem houwen?”
“Ja!” zeg ik fier. “Die opdracht is aan mij toevertrouwd. We zullen moeten zien dat we hier wat plaats maken. Zo’n steen neemt wel wat ruimte in beslag.” Ik kijk even de krocht rond. “Maar bon, dat zijn zorgen voor later. Eerst platte rust.”
Ik leg mij opnieuw op mijn rug en wurm mijn handen onder mijn achterhoofd. Hendrik buigt zich, begeleid door een diepe zucht die oudheid van jaren in zich draagt, over zijn bladen. Zijn bankje kraakt gelijk zot, als ’t al niet zijn versleten botten zijn die van hun oren maken. ’t Verzitten doet hem in ieder geval geen deugd, te oordelen aan de salpetertrek om zijn mond. Zou het zijn omdat ik zelf in deze hoedanigheid terug fris en monter ben dat mij dat nu opvalt? Ik zou het niet weten.
“Hebt ge last van uw achterwerk?” vraag ik.
“Zwijg stil,” zegt hij. “Na al die jaren voelt het alsof er geen vlees meer rond mijn kont zit. ’t Is precies been op hout. Zo een stoel met veren en een dikke lederen zitting, dat zou toch geen overbodige luxe zijn…”
“Welja, waarom niet,” grom ik in een geeuw terwijl ik mij op mijn zij draai, “en een chique mantel met een hermelijnen kraag en een voetbaddeke met warm water en een scheut eau de cologne er in, zeker!“
Hij zwijgt verongelijkt. Ik smak nog een paar keer met mijn volle lippen en kronkel mij behaaglijk in een bolleke. Binnen de kortste keren zie ik engeltjes vliegen met vleugels zo fijn dat ze volledig doorzichtig zijn, terwijl blinkende gouden aureooltjes middelpuntvliedend boven hun hoofden cirkelen als raderkens van een horloge dat haast heeft. Maar dan word ik ineens bruusk uit mijn zaligmakende droom gehaald door een stevige vocale uithaal van mijn compagnon.
“Wel hebt ge van uw leven!” klinkt het luid.
Ik trek verschrikt mijn ogen open en draai mij naar hem om. Ik zie hem met wijd open mond naar het blad staren dat ik beschreven heb alvorens ik in de gedaante van Gust het kot in de fik stak.
“Wat is ’t?” vraag ik.
“Hier!” zegt hij, op mijn tekst wijzend. Hij leest luidop: “Zes december 1874: overlijden van meesterlijk historie- en genreschilder, alsmede hoogbegaafd portrettist Egidius Karel Gustave Wappers.” Hij kijkt mij onbegrijpend aan. “’t Staat er begot al op! Wie heeft dat geschreven?”
“Wie zou dat nu geschreven kunnen hebben,” doe ik met de oogbollen rollend.
“Kweenie… Bedoelt ge dat gij dat geschreven hebt?”
“Wie anders?”
“Hoe? Maar… hoe wist gij dat gij… Gust, zeg dat het niet waar is. Gij hebt uzelf toch niet verdaan?!”
“Verdaan is een groot woord,” zeg ik. “Och, jongen, breek er u het hoofd niet over. ’t Loont de moeite niet. Dat zijn nu eenmaal zaken die inherent zijn aan het beroep van chroniqueur. Veel tamtam moet ge daar niet over maken. Schrijf wat ge te schrijven hebt en laat mij slapen. En trouwens: ’t is Frans. Voor Gust moet ge u een statie lager wenden, maar veel reactie zult ge aan hem niet meer kunnen ontlokken.”
Ik draai mij opnieuw op mijn zij en sluit mijn ogen.

maandag 28 november 2011

kroniekjaar 1874: deel 1


De Vlaamse kwestie woedt in alle hevigheid. Waar in de loop van de eerste decennia na 1830 voornamelijk schrijvers en dichters in hun publicaties strijd voerden ter behoud van de Nederlandse taal, begint het verzet stilaan een politiek karakter te krijgen. Zowel vanuit liberale als katholieke hoek wordt een fonds opgericht ter bescherming van de Vlaamse belangen, terwijl Hendrik Conscience, samen met enkele geestesgenoten, ijvert voor de oprichting van een onafhankelijke Vlaamse politieke partij. Met zijn mecenas Vegyllius Couckneus alias Gust Wappers gaat het intussen minder goed. De gezondheid van de oude man laat veel te wensen over. Alles wijst er op dat ‘het omhulsel Gust’ weldra plaats zal moeten ruimen voor een nieuwe hoedanigheid.
Ik aanschouw mijn oude kop met haast dichtgeknepen ogen in het stuk scherf dat ik van mijn spiegel heb geërfd en schrik van de overvloed aan rimpels die mijn doorgroefd gelaat vertoont. Een rotte appel is er niets tegen. Het valt straks niet meer uit te maken welke van de diepe voren in mijn smoelwerk mijn mond is. Mijn baard begint overigens ook fameus wit te kleuren - van grijs durf ik al niet meer te gewagen - terwijl het voor de luizen op mijn hoofd naarstig zoeken is naar een laatste schuilplaats. Bovendien loop ik zo krom dat het lijkt alsof mijn hoofd van voren uit mijn borstkas puilt. Kortom, ik kan mij niet van de indruk ontdoen, hoewel ik verre van stokoud kan genoemd worden, dat dit omhulsel zijn beste tijd heeft gehad en dat ik dringend aan vernieuwing toe ben. De kwaliteit van mijn opeenvolgende hoedanigheden blijkt met de keer af te nemen. Vergelijk het met een roemer wijn. Als ge daar - iedere keer dat ge gedronken hebt - wat water bij doet om uw glas vol te houden, dan moet ge na verloop van tijd al over uitzonderlijke smaakpapillen beschikken om nog een flard wijn te kunnen detecteren. Hoeveel jaren zou ik nu als Gust Wappers op de teller hebben staan? Eens kijken. Ik ben geboren in 1803, als ik het goed heb. Nu zijn we… Ik trek nog een rimpel meer in mijn voorhoofd en neem het bovenste blad van de stapel kronieken die op Hendriks pupiter ligt. Het lukt mij echter niet de datum af te lezen. De kleine wazige cijfers wemelen mij als een zwerm dansvliegjes voor de ogen. Hoe dan ook: of ik nu oud ben of nog ouder:  ik ben in deze hoedanigheid -zoals ze hier in Tstadt zeggen - niet in mijn wieg gestikt en ik denk dat het tijd wordt dat de volgende episode zich aandient. Au suivant! En laat het vooruitgaan, want deze fases in mijn duizend levens zijn bij uitstek degene waar ik de grootste hekel aan heb. ’t Is eindeloos wachten tot de verse pit van de boom wil vallen, om eindelijk te kunnen ontbolsteren…
Ik draai mij moeizaam om. Ook dat gaat al lang niet meer op één twee drie. ’t Is in staties dat ik mijn lijf keer. Eerst de ene voet wat verzetten, zien dat ’t bovenstuk kan volgen, en dan de andere. Zo wel een keer of vijftien om een halve slag te draaien.
Ik sukkel naar mijn brits en verplicht mijn knieën om door te buigen. Er weerklinkt een gekraak alsof er een reus met zevenmijlslaarzen door het kreupelhout loopt.
Eens gezeten, tracht ik met mijn tot op de draad versleten ogen mijn krocht rond te kijken, maar al wat ik ontwaar zijn wazige schimmen. Het is zo ver gekomen dat ik het als een geluk ervaar dat Hendrik zich bij ’t schrijven van lastige bijgeluiden bedient, zo weet ik tenminste wanneer hij thuis is. Er is een tijd geweest dat ik hem een steen tegen het hoofd zou hebben gemikt om hem te doen zwijgen, maar dat is lang geleden. De laatste maanden is hij overigens meer van huis dan een kapitein die de lange omvaart doet! Waar is de tijd dat ik hem zijn kot niet uit kreeg! Tegenwoordig moet ik vogellijm op zijn kruk smeren om hem hier te houden. Hij schrijft nog wel een boek of twee per jaar, maar tussen de hoofdstukken door lijkt hij ergens op een goede wei te zitten. Ik heb hem na de soep en voor de patatten wel eens gevraagd op welke nest hij tegenwoordig zijn eieren zit te broeden, maar al wat hij loslaat is dat hij met enkele Vlaamse kornuiten bezig is belangrijke zaken te verwezenlijken. Naar ’t schijnt (zo heb ik in mijn portaal tijdens de doortocht van enkele passanten horen luiden) zou hij bezig zijn een politieke partij te stichten, kunt ge ’t u voorstellen? Als dat waar is, en hij slaagt in zijn opzet; wie weet hebben wij Vlamingen dan straks nog iets in de pap te brokkelen! Dat de burgerij al maar davert op haar benen! Het enige wat mij in deze bedroeft, is dat het mij door dit oude lijf onmogelijk wordt gemaakt mijn bemoeizucht te laten gelden op hun bijeenkomsten. De leeftijd weegt te veel door op de botten die mij schragen om mij tot daar te slepen en mij in het gewoel te mengen. Mij rest voorlopig niets anders dan lijdzaam toe te zien hoe de jeugd van zestig jaar zich amuseert…
Ik leg mij languit neer op mijn brits en staar naar waar ik vermoed dat het plafond zich bevindt. Het is mijn geliefkoosde houding om mij over te geven aan innerlijk gefilosofeer. Van hieruit heb ik al meermaals de Vlaamse wereld gered! Slachtpartijen heb ik aangericht onder het Franstalige gespuis! Revolutie gepredikt! Maar wat baten nobele gedachten als men niet bij machte is deze in daden om te zetten?! Misschien – schiet het mij zo ineens door het hoofd - moet ik zelf maar eens aan de boom schudden, teneinde de pit te laten vallen zodat ze zou kunnen ontbolsteren. Ik weet dat het een stoutmoedige gedachte is, maar de opvolging is toch verzekerd! Wie – o - wie zou mij deze kleine vrijpostigheid kunnen kwalijk nemen?
Ik spits de oren, maar van ‘Hogerhand’ blijft het merkwaardig stil. Geen waarschuwend gedonder dat weerklinkt; geen bliksemschicht waarmee men mij met geweld op andere gedachten wil brengen. Dat kan alleen maar een gunstig teken zijn.
Ik richt mij opnieuw op, hef mijn krakkemikkige knoken van mijn brits en begeef mij met kleine, schuifelende stapjes naar Hendriks pupiter. Ik wurm mijn kont op zijn kruk en reik met bevende handen naar het kaarsenpannetje dat naast de inktpot staat. Ik zet het pal voor mij en strijk een lucifer aan. Wanneer de wiek vuur vat en een uitdijend vlammetje zich dansend staande houdt, spreidt een zachte gele gloed zich uit over de schrijftafel. Ik pers mijn ogen tot spleetjes, neem opnieuw het bovenste blad van de stapel en hou het schuin naar het licht gekeerd. Met veel moeite slaag ik er in de laatst toegevoegde items te lezen. Hij heeft het over een aanbesteding van vierentwintig kandelabers en bijgeleverde arduinen sokkels voor op de Groenplaats; de inhuldiging van de Vlaamse Schouwburg op de Kipdorpbrug; het bezoek van de Koninklijke familie en eerste houweelslag van de afbraak van de Spaanse citadel; en de overplaatsing van een monumentale vaas van de Loosplaats naar het stadspark. Allemaal goed om weten, maar zou het niet hoog tijd worden dat er nog eens iets gebeurt in Tstadt dat écht belangwekkend is? Iets waar de man in de straat van opkijkt en waarvoor men blijft staan op de Grote Markt om het elkaar te vertellen? Ik denk het wel.
Ik reik met mijn hand naar het inktstel. Eens zien of ik zelf nog weet hoe ik een veer moet vasthouden; dat is alweer enige tijd geleden! Net zoals ik het vroeger deed, sla ik met veel omhaal de mouw van mijn middeleeuwse mantel (die ik daags na het Sint-Annadebacle terug uit zijn hoek heb gevist) omhoog, krom mijn stijve vingers om de schrijfpen en doop deze rijkelijk in de zwarte inkt. Terwijl ik met mijn dikke, gecraqueleerde tong mijn mondhoeken nat lik, laat ik de punt van de veer zwierig over het blad glijden. Ik zal mijn schoonste geschrift nog eens bovenhalen. De laatste regel die ik in deze hoedanigheid zal schrijven, moet een orgelpunt worden.
Traag vordert mijn tekst – een middeleeuwse monnik zou er niet langer over gedaan hebben - maar juist wanneer ik met veel zwier een vet punt achter mijn prachtig geformuleerde zinnen wil zetten, stoot ik met mijn lompe elleboog de kaars omver, kwibus dat ik ben. Met ingehouden adem zie ik het pannetje over de rand van de pupiter storten. Een seconde later begint mijn schaduw op de muur te dansen en moet ik tot mijn afgrijzen toekijken hoe het werk van meer dan zeshonderdvijftig jaar vuur vat! Eeuwen geschiedenis dreigen door mijn onhandigheid in een verslindende vlammenzee te worden verwoest! Een vreselijke paniek overvalt mij. Als een moeder die haar kind dreigt te zien verongelukken en dit ten alle prijze wil verijdelen, voel ik een oerkracht in mij opkomen. In een fractie van een seconde weet ik mijn kont van de pupiter te heffen en mijzelf met heel mijn groot lijf op de vuurzee te storten, mijn mantel wijd gespreid als de vleugels van een vleermuis. Tot mijn grote opluchting slaag ik er in de vlammen op een mum van tijd te versmachten en het verslindende vuur te doven. Ik krabbel weer overeind en haal vergenoegd adem, maar dan voel ik plots een warme gloed opstijgen die mij in het gezicht streelt. Ik kijk omlaag en zie hoe gretige vlammen bezig zijn zich likkebaardend aan mijn mantel te vergrijpen. Instinctief laat ik mij weer neervallen op de koude grond en rol mij kronkelend over en weer tot ik zeker weet dat alle vlammen gedoofd zijn. Maar dan begint zich langzaam doorheen mijn krocht een verstikkende rook te verspreiden die mij het ademen belet en mij doet uitbarsten in een pijnlijke hoest. Ik slaag er nog in overeind te krabbelen en tot aan mijn brits te strompelen, maar dan zijn mijn krachten op. Ik val neer op mijn kromme rug en zuig piepend de laatste restjes zuurstof in mijn afgetakelde longen. Samen met mijn hoest begint ook mijn ademhaling af te nemen. Langzaam vervaagt het avondlicht en deemster ik weg. Berustend sluit ik de ogen… maar dan voel ik plots hoe via de openzwaaiende deur koude, zuurstofrijke decemberlucht binnenstroomt. Meteen wakkert mijn klein innerlijk waakvlammetje weer aan. Ik open met enige moeite mijn zware oogleden en kijk recht op het verbouwereerde gezicht van een bejaarde man, die zich over mij heen buigt. Ik denk in de schemer een ogenblik Sinte-Pieter te onderscheiden, maar wanneer hij zijn mond opendoet, herken ik de stem van mijn dierbare kameraad.
“Gust, wat is hier gebeurd?” vraagt hij met een timbre dat onrust verraadt. “Hebt gij hier vuurkestook gedaan?”
“Ik denk dat ik een stommiteit heb begaan,” zeg ik met zo’n zwak stemgeluid dat ik mijzelf haast niet kan horen. “Ik vrees dat gij u verplicht zult zien een aantal bladzijden van uw kroniek te herschrijven. ’t Kaarske heeft kans gezien om te vallen toen ik mij een ogenblik aan uw pupiter had gezet.”
“Maar jongen toch!” zegt hij. “’t Is toch godgeklaagd, hé! Als ge kleine kinderen of ouden van dagen een ogenblik alleen laat, kunt ge u aan de meest onaangename verrassingen verwachten.” Hij ontsteekt de kaars die op mijn nachttafeltje in een gestolde plas vet staat ingebed en kijkt verbijsterd naar de ravage die ik heb aangericht. “En wat ligt gij hier te zieltogen?” vraagt hij. “Hebt gij u verbrand?”
“Mijn ziel,” fluister ik.
“Wat zegt ge?” vraagt hij met een hand achter zijn oorschelp. “Tracht eens wat fors te zetten op uw stembanden, ik versta u niet.”
“Dat gaat niet,” hijg ik, “‘k ben gepakt van de smoor.”
“Oeioei, wilt ge dat ik mijnheer doctoor laat komen?” vraagt hij.
“Voor wat?” piep ik. “Om dat afgeleefde lijf nog wat op te vijzelen teneinde het nog wat langer te laten meegaan? Laat maar zo, amice. ’t Wordt tijd dat ik de pijp aan Maarten geef. Ik kan met dit oude omhulsel toch geen kant meer uit. Laat de natuur zijn gang maar gaan.”
Na die woorden sluit ik vermoeid de ogen en slaak een diepe zucht waar reeds de opluchting van een welgekomen einde in schuilt. Ik denk dat we beiden klaar zijn om de bladzijde om te slaan en ons aan een nieuw hoofdstuk te wagen. Maar dan voel ik plots hoe Hendrik zijn hand om de mijne sluit en er teder in knijpt. Wanneer ik met veel moeite mijn oogleden weer ophef, zie ik dat hij mij hoogst zorgelijk zit aan te kijken. In zijn ooghoek blikkert een traan. Piepend sleur ik nog wat lucht in mijn longen en vraag: “Wat zit ge daar nu als een geslagen hond te kijken, jongen? Is er iets?”
“Is er iets, vraagt hij! Ik ben bedroefd, Gust,” fulmineert hij ingehouden.
“Bedroefd? Waarvoor?”
“Zijt gij nu zinnens om ultiem nog een beetje met mijn klokkenspel te zitten spelen!” wordt hij lastig. “Ik sta op het punt mijn beste vriend te verliezen, mijn mecenas, mijn toeverlaat, mijn afgod, mijn… mijn… mijn…”
“Maar ge gáát mij niet verliezen, Hendrik,” hoest ik. “Snapt ge het dan niet? Ge wéét toch dat ik gereïncarneerd ben! Voor ge het weet sta ik hier fris en monter voor de deur en is alles weer zoals vroeger. Het enige waar ge zult moeten aan wennen is een nieuwe façade. Voor de rest zal alles exact hetzelfde blijven, met dat verschil dat ik terug ter been zal zijn.”
“Gij met uw reïncarnatie…” wuift hij verongelijkt mijn woorden weg, “en wat als ge nu eens gereïncarneerd zijt in een schoon apeke? Of in een mottig wrattenzwijn of zoiets?!”
“Maar jongen toch,” schuddebol ik, “denkt gij nu echt dat ze hierboven wat met de stedelingen hun voeten gaan zitten spelen? Als ik reïncarneer is het in een fatsoenlijke mens en in niks anders, ge zult wel zien. En geef mij nu dat kaarske eens aan, zodat het hier wat kan vooruit gaan.”
Zonder te begrijpen waarom, plooit hij zijn vingers om de kaars, wrikt ze los uit het gestolde vet en overhandigt ze mij.
“Wat zijt ge daarmee van plan,” vraagt hij. “Gaat ge het kot nog een tweede keer in brand steken of wat?”
Ik reageer niet op zijn flauwe prietpraat, zuig met het laatste beetje kracht dat mij nog rest een kleine hoeveelheid lucht in mijn longen en blaas het kaarske uit. Meteen wordt het donker als pek en vervagen alle geluiden. Het laatste wat ik voel is een lichaamswarme druppel die mij op het gelaat pletst.