maandag 23 januari 2012

Kroniekjaar 1887

Het is 21 augustus 1887. Over een kleine drie weken zal het vier jaar geleden zijn dat Hendrik Conscience vredig ‘ontslapen is in de Heer’. Vegyllius Couckneus, in de hoedanigheid van beeldhouwer Frans Joris, heeft het voorrecht genoten om de gedenkzuil te ontwerpen die sinds een jaar het graf van de Grote Schrijver siert. Maar na de onthulling van het monument is Couckneus in een diep zwart gat gevallen. Sindsdien gaat het niet goed met hem. Hij komt zijn krocht haast niet meer uit en is een depressie nabij.
Vandaag heeft hij zich voor het eerst sinds lang voorgenomen nog eens onder de mensen te komen. Hij heeft namelijk opgevangen dat er midden op de Grote Markt een standbeeld zal worden onthuld. Hij wil wel eens zien welk beeld het is, en hoopt te vernemen waarom men hém niet heeft aangezocht om deze sculptuur te maken. Het zit hem niet lekker dat hij van het stadsbestuur geen nieuwe opdrachten meer krijgt toevertrouwd…

’t Is meer kruipend dan rechtop lopend dat ik mijn krocht kom uitgestrompeld. Straks is het een jaar geleden dat ik mijn kot nog eens deftig ben uit geweest. Ik ben op die tijd zo stram geworden als een oude bretel. Ik tel in de hoedanigheid van Frans Joris nochtans nog maar zesendertig lentes, maar als ge uw scharnieren niet op tijd smeert, roesten ze vast, geen belang hoe oud ze zijn.
Het felle daglicht snijdt mij als messen in de ogen. Mijn kijkers zijn het blijkbaar ook niet meer gewend klaar te zien.
Eens mijn ogen aangepast aan de sterkte van het licht, draai ik mij om en bekijk het Spekhuis nog eens langs de buitenkant. Dat is ook al lang geleden. Het is straks 666 jaar dat ik hier gehuisvest ben. Bij oorlog en vrede; nacht en ontij; grote overstromingen en door mens bedreven onlusten… altijd hebben deze onderaardse gewelven mij behoed voor gevaar. Ik heb mij hier beschut gevoeld als een kind in moeders buik; veilig en voldaan als een zatlap in een ton bier; zalig als een engel op een hemelse wolk…. Maar sinds Hendrik zijn laatste kaars heeft uitgeblazen, is niets nog hetzelfde. Sinds die dag wordt mijn leven beheerst door een knagend gemis. Ik kan mijn draai niet meer vinden in het Spekhuis, en bij uitbreiding in dit tranendal! ’t Gebrek aan een goede vriend kwelt mij meer dan ik ooit had durven te vermoeden. Hoe graag ik mijzelf ook zie; ik heb geen goede babbel aan mijzelf. En kwaad zijn op mijn spiegelbeeld hou ik ook geen dagen vol. En het allerergste vind ik nog dat ik nu altijd gelijk heb. Welk plezier kunt ge daaraan beleven? Nee, hoe ge het ook draait of keert:  ’t is weinig boeiend, ’t leven alleen. En zeggen dat ik hier, vóór mijn ontmoeting met Hendrik, dik zeshonderd jaar op mijn eentje heb rondgefladderd.

In diepe gedachten verzonken klauter ik de trappen van de Repenstraat op. Ik zal eens gaan kijken wat er op de Grote Markt te gebeuren staat, al was het maar om mijn gedachten wat te verzetten. ’t Schijnt dat ze de vrijheidsboom, die voor de zoveelste keer ros gezeverd was door burgemeester en schepenen, hebben uitgegraven en er een groot stenen beeld in de plaats gezet, eentje dat tegen de zever kan. ‘k Ben curieus wat het voorstelt. Ik geef toe dat ik hoop dat het op geen kloten trekt, want ik vind het straf dat ze ’t niet aan mij hebben gevraagd. Ze hadden daar op Tschoon Verdiep maar een vingerknip moeten geven en ik was al begonnen! Maar ik denk dat er daar een Franskwekkende bourgeois een beetje gebeten is op mij, omdat ik geen beeld van hem heb willen houwen. Ge kunt u niet voorstellen hoe eerzuchtig onze eerste burger is.

Des te dichter ik bij de Markt kom, des te meer volk ik zie samendrummen. Ze zijn weer op pad, de Sinjoren! ’t Is weer kermis! Als er iets te doen is waar drank bij vloeit zijn ze er als de kiekens bij, de mannen van Tstadt! Ik vraag mij af waar al dat volk vandaan blijft komen. Waar is de tijd dat het hier nog een zakdoek groot was en ge de inwoners op een hand of vier kon tellen. Nu is ‘t alsof ze van tussen de kasseien komen gekropen; met zoveel zijn ze! En allemaal hebben ze hun beste kleren weer aan! Ik zal wel schril afsteken met mijn voddenfrak, mijn scheefgelopen schoenen en mijn bloedeloos gezicht. Ik zal weer de rotte appel in de mand zijn! Maar ik kan het mij niet aantrekken. Ik heb toch altijd al aan de zijlijn gestaan. ’t Is nu niet anders…

De Grote Markt ziet zwart van ’t volk. Als ik van aan de Zilversmidstraat tot aan de Oude Korenmarkt zou willen geraken, dan zou ik over de koppen moeten kruipen! ’t Is één grote mensenzee. En een lawaai dat ze maken, alsof ge uw kop in een overvolle bijenkorf hebt gewurmd! Waarom moeten mensen toch altijd zo roepen als ze met veel zijn?! Als iedereen nu zou fluisteren, dan zouden ze elkaar toch ook verstaan!

Ik neem een ferme teug adem en schuif mij tussen het gepeupel… op mijn zijkant, zo ben ik smaller. Als een gladde paling probeer ik ongehavend door de massa te laveren, maar het mag niet baten: ik incasseer de ene stomp na de andere, de ene keer tussen mijn ribben, de andere keer in mijn nieren of los in mijn ‘maagt’. En geen enkele boer die pardon zegt. En dat moeten dan ‘de heren van Tstadt’ voorstellen! ’t Enige dat ze doen is mij mottig bezien omdat ik in hun weg kom gekropen, en preutelen omdat ze bang zijn dat ik voor hun neus zal blijven staan en hen het vrije zicht zal ontnemen. En dan verschiet gij dat ik nog zelden buiten kom. Hoe kunt ge u op uw gemak voelen tussen een horde zelfzuchtige wolven?

Na ruim een kwartier wringen en duwen blijf ik noodgedwongen staan. Dichter bij het standbeeld kan ik niet geraken. Er is gewoon geen doorkomen meer aan. Ik vraag mij af hoe Mozes dat destijds heeft geflikt met die rode zee, dat splijten van die massa water. Mij lukt het niet met een zee van mensen. Maar bon, ik ben dan ook geen potentiële heilige, vrees ik, en alles bij elkaar ben ik toch nog redelijk dicht bij ’t beeld geraakt.
Terwijl er achter mij gemekkerd wordt als een kudde geiten, omdat ik één of andere freule het zicht blijk te ontnemen, kijk ik op naar het door zeildoek omgeven monument dat hoog boven de menigte uitrijst. ’t Kon weer niet op, zo te zien! Die van Tstadt hun nek was weer breder dan hun broeksriem. Pas op, ik mag dat zeggen, want ik ben ook een Sinjoor, en zelfspot is een schone deugd. Maar afgezien daarvan… een beeld in normale proporties had ook niet misstaan. ’t Is alsof ze de tweede toren van de kathedraal hebben voltooid, en hem op de verkeerde plaats gezet!

Ik schud het hoofd en tracht uit de contouren af te leiden wat het beeld moet voorstellen, maar ik kan er geen hoogte van krijgen. Als dit het afgietsel van één man moet zijn, dan toch van een grote, op z’n minste iemand van de proporties van de reus Druon Antigoon! Ofwel – dat kan ook – dat van iemand die het wel bijzonder hoog in zijn bol heeft.
Nog terwijl ik dat sta te denken, laat ik mijn blik zakken en meteen valt mijn oog op ‘monsieur Leopold’, die zich op een houten verhoog heeft geposteerd aan de voet van het monument. Ik voel ineens een koude rilling over mijn rug trekken, van tussen mijn schouderbladen tot aan mijn staartbeentje. ’t Zal toch geen waar zijn, zeker? Zou Leopold het aangedurfd hebben om…?! In ieder geval past zijn eigendunk perfect onder dat zeildoek. ’t Zou begot nog niet erg genoeg zijn dat hij heel Tstadt naar de vaantjes aan ’t helpen is met zijn sloopwoede, dat hij ook nog eens een beeld van zichzelf voor Tschoon Verdiep zou laten plaatsen!
Ik voel een walging in mij opkomen en probeer aan iets anders te denken, maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan zolang die uitgedoste pauw in mijn gezichtsveld blijft staan. Zie hem maar eens staan blinken met zijn schoon kostuum. En zweten dat hij doet! Er wringen zich vanonder zijn steek vettige zweetdruppels tevoorschijn, die in fijne, kronkelende beekjes over zijn gelaat naar beneden glijden om zich kriebelend in zijn opstaande stijve kraag te wurmen. In gedachten zie ik die druppels als hongerige maden die zich op zijn corpus storten! Ik denk trouwens dat het jeukt, want af en toe duikt zijn wijsvinger de druppels achterna om ze ’t kriebelen te beletten; en zijn nek trekt als een zenuwpees.
In een poging mijn ergernis te verdrijven, onttrek ik mijn blik aan de potsierlijke beeltenis van ‘Vader Overste’, maar ’t wordt nog erger wanneer ik achter hem, omheen het standbeeld het voltallige leger lawaaimakers ontwaar, dat een paar jaar geleden een poging heeft ondernomen om mijn krocht te slopen! Ze hebben hun instrumenten in de aanslag, en aan hun opgeblazen koppen te oordelen zijn ze zich al fameus aan het oppompen om straks, op het eerste sein van ‘de Tovenaar’, in tergend lawaai uit te barsten. Ik heb er helaas niet aan gedacht om een kilo watten mee te brengen!

Bevangen door het voortdurende geroezemoes, dat zich kakofonisch in mijn gehoorzenuw wurmt, laat ik mij afleiden van het gebeuren en verzink in een toestand van bedwelming, tot ik niets meer hoor of zie. Ik ben het zo gewend op mijzelf te zijn, dat ik mij zelfs in een grote massa kan afsluiten van de buitenwereld. Als in trance geef ik mij volledig over aan een innerlijke rust, maar de schrik die ik daardoor pak, wanneer de fanfare, als een vat buskruit dat ontploft, in actie schiet, is zo groot, dat mijn hart wel zeven keren overslaat, als ik het goed heb kunnen tellen!

Terwijl het muziekensemble als razende zotten hun instrumenten teisteren, en mijn trommelvliezen aan flarden worden gereten, zie ik hoe Leopold zich staat op te maken om te ontsteken in een voordracht. Hij kan haast niet wachten tot de blaaskoppenkapel zonder adem is gevallen om de loftrompet aan te heffen! ’t Zal weer speeksel gaan regenen, en ik heb geen paraplu bij! ‘k Was misschien beter toch wat meer op een afstand blijven staan…

Nadat de fanfare zijn laatste noot heeft geblazen, en er een zalige stilte intreedt, veinst Leopold een vriendelijk lach om zijn manschappen te bedanken voor de muzikale intro. Tegelijkertijd kauwt hij zijn speeksel al voor om het zo vloeibaar mogelijk te maken, teneinde het zonder problemen over zijn onderdanen te kunnen uitstorten. Ik trek mijn kop alvast in mijn kas.
“Cher citoyens…” klinkt het ongemeen luid.
Ik stop mijn oren dicht met mijn twee wijsvingers, want de loftrompet is niet meteen mijn favoriete instrument, en al zeker niet wanneer deze in een Franse toonaard is gestemd. Om zijn door merg en been dringend stemgeluid geen kans te geven, neurie ik innerlijk een verstrooiend melodietje. Maar als blijkt dat zelfs dát nog niet volstaat en ik uit zijn overdreven gestes zijn woorden alsnog begrijp, wend ik mijn blik af en kijk wat doelloos om mij heen.
De burgers van Tstadt schijnen stuk voor stuk de indruk te willen wekken dat ze aandachtig luisteren naar de toespraak. Maar da’s maar schijn, weet ik, want als ge hun straks, bij een bolleke of een glas portwijn, zou vragen wat hij gezegd heeft, zouden ze u het antwoord moeten schuldig blijven. Garanti! Maar blijkbaar willen ze allemaal goed staan bij hun verkozene. Raar hoe die opgeblazen zeepsmoel op handen wordt gedragen! Hij wordt vereerd als een soort van held, terwijl hij bezig is heel de schone binnenstad om zeep te helpen. Weg Haringvliet, weg Mattestraat , weg Schipstraat, Gevangenisstraat, Vismarkt en Werf. Nog een chance dat ze hem in de gemeenteraad met één stem hebben tegengehouden of ’t Steen had ook nog helemaal tegen de vlakte gelegen in plaats van half! Ze zouden hem met een zware molensteen om de hals in Tscheldt moeten kieperen in plaats van hem te vereren; dát zouden ze moeten doen! Ach, kregen we maar eens een ‘gewone’ burgervader, zo ene die simpelweg Janssens of Peeters heet en die alledaagse kleren aanheeft en ’t hart op de juiste plaats draagt. En die hier en daar een schoon gebouw laat staan! ’t Is te hopen dat ik dát ooit nog eens mag meemaken in mijn slopende carrière.

Nadat ‘den heiligen Leopold’ zijn laatste hoogdravende woorden over de menigte heeft uitgesproeid, is het aan de fanfare om weer in actie te schieten. <<BOEM-SCHIJTERIJ-BOEM-SCHIJTERIJ>> klinkt het uit trommels en trompetten. De dames en heren op de voorste rijen moeten hun hoeden bij de rand vasthouden om te beletten dat ze zouden wegvliegen. Allez, ’t is nu al wel geweest. Laat het doek nu maar zakken, zodat we met onze eigen ogen kunnen zien welk lelijk beeld de Grote Markt zal ontsieren tot de aarde zich binnenstebuiten keert!

Wanneer de leden van de blaaskapel even later hun koperen instrumenten aan hun hand te druipen hangen, stijgt de spanning onder ’t gepeupel tot ongekende hoogten. Onder het geroffel van een eenzame trommel kruipt een pompier langs een lange ladder, die tegen het beeld staat opgesteld, naar boven teneinde het zeildoek los te haken. ’t Is eens wat anders dan een vuurke uitpissen. Honderden open monden staan het spektakel met ingehouden adem gade te slaan. En wanneer even later het beeld zijn broek finaal afzakt, stijgt er een luid gejuich op uit de menigte. Zelf juich ik uiteraard niet, maar er ontsnapt mij in de plaats daarvan een zucht van verlichting. ’t Is dan toch geen beeld van Leopold! Dat zie ik meteen. Maar wat het wél moet voorstellen is mij ook niet op één, twee, drie duidelijk. Bovenop een hoop valse rotsen staat er een vent in adamskostuum op één been te wankelen. In zijn pol heeft hij een hand die bijna dubbel zo groot is als zijn kop, en die hij schijnbaar zinnens is zo ver weg te gooien als hij kan! Onderaan de nagemaakte rotsen hangen er een paar ineengestrengelde wijven met vissenstaarten, en nog wat ander oceaangespuis te bengelen! Wat willen ze dáármee uitbeelden? Is daar die rosgezeverde vrijheidsboom voor moeten wijken?

Nog terwijl ik het hoofd sta te schudden bij het aanschouwen van zoveel prulwerk, krijg ik tot mijn verbijstering plots een geut water in het gezicht! Geschrokken kijk ik in de richting van Leopold, in ’t gedacht verkerend dat hij aan een volgende natte redevoering is begonnen, maar zo te oordelen houdt hij voor één keer wijselijk zijn mond, tenzij men hem met een verlostang de stembanden heeft uitgerukt!
Ik wrijf de spetters uit mijn ogen en zoek vanwaar de zomerse zegening komt. En dan zie ik het ineens! Het pas onthulde beeld is geen gewoon standbeeld. Het is verdorie een fontein! Een spuitgeval in ’t midden van de Grote Markt! Waar in vredesnaam is dát voor nodig?!? Of zou het de bedoeling zijn dat deze springbron voor verkoeling zorgt ten tijde van verhitte discussies op Tschoon Verdiep? Manmanman, wat gaan we nog allemaal beleven, hier in Tstadt?!
“Schoën, hei!” port een vent mij met een eeltige elleboog tussen de ribben.
Ik deins verschrikt achteruit. Met de adem van deze man jagen ze op ’t land konijnen uit hun pijp, vermoed ik.
“Dat ‘ebbe z’ in ander steide ni, zenne,” walmt hij voort, “zelfs ni in Broekzeile!”
God, mensen! Ik denk dat hij zijn soep uit zijn beerput schept! Geen wonder dat er zoveel strontvliegen rond zijn kop hangen te cirkelen.
Om mijn maag niet te bruuskeren, keer ik mij gauw van hem af, zonder hem van antwoord te dienen. Trouwens, wat zou ik hem moeten antwoorden? Dat ik het prutswerk eerste klas vind? Een wankele vent bovenop een toren van rotsblokken, is dat schoon?! En voor een bassin hadden ze waarschijnlijk ’t geld niet. Al dat water dat gewoon de grond inloopt…  zonde! Daar zouden in de Congo, de zandbak van die andere Leopold met veel streken, een grote hoop negerkens hun dorst mee kunnen lessen!

Wanneer de fanfare ten derde male een stukje oorverdovende militaire toonkunst ten beste begint te geven, zucht ik eens diep en draai mij om. Tijd dat ik het hier afbol. Ik kan beter nog eens een bezoek brengen aan mijn vriend. ’t Is ook alweer een tijd geleden dat ik mijn bronzen kameraad nog eens gezien heb. Met hem kan ik tenminste van gedachten wisselen zonder dat ik daarvoor mijn mond moet open doen. En sinds hij niet meer kan tegenspreken, heb ik het gevoel dat hij mij beter verstaat dan ooit!
Met grote moeite wring ik mij door de massa, richting Kaasrui. Hoe verder ik ga, hoe draaglijker het kabaal van de fanfare wordt. Met elke stap die ik zet wordt het geluid ijler en ijler, en nadat ik de Wijngaardstraat ben doorgegaan, en de hoek naar Tschoon Plein ben omgedraaid, is ’t alsof ze ’t geluid van de wereld hebben afgezet. Ik hoor ineens niks meer, behalve mijn eigen gedachten, en daar kom ik meestal ruim mee toe.

Ik zet mij voor het bassin, dat aan mijn vriend zijn voeten ligt, en prijs mij gelukkig dat ze van hém geen fontein hebben gemaakt! Hij zou daar schoon gezeten hebben, water spuwend als een stenen kikvors bij een vijverke!
“Wat is’t?” hoor ik hem ineens in mijn achterhoofd zeggen. Ik kijk hem in de bronzen ogen, waarmee hij dromerig voor zich uitstaart. “Hoe staat gij daar nu te staan? Precies of ge hebt in uw broek gescheten! Is er iets mis?”
“Dat gij dat durft te vragen!” zeg ik luidop, gebeten om ’t feit dat hij mij zo tactloos toespreekt. “Gij hebt schoon klappen gij! Uw lijdensweg is al lang ten einde. Voor u kan ’t geluk niet op. Maar beseft gij wel hoe ik mij voel sinds de dag dat gij mij verlaten hebt? Ik zit hier hele dagen opgescheept met mijzelf en niets anders! En kom niet af met het argument dat ik vroeger zo lang alleen heb gezeten, want vroeger is nu niet; juist gelijk Gustaaf Frans niet is en de hemel niet de hel. Ik heb het gewoon gehád om tot het einde der tijden eenzaam en alleen in die godverlaten krocht te zitten, waar ’t mos op de muren groeit en waar ik maar over één rijkdom beschik: een inktpot waarmee ik kan neerschrijven hoe ‘schoon’ het leven wel is!”
“Jongen, jongen, wat een zelfmedelijden!” hoor ik hem brommen. “Zo ken ik u niet. Zijt gij diezelfde mens die vroeger opgewekt door ’t leven fladderde als een vogelke dat juist uit ’t nest kwam getotterd? Wat is er van u geworden?”
Ik hef onbestemd mijn schouders op.
“Kan ik iets voor u doen?” vraagt hij.
“Hewel ja,” zeg ik. “Ge zou er bijvoorbeeld kunnen voor zorgen dat ik een nieuwe compagnon vind, zo ene gelijk gij die het niet erg vindt dat hij mijn vuil werk moet opknappen en tegen wie ik op tijd en stond eens kan zagen en uitvliegen.”
’t Is vreemd: ik weet wel dat het niet kan, maar toch kan ik mij niet van de indruk ontdoen dat hij meewarig het hoofd schudt.
“’t Is nogal de moeite wat ge vraagt,” zegt hij. “Denkt gij dat ik hier in de hemel over een schuif beschik waar ik de ideale mensen maar uit te halen heb? Denk dan al maar gauw iets anders. Ik heb hier juist niks! De hemel is al even erg als een klooster: ge moet hier al uw bezittingen afgeven als ge binnenkomt, en ge kunt hier niet gaan en staan waar ge wilt.”
“Toe maar al, straks gaat ge nog zeggen dat het op aarde beter is dan in de hemel.”
“Op sommige vlakken zeker wel,” zegt hij. “Maar dat is iets wat gij nooit zult moeten ondervinden. In ieder geval: als ge een nieuwe vriend wilt treffen, dan zult ge toch wat meer uit uw kot moeten komen. Door u in te graven als een mol, gaat ge niks bereiken. Begeef u onder de mensen en vroeg of laat zul ’t ge ‘r wel ene tegenkomen die in uw kraam past, ge zult dat zien. Allez, Gust, zijt nu eens eerlijk: dat kán toch niet anders; de wereld ziet zwárt van ’t volk!”
“Ten eerste is ’t Frans,” sneer ik, “en ten tweede: ’k heb het daarjuist nog eens kunnen zien dat de wereld krioelt van ’t volk, maar wat voor volk?! Niks dan schorriemorrie waar ge niks mee kunt aanvangen. En tevens, ’t is ’t enige niet wat mij kwelt.”
“Wat dan nog?” vraagt hij.
“Ik zou ook wel eens willen genieten van een welverdiend pensioen!” roep ik uit. “Wanneer ga ik nu eindelijk eens van mijn taak worden ontheven? Als de pruimen al lang rot aan de bomen hangen? Ik zeg het u: ’t is mij na dikke zes eeuwen beginnen te dagen dat het geen cadeau is een leven te leiden dat einde noch genade kent.”
“Och, ge zijt een zeveraar,” antwoordt hij droog. “Heel de mensheid zou tekenen voor het voorrecht dat gij geniet, maar op dat vlak zijt ge niet anders dan andere mensen. Tot in der eeuwigheid zal iedere sterveling denken dat het gras groener is aan de andere kant van de heuvel. Maar ’t is geen waar!!! Als mensen blij zouden leren zijn met wat ze hebben, dan zou de wereld kunnen worden gered! ’t Zou nooit meer oorlog zijn! Maar nee, liever blijft ge allemaal wat zagen en elkaar met arglistige ogen bekijken. Ge zou uzelf daar allemaal eens moeten bezig zien. Schoon schouwspel!”
“Och, ’t is al goed,” zeg ik. “Gij met uw hemels gefilosofeer. Met al die prietpraat schiet ik niks op.”
Ik draai mij geambeteerd om en zie even verderop een oud peeke vanonder een veel te ruime klak naar mij staan kijken.
“Da’s vreug, zenne, da gaai teigen oew aaigen stot te ziëvere,” roept hij mij toe. “Wa go da zaain ag gaai zoe oud zè gelak as kik!”
“Moet gij niet op de Grote Markt zijn, bij die andere hoop zeveraars?” bijt ik hem toe.
“Houla, houla, stottem er nog oep, maaine nuis? Wat is ’t, moat, edde ni gemuige van oe vraa, deize nacht?”
“Och, ga al gauw verder!” zeg ik, begeleid door een wegwerpgebaar.
Hij slaakt een korte lach, schudt meewarig het hoofd en schuifelt langzaam verder.
“Goed bezig!” hoor ik Hendrik fezelen. “Als ge zo doorgaat zult ge ver komen met uw vriendschapswens. Ge zijt precies verworden tot een misantroop! Denkt ge misschien dat ge u met zo’n gedrag populair gaat maken?”
“Zeg eens, ik ben niet naar hier gekomen om naar een preek van u te luisteren,” bijt ik van mij af. “’t Is niet omdat ge nu in de hemel zit dat ge u een pastoor moet wanen.”
“Zie hoe ge reageert!” werpt hij op. “Wat zijn dat nu voor manieren? Een mens probeert u goede raad te geven, en gij reageert alsof ge u met een riek in de kont gestoken voelt!”
“Goede raad? Sinds wanneer moet een vent van bijna zevenhonderd jaar goede raad aannemen van een broekvent van nog geen vijfenzeventig? En vroeger hielp het dan nog dat ik mijn oren dichtstopte, maar sinds ge verworden zijt tot een bronzen duplicaat van uzelf, dringt uw stem door tot in ’t putteke van mijn ziel!”
“Juist goed!” antwoordt hij. “Misschien dat ge dan vroeg of laat eens rekening zult houden met wat ik u zeg. ’t Zou een hele vooruitgang zijn.”
“Och, zaag tegen uw wormen!” doe ik pissig. “Weet ge wat? ’k Zal in het vervolg wel twee keer nadenken alvorens ik mij nog eens tot u kom wenden met mijn diepste zielenroerselen! Salut!”
Na het spuien van dat laatste woord draai ik mij met een ruk om en maak mij uit de voeten.

Om niet weer in het gewoel van de Grote Markt te verzeilen, loop ik in een wijde boog om de festiviteiten heen. Ik sla de Hoofdkerkstraat in, waar ik weersta aan de lokroep van ’t Gulick, en steek via de Coppenolstraat en de Grote Goddaard door naar de Lange Koepoortstraat. Die steek ik schuin over, waarna ik de Zwartzustersstraat inloop, om zo via de Veemarkt en de Vleeshouwersstraat bij ‘t Spekhuis te belanden. Een hele omweg, maar hoe minder volk ik vandaag nog moet zien, hoe beter. Ik heb wat dat betreft mijn bekomst wel gehad.

Thuisgekomen zet ik mij achter mijn pupiter en probeer mij aan ‘t schrijven van mijn kroniek te zetten. Sinds de dood van Hendrik zie ik mij verplicht mij dagelijks weer zelf aan dat eindeloze werk te wijden. Maar het lijkt alsof mijn pen de lamme heeft: ik krijg geen fatsoenlijke letter op papier. Er zijn te veel gedachten die mij door de geest spoken.
Na een verfrommeld blad of drie, vier gooi ik mijn veer naast de inktpot neer en sta op. Ik pak mijn spiegelscherf ter hand en bekijk aandachtig mijn bleke gelaat. Het valt mij op dat er geen greintje vreugde meer in mijn ogen schuilt.
“Goed bezig!” hoor ik de stem van Hendrik nagalmen in mijn kop.
Moedeloos laat ik mij neervallen op mijn brits en bedek mijn oren met mijn kussen.

maandag 16 januari 2012

Kroniekjaar 1883: deel 2

wat voorafging:

Vegyllius Couckneus, alias Gustaaf Wappers, alias Frans Joris, is een bijzondere man. Ter wereld gekomen in het jaar 1200 en tot eeuwigdurend chroniqueur benoemd in 1221 op het moment dat Antwerpen de stadsrechten verkreeg, geniet hij onsterfelijkheid. Om het lichamelijke verval geen kans te geven, wisselt hij stoffelijke omhulsels als een vogel pluimen: wanneer de fysieke toestand van één zijner hoedanigheden te penibel wordt, reïncarneert hij tijdig in een nieuwe. Het spijtige gevolg daarvan is dat hij gedoemd is een eenzaam en teruggetrokken bestaan te leiden.
Evenwel… tijdens de woelige maanden die de onafhankelijkheid van België voorafgaan, heeft hij het geluk ene zekere Hendrik Conscience te leren kennen. Deze jongeman blijkt een begenadigd schrijver te zijn, maar is er desondanks nog niet in geslaagd een uitgever voor zijn boeken te vinden. Vegyllius Couckneus gooit het daarop met de jongeman op een akkoordje: als de schrijver hem belooft te helpen bij het neerpennen van zijn kronieken, wil hij hem als tegenprestatie bij een uitgever introduceren. Zo geschiedt. Voor het eerst in zijn lange leven, slaagt Vegyllius Couckneus er op die manier in uit zijn solitaire bestaan te ontsnappen. Er ontstaat zelfs een hechte vriendschap tussen de twee heren.  Maar… helaas voor Vegyllius Couckneus genieten romanciers niet dezelfde onsterfelijke status als chroniqueurs...

Het is 10 september 1883. Hendrik Conscience staat op het punt het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen. Er dreigt voor Vegyllius Couckneus, in de hoedanigheid van Frans Joris, een nieuw isolement. Om zijn verdriet te ontlopen, doolt hij door de straten…

Met een moedeloze stap loop ik de Hoofdkerkstraat in en laat Tschoon Plein, waar het beeld van mijn vriend sinds enkele weken staat te pronken, achter mij. Ik zou een tevreden man moeten zijn, want sinds mijn beeld er staat is het plein nog schoner geworden dan het al was. En van alle kanten krijg ik lof toegezwaaid. Maar hoe zou ik lachend door het leven kunnen gaan als ik weet dat de mooiste mens, die ik de laatste zevenhonderd jaar heb ontmoet, mij weldra zal komen te ontvallen? En niet alleen dat. Nu het bobijntje van Hendrik bijna af is, dreig ik binnenkort ook weer solo slim te moeten spelen, en dat zint mij niet.

Terwijl ik van pure miserie over mijn eigen voeten loop te struikelen, struin ik voorbij de openzwaaiende deur van herberg ’t Gulick, het oudste café van Tstadt. De geuren van bier en sigarendamp komen mij tegemoet gewaaid en noden mij binnen. Onwillekeurig moet ik terugdenken aan de ontelbare fijne momenten die ik samen met Hendrik heb beleefd in talloze café’s die we hebben gefrequenteerd vooraleer zijn ‘maagt’ met pensioen ging. De schoonste erfenis die een mens kan krijgen is een vat vol mooie herinneringen…  zeker als dit zich onder de vorm van bier aandient! Ik smak eens met mijn lippen, die mij te kennen geven dat ik een nazomerse dorst heb, en besluit mij aan een deugddoend bolleke te wagen.
 
Zoals altijd wanneer ik er kom, is het weer een ferme drukte in ‘t Gulick. Niet dat ik hier tot het vaste meubilair behoor, verre van. Maar af en toe wil ik mijn kop hier wel eens binnensteken, om zo te constateren dat ik er weer eens niet veel volk ken. Dat is het nadeel van mijn halfgoddelijke status: generaties zijn vervlogen voor ik goed en wel met de ogen heb kunnen knipperen. Zelfs de gasten die met hun broek zowat aan de toog zijn vastgegroeid, vallen vroeg of laat dood, waarna hun vaste plaats onmiddellijk wordt ingenomen door nieuwe gezichten.

Met een diepe zucht en een dorst die mij het spreken bijna belet, posteer ik mij aan de toog en bestel een bolleke. Terwijl de waard het amberkleurige vocht vanuit een respectabele hoogte in de gapende mond van een breed glas laat stromen, valt mijn oog op een jonge gast van een jaar of twintig, die mij van aan de andere kant van de toog met een geamuseerde trek om de mond zit aan te gapen. Ik heb meteen het gevoel dat ik dat gezicht van ergens ken, maar weet het niet onmiddellijk thuis te brengen, hoezeer ik ook in mijn geheugen graaf. Ik vraag mij af of ik vriendelijkheid moet voorwenden, dan wel dat het misschien beter is dat ik hem gewoon negeer. Ik besluit voor alle zekerheid voor het laatste te opteren. Stel dat ik een figuur sla…
Ik besteed al mijn aandacht aan het bier dat mij voor de neus wordt gezet, en tracht de blik van de jongen te verwaarlozen, maar het is onbegonnen werk. Zijn ogen branden haast gaten in mijn kop! Onwillekeurig kijk ik weer naar hem op, en stel vast dat het monkellachje nog steeds om zijn lippen speelt. Heel even twijfel ik nog, maar dan neemt mijn nieuwsgierigheid de overhand op mijn aangeboren terughoudendheid en sta ik op. Ik wil weten wie die kerel is, en waarom hij mij zo indringend zit aan te kijken.

Met mijn bolleke in de hand loop ik om de toog heen en stel mij vlak naast hem op.
“Dien ik u van ergens te kennen dat gij zo naar mij zit te monkelen?” vraag ik hem op de man af.
“Oeioei, uw geheugen, dat vroeger al niet veel voorstelde, is er de laatste jaren precies ook niet op vooruitgegaan,” doet hij schamper.
Ik frons de wenkbrauwen en bekijk hem van onder tot boven. “Wie moogt gij dan wel zijn?” vraag ik.
“Ik heb jaren vlak achter uw hoek gewoond,” zegt hij. “In de Krabbenstraat.”
Ik onderwerp zijn gezicht nogmaals aan een nauwkeurig onderzoek maar kan het met de beste wil ter wereld niet thuisbrengen.
“Ge zult mij moeten helpen,” zeg ik. “Ik tast werkelijk in het duister.”
Daarop gaat hij wat rechter zitten. “Ik zal u drie begrippen noemen,” zegt hij, “en dan zoudt ge het moeten weten. Indien niet, dan kunt ge u maar beter een plaats reserveren in ‘t zothuis! Luister…” Hij telt mee op zijn duim en twee vingers terwijl hij ze opnoemt. “Grote Markt, stoel, bengel!” Vervolgens kijkt hij mij met pretlichtjes in de ogen aan.
Ik denk twee seconden na en dan schiet het mij ineens te binnen. Achter op mijn netvliezen tekent zich het beeld af van een rondborstige puber die mij komt staan uitdagen op de Grote Markt, terwijl ik op Hendriks stoel zit uit te blazen van een vermoeiende tocht. ’t Is dingeske, begot… hoe noemen ze hem ook weer… Jantje zonder vrees! Potverdorie, dat die mij zomaar durft aan te spreken! Hij heeft duidelijk nog niets van zijn vrijpostigheid ingeboet. Nochtans is het broekventje van toen inmiddels opgegroeid tot een ferme kerel van een jaar of twintig. Een mens zou denken dat hij tot de jaren van verstand moet zijn gekomen, maar blijkbaar volgt de natuur niet altijd zijn eigen wetten.
“Ah, gij zijt het!” zeg ik dreigend. “Jongen, gij beseft toch dat ge destijds veel geluk hebt gehad dat ik u niet bij uw lurven heb weten te vatten; het ware uw beste dag niet geweest!”
“Hahaha,” lacht hij smakelijk met zijn mond wijd open en zijn hoofd in zijn nek, waardoor ik in staat ben de rimpels in zijn verhemelte te tellen. “Toen had ik u goed liggen, hé!” schatert hij.
“Ha, ge vindt het nog plezant ook?” zeg ik.
“Waarom niet? Een mens mag toch al eens lachen, zeker,” antwoordt hij laconiek.
“Helemaal mee eens,” zeg ik, “maar er is een groot verschil tussen lachen en uitlachen.”
“Ja, zoals er een groot verschil is tussen zerig en kleinzerig,” antwoordt hij gevat.
Ik open mijn mond om hem lik op stuk te geven, maar mijn snedigheid laat het even afweten. “Allez,” zeg ik overdonderd, “ik hoor het al, ge zijt nog altijd even goed van de tongriem gesneden als vroeger. Maar zeg mij eens, jongen, hoe oud zijt gij?”
“Waarom wilt ge dat weten?” vraagt hij wantrouwig.
“Omdat ik mij niet kan voorstellen dat het al gepermitteerd is dat gij alleen op café komt.”
“Waarom niet? Als ge alleen kunt pissen kunt ge ook alleen drinken,” zegt hij treiterig.
“Dat kan goed zijn,” zeg ik, “maar ge weet toch dat minderjarigen niet alleen op café mogen gaan. Als hier straks de champetter binnenvalt, zult ge uw frank bakkes nogal mogen roeren om u uit ‘den amigo’ te klappen.”
“Pff!” doet hij schouderophalend.
“Maar enfin, jongen, hebt gij echt niks beters te doen dan op uw leeftijd op café te zitten?” vraag ik.
“Wat zou ik anders moeten doen?”
“Werken voor uwe kost misschien, gelijk als alleman?”
“Dat doe ik,” zegt hij, “maar alleen als ’t echt nodig is. Als mijn geld op is, ga ik een paar dagen schepen lossen aan de dokken… om het daarna weer op te kunnen doen. Simpel.”
Ik schud bedenkelijk het hoofd. “Het moet erg zijn als ge zo zonder enige ambitie door ’t leven moet gaan,” zeg ik meewarig.
“Wie zegt er u dat ik geen ambitie heb!” reageert hij fel.
“Ah! En welke ambitie zoudt gij dan wel mogen hebben?”
“Weet ge niet meer wat ik u vorige keer heb verteld? Dat ik schrijver wil worden?”
“Nee,” schud ik, “dat weet ik niet meer. Maar mag ik er u op wijzen dat ge, om schrijver te worden, over een zeker talent moet beschikken?”
“En wie zegt er u dat ik dat talent niet heb?” bijt hij mij toe. “Ik zweer het u: het is nog slechts een kwestie van tijd vooraleer ik rijk en beroemd zal zijn. Het broedt hier in mijn koker.” Hij tikt met zijn wijsvinger tegen zijn slaap.
“Jaja, da’s allemaal goed en wel,” lach ik geringschattend, “maar het is niet omdat er meel in uw kop zit dat de gebakken broodjes u zomaar uit de mond zullen vliegen. Schrijven is een kunst, jongen. Dat is niet iedereen gegeven. Ook al kunt ge het dan goed uitleggen, dat wil nog niet zeggen dat ge u ook schriftelijk goed uit de slag zult kunnen trekken.”  
“Twijfelt gij aan mijn capaciteiten misschien?” doet hij hoogmoedig. “Wacht, ik zal u eens iets laten lezen dat ik geschreven heb.” Hij gaat met zijn hand in zijn broekzak en haalt na enig pulkwerk een verfrommelt briefje tevoorschijn.
“Hier,” zegt hij, terwijl hij het openvouwt en het mij over de toog toeschuift. “Dat is de aanzet tot mijn eerste roman.”
Ik neem het papiertje ter hand en lees:

‘De wonderlijke lotgevallen van Jan zonder Vrees. Reeds dikwijls had moeder Neeltje heuren kleinzoon gepraamd om eenen stiel te leren… Meester Asselberg, de beenhouwer uit de Pompstraat en Jan de Laet, de bakker uit de Hoogstraat, hadden heel gaarne den forschen knaap in hunnen dienst genomen, maar van geregeld werken en vooral van onder andermans bevelen te staan, daarvan wou Jan niet weten.

Ik kijk op. “Zijt ge zeker dat het een roman is die ge gaat schrijven?” vraag ik meesmuilend. “Mij komt het eerder voor als de aanzet naar uw autobiografie.”
“Waarom? Weet niet iedere schrijver gulzig uit de eigen levenservaringen te putten?” stelt hij een slimme wedervraag, wat mij (overigens niet voor het eerst) doet vermoeden dat hij lang niet zo dom is als hij eruit ziet.
“Mmm…” doe ik, mijn tegenzin verbijtend, “daar hebt ge een punt.”
“Zeg mij liever eens wat ge ervan vindt?” vraagt hij.
Ik lees het vluchtig nog eens een tweede keer en moet toegeven dat ik het niet slecht verwoord vind. In tegendeel zelfs. Het kan met enige goede wil de vergelijking met de schrijfsels van Hendrik doorstaan.
“’t Is lang niet slecht,” mompel ik.
“Wat zegt ge?” vraagt hij.
Ik kijk hem diep in de ogen, die naast een grote portie deugnieterij ook een opvallende oprechtheid uitstralen, en als bij toverslag beginnen er mij meteen enkele berekende gedachten door het hoofd te wriemelen. Als deze jongen werkelijk het schrijven machtig is, en in acht genomen dat Hendrik mij spoedig zal komen te ontvallen… zou het dan niet aangewezen zijn dat ik…
“Jongen,” zeg ik, mijn hand op zijn schouder plantend en met een stem die klokken doet luiden, “wilt ge geloven dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn?”
Daarop schuift hij zijn kop een decimeter achteruit en kijkt mij met grote ogen aan. “Is dat van dat één bolleke dat gij zo raar begint te doen,” vraagt hij, “of hebt gij vandaag ergens anders al een half vat schuimsoep achter uw oor gekapt?”
“Spot niet!” zeg ik ernstig. “Ik ben zelden zo nuchter geweest als nu. Luister, jongen, als ge er oor voor hebt, wil ik u een voorstel doen.”
Hij bekijkt mij met gefronste wenkbrauwen. “Wat hebt gij nodig?” demonstreert hij nogmaals zijn schranderheid.
“Kijk,” zeg ik, “ik zal eerlijk met u zijn: het is niet slecht wat ge geschreven hebt, verre van zelfs! Ik denk dat ge effectief enige kans maakt om een literaire toekomst tegemoet te gaan,  alleen… op uw eentje zult ge ’t niet redden, vrees ik. Ik denk dat ge hulp zult nodig hebben.”
“Hulp? Hoe bedoelt ge?” vraagt hij.
“Wel… ge beseft het wellicht nog niet, maar het is in de lage landen geen sinecure om een uitgever te vinden,” overdrijf ik. “Ge moet begrijpen dat zo’n man uw boek niet uitgeeft, enkel en alleen omdat ge toevallig schone ogen hebt, die ge in uw geval dan ook nog eens ontbeert. Hij wil brood op de plank zien, verstaat ge? Dat is zijn enige bekommernis.”
“Wat wilt ge daar mee zeggen?” vraagt hij.
“Om een lang verhaal kort te maken: dat ik u, gezien mijn positie, een ferme stoot in de rug zou kunnen geven. Ik onderhoud namelijk, uit hoofde van mijn functie, nauwe contacten met de uitgever die verantwoordelijk is voor het drukken der kronieken. Ik zou u zonder moeite bij hem kunnen introduceren, als ge dat zou willen. Ik zou trouwens in die zin niet aan mijn proefstuk toe zijn…”
“Tiens… dat klinkt precies interessant,” zegt hij, zich oprichtend. Maar dan gaat hij nog maar eens ten overvloede demonstreren dat hij niet van gisteren is. “Maar zeg mij eens wat daar tegenover staat,” vervolgt hij. “Welk belang zoudt gij er bij hebben om zoiets voor mij te doen?”
“Wel…” zeg ik eerlijk omdat ontkennen geen zin heeft, “we zouden een deal kunnen sluiten.”
“Een deal? Wat voor deal?”
“Ogenblikske…” Ik besluit mijn woorden kracht bij te zetten met het offreren van een pint. Zulk eenvoudig gebaar heeft al menig twijfelaar over de meet weten te trekken. Terwijl ik de waard teken doe, bereid ik mij voor op het uitgooien van een vislijn, waaraan een dikke volgevreten pier hangt te bengelen, in de zaligmakende overtuiging verkerend dat hij dadelijk zal bijten.
“Luister…” zeg ik, met de zwier van een ervaren venter, die meent dat hij een domme kloot voor zich heeft aan wie hij moeiteloos zijn waardeloze rommel gaat slijten, “ik zweer dat ik van u een schrijver zal maken die zijn gelijke niet kent, en dat op slechts één voorwaarde: dat gij tot het einde uwer dagen mijn hulp zult zijn bij het optekenen der kronieken!”

Gedurende tien volle seconden, die er wel honderd lijken, blijft hij mij onbeweeglijk zitten aanstaren. Het is alsof één of andere tovenaar met een vingerknip al het leven heeft stilgelegd. Pas wanneer de waard onze glazen bier met een ferme bonk op het toogblad plaatst en begeleidend een luide “Voilà!” laat weerklinken, knippert Jan zonder Vrees weer met zijn oogleden.
“Uw kronieken?” doet hij. Ik knik met grote overtuiging, met ogen waar de blijde verwachting in beken uitdruipt. Maar helaas… zijn volgende repliek komt aan als een slag om mijn oren.
“Manneke, zijde gij op uwen bol gevallen?” roept hij schamper uit. “Hebt gij uw schaarse hersencellen verzopen in hectoliters ‘alcool’, of wat? Denkt gij nu écht dat ik mij ga laten vangen aan zo’n slinkse truuk? Ik ben niet zo zot als die kwibus die daar in uw onderaards hol ligt te creperen! Ge kunt mij evengoed vragen om uw gat te komen afkuisen iedere keer dat ge uw darmen hebt leeg gescheten! ‘k Zal ’t ook niet in overweging nemen! Zijt ge zot?!”
“Jamaar,” werp ik geschrokken op, “denk eens aan de voordelen die ge zult genieten, jongen: gratis kost en inwoon; uw boekskens zullen worden uitgegeven en verspreid; ge zult… enfin, uw broodje zal gebakken zijn!”
“Vergéét het!” wuift hij mijn woorden weg. “Gij zijt benoemd tot chroniqueur van Tstadt; dan moet gij uw vuil werk zelf maar doen. Ik wil mijn tijd niet zitten verprutsen aan het opschrijven van datums en namen waar geen mens ooit nog enig belang aan zal hechten! Het enige wat ik wil is een échte schrijver worden, en daar heb ik uw hulp niet voor nodig. Dat speel ik zelf wel klaar!”
Om nog maar eens te bewijzen wat voor een listige kerel hij is, neemt hij meteen na die laatste woorden zijn vers glas bier ter hand, en spuwt er een vette fluim in die hij met een luid geschraap aan zijn neusholte onttrekt. ’t Is maar dat ik het niet in mijn hoofd zou halen om hem zijn drank afhandig te maken teneinde hem zelf op te drinken.
Terwijl hij met zijn hoofd in zijn nek een schaterende lach laat weerklinken, hoor ik zijn woorden in mijn ijle kop nagalmen. Het is alsof ik met mijn stomme ‘tête de veau’ tegen een paasklok ben aangebotst, zo galmt het. En ’t ergste is dat ik weinig tegen zijn stelling kan inbrengen. De kans lijkt mij inderdaad vrij groot dat deze jongeman het met zijn talent en zelfverzekerdheid tot schrijver schopt… ook zonder mijn hulp. De tijden zijn erg veranderd tegenover vijftig jaar terug. Waar Hendrik nog de eerste van een generatie was die het schrijven terug onder de aandacht bracht, blijkt het heden ten dage al lang niet meer zo moeilijk te zijn om een boek uit te geven.

Nog een kar moedelozer dan ik was binnengekomen, loop ik drie minuten later ’t Gulick weer uit, terwijl het verse bierschuim nog in mijn neusgaten kriebelt. Ik kronkel mij, in diepe gedachten verzonken, door de nauwe steegjes van Tstadt, en troost mij met de gedachte dat men een vrouw ook niet vervangt alvorens men van de vorige gescheiden is. Beter kan ik mijn trouw betonen aan mijn dierbare vriend, in plaats van nu al een ‘remplaçant’ te zoeken. Ik mag hem zeker niet het ongemakkelijke gevoel geven dat hij vervangbaar is. Misschien moet ik zolang hij leeft mijn eigenbelang maar beter terzijde schuiven…

Op het moment dat ik de Grote Markt kruis, heb ik het ongemakkelijke gevoel dat ik bespied word. ’t Is alsof er ogen op mijn rug branden, of op mijn kop, of mijn gezicht… ik weet niet goed van waar het komt. Ik hou mijn passen in en kijk steels over mijn schouder, eerst links en dan rechts. Ik zie wat mensen kriskras door elkaar lopen, maar geen enkele van hen schijnt aandacht voor mij te hebben. Aarzelend ga ik verder. Maar dan ineens richt ik mijn blik omhoog, alsof mijn hersenen de magnetische straling van de priemende blik hebben weten te detecteren. In een flits zie ik, achter één van de vensters van Tschoon Verdiep, een schim wegduiken. Ook al ging het vreselijk snel, toch meen ik in die korte tijdspanne ‘groten baas’ Leopold herkend te hebben. Tiens, wat zou die naar mij staan te gluren? Zou hij het nog altijd niet uit zijn hoofd hebben gezet om een beeld van zichzelf te laten houwen? Dat hij mij er maar niet meer mee komt lastigvallen! Nooit ofte jamais wil ik een beeld van zo’n zelfingenomen kwibus houwen. Ik peins er niet aan! Als ze hem willen huldigen, dat ze het dan maar aan iemand anders vragen. Of dat ze een straat naar hem noemen of een plein, of alle twee, ’t kan mij niet schelen, zolang ik er maar niks mee te maken moet hebben!
Ik richt mijn blik weer op de grond en loop haastig verder.

Ik weet niet waaraan het ligt, maar om de één of andere reden biedt het Spekhuis een troosteloze aanblik. Het is alsof het verdriet etaleert; zo somber en triestig staat het erbij. En de lucht boven de Repenstraat is navenant: vieze wolken van alle denkbare tinten grijs dempen het zomerse middaglicht waardoor het wel diepe herfst lijkt. Het hele tafereel doet mij denken aan schilderijen die ik gezien heb die de nakende dood van Jezus Christus verbeelden: een overweldigende hemel die zo zwaar beladen is dat hij op scheuren staat! ’t Kunnen voorwaar geen goede voortekenen zijn.

Zachtjes duw ik de deur van de krocht open. Er klinkt deze keer geen geluid, alsof de scharnieren hun adem inhouden. Het sombere daglicht, dat mij omgeeft, sluipt op zijn tenen mijn krocht in, en drapeert zich liefdevol over het lijkbleke gelaat van mijn dierbare vriend die met halfopen mond op zijn bed ligt. Ik vrees meteen het ergste, en voel een koude rilling over mijn ruggengraat trekken. Maar dan opent hij plots zijn ogen en kijkt mij met een verbazend heldere blik aan! Het lijkt wel alsof hij een scheut levenselixir heeft gedronken!
“Hewel, amice,” zeg ik zachtjes, terwijl ik op hem toe stap en mij neerzet op de rand van zijn brits, “wat is dat met u? Al weken veinst ge dat ge elk moment een fatale slag van de zeis in uw nek dreigt te gaan krijgen; ge hebt uw ogen niet meer opengedaan sinds de laatste keer dat ge ze hebt dichtgedaan, en nu ligt ge hier, alsof ge juist uit een verkwikkende slaap zijt ontwaakt. Wat moet ik daaruit afleiden, dat het beter met u gaat?”
Met zijn gekloven tong, die droog is als een stuk vlees dat een paar uur in de zon heeft gelegen, tracht hij het aangekoekte slijm van zijn lippen te likken, maar dat blijkt geen evidentie te zijn, gezien zijn voorraad speeksel aan de schaarse kant is. Om hem te helpen lik ik mijn zakdoek nat en wrijf daarmee zijn lippen schoon.
“Merci, Gust… ” mompelt hij met kartonnen stembanden. Zijn stem klinkt een stuk zwakker dan zijn klare blik liet vermoeden. Ik wijs hem er deze keer maar niet op dat hij weer eens een hoedanigheid achterloopt. Als hij nu nog niet gewend is aan mijn hedendaagse naam, zal hij het wel nooit meer zijn.
“Ik ben blij dat ge er eindelijk zijt,” gaat hij moeizaam verder. “Ik vreesde al dat ge te laat zou zijn.”
“Te laat? Waarvoor?” vraag ik onnozel.
“Om mij uit te wuiven,” hijgt hij. “Het is er bijna mee gedaan, Gust, ik voel het.”
“Hoe, ’t is er bijna mee gedaan?! Wat is dat nu voor prietpraat! Ge zijt in eeuwen niet zo helder geweest! Als uw herstel zich zo doorzet, huppelt ge binnen een paar dagen over de Meir als een jong veulen! Ik zwéér het u!”
Hij legt zijn hand op de mijne om mij voor nog meer onnozele praat te behoeden. Het is alsof er een blok ijs op mijn tengels valt. “Serieus, Gust,” zegt hij. “Het gaat niet goed met mij. Ik denk dat ik mijn laatste naft aan ’t opgebruiken ben.”
’t Zou kunnen. Een motorke lijkt ook altijd nog efkens wat harder te gaan draaien vooraleer het definitief stilvalt.
“’t Is een geluk dat ge er zijt,” vervolgt hij. “Had ge mij al naar de andere wereld zien verhuizen zonder u te bedanken.”
“Mij te bedanken? Waarvoor?”  
“Voor al hetgeen ge voor mij hebt gedaan, Gust. Ge weet toch dat ik zonder u nooit iets had voorgesteld? Wat zou ik geweest zijn indien gij niet…”
“Sssst!” doe ik. Ik leg mijn vingers op zijn mond om hem het spreken te beletten. “Stop maar al met die lofbetuigingen. ’t Is niet dat ik het niet graag hoor, maar ik stá niet met een blos op mijn wangen.”
“Uw bescheidenheid siert u, Gust,” fezelt hij doorheen een ratelend kuchje, “maar ik moet het toch eens gezegd hebben vooraleer ik  mijn schup afkuis: als ik u op die schone dag in het gezegende jaar achttiendertig niet tegen het lijf was gelopen, dan had mijn leven er helemaal anders uitgezien. Geen mens zou mijn naam hebben gekend, beseft ge dat? En mijn beeld zou al zeker niet hebben geprijkt op ’t verhoog voor de nieuwe bibliotheek …”
“Tuttuttut,” zeg ik, “’t is al goed. Overtollig lof stinkt al even erg als het eigen! Trouwens, het geeft geen pas om het verleden te voorspellen! Wat gebeurd is, heeft zo moeten zijn en niet anders. Meer kan ik daar niet over zeggen.”
Wat is het toch gemakkelijk om bescheiden te zijn wanneer ge weet dat uw bescheidenheid niet opweegt tegen het lof dat u te beurt valt. Op die manier wint ge altijd! Helaas, terwijl ik mij daar als een onnozel manneke zit te wentelen in vergenoegzaamheid, wordt Hendrik plots getroffen door een tergende maagkramp. Kermend als een trotse stier die zich onverdoofd tot een os weet gesneden, krimpt hij ineen en trekt zijn knieën hoog op. Ik leg mijn hand op zijn vettige haren en streel hem troostend over het hoofd. Ik voel een diepe weemoed opsteken in mijn buik. ’t Voelt alsof mijn ingewanden zich losscheuren!
Ik kijk hem, vervuld van triestheid, aan en besef dat ik deze schone mens verschrikkelijk ga missen wanneer hij zal zijn heengegaan. En tegelijk overvalt mij een zekere spijt dat ik hem mijn waardering niet meer heb getoond. Als ik hoor hoe hij nu weer over mij stoeft…
“Weet ge, Hendrik?” zeg ik nadat ik gemerkt heb dat de hevigste pijn weer even uit zijn oude leden is weggetrokken. “Weet ge waar ik spijt van heb?”
Hij draait zijn hoofd naar mij toe en kijkt mij onderzoekend aan. “Spijt?! Gij? Waarvan zoudt gij spijt kunnen hebben, zo’n schone mens?” zegt hij. Er verschijnt zowaar een fletse glimlach om zijn mond: een klein scheurtje in zijn beide mondhoeken.
“Nee, serieus,” zeg ik. “Ik heb spijt dat ik u niet vaker heb gezegd hoe geweldig ik het geapprecieerd heb dat gij de helft van uw leven aan mij hebt opgeofferd. Hoeveel zouden er dat doen?”
“’t Is allemaal met plezier gedaan,” fluistert hij. “Het was een voorrecht om u te kennen, Gust.”
Meteen na die woorden trekt er een waas van diepe ernst over zijn ogen.
“Maar weet ge waar IK spijt van heb?” vraagt hij. En dan, zonder op mijn antwoord te wachten: “Dat ik uw privilege niet geniet.”
“Privilege?”
“Ik zweer het u,” zegt hij, “als ik zou kunnen… ik kwam óók terug uit de dood. Al was het al maar om nog wat langer bij u te kunnen zijn.”
“Maar, jongen,” doe ik luchtig, “wees blij dat die goocheltruuk alleen voor chroniqueurs is weggelegd. Zo ziet gij tenminste kans om uit dit tranendal te ontsnappen. Gij krijgt de gelegenheid om u Daarboven te gaan amuseren met de engeltjes, en u vol te proppen met de lekkerste rijstpap die voorhanden is. Wat wilt ge nog meer?”
“Weet ge dat ik er al dikwijls van gedroomd heb dat er hier of daar een achterpoortje is blijven openstaan in de hemel,” zegt hij. “In mijn verbeelding is die pijn aan mijn binnenwerk een teken dat er van mijn ziel ook een stuk is afgescheurd. Wie weet sta ik hier straks, kort na mijn overlijden, weer voor de deur. Stel u voor, Gust, het zou toch kunnen! Ik heb tenslotte toch jarenlang kroniekgeschreven; maakt mij dat ook niet tot chroniqueur?”
Hij zevert als een boeleke dat zijn pap opgeeft, maar ik ga er niet tegenin gaan, want er schuilt waarachtig een vleugje hoop in zijn blik. Ik wil hem dat laatste restje geluk, zo kort voor zijn dood, niet ontnemen. Er schiet trouwens weer een vuurpijl door hem heen, zo te zien. Kreunend krimpt hij in elkaar, en wanneer hij weer bijkomt, is de hoop in zijn blik al lang vervlogen.
“Ik denk dat het tijd is dat ik ga,” zegt hij. “Gaat gij u een beetje gedragen terwijl ik weg ben? Zie dat ik Hierboven geen klachten over u hoor, hé.”
“Maak u maar geen zorgen,” zeg ik sussend, “ik zal mij koest houden.”
“Dan is ’t goed,” fluistert hij met een stemmeke dat nauwelijks verder reikt dan het toppeke van zijn neus.
Om hem wat extra moed te geven om de lange tocht naar de hemel aan te vatten, knijp ik hem zachtjes in de hand. Met het laatste beetje kracht dat hem nog rest gooit hij mij een dankbare knipoog toe. Daarna sluit hij de ogen… voorgoed.
“Slaapwel, amice,” fluister ik zachtjes in zijn oor, “ik zal u missen.”

Stilaan vertroebelt mijn zicht, en ik laat mijn hoofd verslagen zakken. Hier zit ik dan weer alleen, het oud peeke van straks zevenhonderd jaar. Nu hád ik eens een vriend waar ik lief en leed mee deelde. Pakken ze mij die ook weer af! Wie weet hoe lang ga ik hier nu weer op mijzelf zitten te verkommeren tussen spinnen en kakkerlakken! Als ge beseft dat ware vriendschap zeldzamer is dan een boom op de maan…

Terwijl ik mij als het eerste het beste broekventje zit over te geven aan goedkoop zelfmedelijden, word ik ineens opgeschrikt door een wild gebonk op de deur. Mijn kop schiet als een springveer de hoogte in, en ik voel mijn hart drie slagen overslaan. Het zal toch geen waar zijn, zeker? Zou het dan tóch kunnen dat men hem Hierboven met het speciale statuut heeft bedacht, als dank voor bewezen diensten?!
Ik spring overeind als een zot die op een punaise is gaan zitten, en loop in drie stappen tot bij de deur. In het geweld, waarmee ik mijn breed uitgevallen poortje opengooi, schuilt hoop en dolle vreugde. Maar wat valt er een koude ijswind op mij neer wanneer ik oog in oog blijk te staan met Leopold, de burgervader!
“Bonjour François!” kwekt hij mij met valse vriendelijkheid toe. “Ik wee ni, mais… zou da kunnen dat ik u dorjust over la grand’ place heb zien flaneer?”
Ik heb de moed niet om iets te zeggen, maar haal de schouders op en knik ‘ja’ tegelijkertijd.
“Voilà!” doet hij, alsof iemand het tegendeel heeft beweerd en hij zijn gelijk gestaafd ziet. “Enfin, met u te zien flaneer, ik moest ineens peinzen aan de feit dat het al geleeën is van la dernière fois dat ik hier nog ne keer gewees ben. Hoe is ’t met onzen grand écrivain? Asemt hem nog?”
Ik slaak een diepe zucht. “Ik vrees dat ge twee minuten te laat zijt om het hem zelf te vragen,” zeg ik met een diepe grafstem die mijn rouw illustreert.
“Que veux-tu dire?” doet hij verbaasd.
Ik doe een stap opzij en wijs hem met een hoofdknik het stoffelijke overschot van mijn dierbare vriend aan.
“Is het van datte?” vraagt hij. Ik knik bevestigend.
“Finalement,” zegt hij. “ Ik ‘doecht’ ‘et al, aan ‘den tristen tête’ te zien waar ge mee rondliept. Bon,” hij slaat zich in de handen als een houthakker die zich opmaakt om met een versgeslepen bijl een weerloze boom te lijf te gaan, “dan zullen we ‘r maar ne keer werk van maak, zeker?”
Zijn kop gloeit, alsof hij zich op nakende festiviteiten verheugt. Zonder zich nog om mij te bekommeren, draait hij zich om en maakt zich snel uit de voeten.
Wanneer ik de deur achter hem dichtklop, is het alsof de tijd stilvalt. Moedeloos zet ik mij opnieuw neer naast Hendrik en streel hem een laatste keer over dat oude, afgeleefde hoofd.

zondag 25 december 2011

Kroniekjaar 1883: deel 1

Het is 13 augustus 1883. Heel Antwerpen loopt zich op te maken voor de inhuldiging van het standbeeld ter ere van Hendrik Conscience. Zelden is het een mens bij leven gegund zulke hulde te zijner ere te mogen bijwonen. Helaas… de penibele gezondheidstoestand van de schrijver dreigt roet in het eten te gooien.

Fier als een aapke uit de zoölogie, dat ze het potske van een piccolo op de kop hebben geduwd, loop ik door de feestelijk aangeklede straten van Tstadt. Ik ben de toestand eens gaan verifiëren teneinde zeker te zijn dat men er alles aan heeft gedaan om het feest luister bij te zetten, en ik kan alleen maar zeggen dat ik heel tevreden ben. ‘t Wordt mijns inziens een feest dat zijn gelijke niet kent! Zelden heb ik zulk een volkstoeloop gezien. Overal waar ge kunt zien, wapperen rood-witte banieren, en wordt er met vaandels en wapenschilden gezwaaid dat het een lieve lust is. Alle mannen van Tstadt die het air dragen een burger te zijn, hebben hun zondagse schoenen met een vettige fluim bespuwd en opgewreven tot ze blonken als spiegels. Op hun hoofden dragen ze gloednieuwe buishoeden die glanzen als het schoonste satijn. Hun jassen en hemden zitten keurig in de plooi, en hun pochetjes, in dezelfde kleur en uitvoering als hun stropdas, zijn met microscopische precisie aangebracht. En met de dames is het niet anders gesteld. Zij hebben allemaal hun weelderigste hoeden van ’t schap gehaald, en pronkerig bovenop hun majestueuze kapsels geplaatst, scheef als een schip dat slagzij maakt. Hun jurken zijn voorzien van de breedste hoepelrokken met kanten boordsels, waarmee ze ruisend langs elkaar heen glijden, en met hun feestelijke parasols vormen ze nagenoeg een afdak boven de straten! En dat is nog het enige niet. Op diverse locaties in de stad staan muziekkorpsen zich met rood aangelopen hoofd warm te blazen om het feest met veel bombarie op te luisteren. En meerdere prominente gasten trachten zich met eindeloos keelgeschraap van overtollige fluimen te ontdoen, om niet gehinderd te worden in de hoogdravende toespraken die ze zullen houden. Ja, zo zijn ze hier in Tstadt: als ze iets te vieren hebben, dan zullen ze het tot in Broekzele geweten hebben!
Terwijl ik links en rechts mensen, die ik van haar noch pluim ken, vriendelijk toeknik, loop ik zigzaggend doorheen het zich verdringende volk. Nu en dan kom ik iemand tegen die weet dat ik het beeld, dat straks zal worden onthuld, gehouwen heb, en die mij met groot enthousiasme wil aanspreken. Maar ik moet mij verontschuldigen, want ik heb geen tijd om mij in vergenoegzaamheid te wentelen. Dat ze mij straks maar aanspreken, als ’t feest aan de gang is. Dan zal ik met plezier hun egards in ontvangst nemen, maar nu moet ik eerst mijn goede vriend Hendrik gaan halen, die op mij wacht in de krochten van ‘t Spekhuis. ’t Is tenslotte om hém dat het hier allemaal te doen is. Ik zal mij eens gaan vergewissen of hij deze keer goed uit zijn paardentram geraakt is en of hij zich, zoals ik hem heb gevraagd, in zijn paasbeste pak heeft gehesen. ’t Zal hem wel moeite hebben gekost, want zijn gezondheid laat hem doorgaans niet meer toe veel beweging uit te voeren. De laatste tijd doet hij niet veel anders meer dan zieltogend op een zekere dood te liggen wachten. Die kwalijke ‘maagt’, weet ge wel. Nee, ik vrees dat zijn houdbaarheidsdatum al met enige maanden overschreden is. Niks aan te doen! Zo gaat dat in ’t leven. Alleen hoop ik dat ze Hierboven de beleefdheid zullen hebben om hem de hulde, die hem in zijn aardse bestaan te beurt valt, nog te gunnen.
Helaas… Op het moment dat ik het portaal onder ’t Spekhuis insla, word ik overvallen door een vreemde onrust. De stilte die om mijn krocht heerst, is drukkend en staat in zo’n schril contrast met het gedruis dat de rest van Tstadt domineert, dat het bijna beangstigend is. ’t Zal toch geen waar zijn, zeker? Zouden ze dat Hierboven nu werkelijk durven te riskeren om hem vandaag de opwaartse tocht te laten maken? Toegegeven: zo’n finale zou wel kunnen tellen als afscheid, maar tegelijk zou de domper op de feestvreugde niet te overzien zijn…
Terwijl ik de deur zachtjes openduw, bibber ik bijna uit mijn vel van de spanning. De scharnieren kraken en kriepen als deze van de toegangspoort tot een luguber slot. Het is alsof iets mij voor zwaar onheil wil waarschuwen. Met een drukkend gevoel in mijn keel ga ik binnen. Mijn hart slaat over van angst wanneer ik Hendrik roerloos op zijn brits zie liggen. Zou het…? Zonder een geluid te maken, schuif ik mijn kruk bij en zet mij naast hem neer. Ik buig mij over hem heen en stel tot mijn opluchting vast dat hij zachtjes ademt. Tegen een tergend traag ritme zie ik zijn borstkas op en neer gaan. Ik leg mijn hand op zijn voorhoofd om zijn temperatuur te voelen. Zijn haar plakt van ’t klamme zweet. Ik neem de kaars van het tabletje en licht zijn gelaat bij. Het valt mij op hoe geelgroen zijn huidskleur is. Het is alsof er gal door zijn aderen stroomt in plaats van bloed.
“Amice!” fluister ik. “Hoort gij mij? Het is tijd om op te staan. ‘t Feest is al bijna aan de gang.”
Hij antwoordt niet en geeft niet eens blijk mij te horen.
“Hendrik?” Ik schud hem zachtjes heen en weer. “Gij gaat nu toch niet onnozel doen? Tstadt loopt vol met burgers die u willen toejuichen, jongen. Gaat gij dat allemaal aan u voorbij laten gaan omdat gij u wat ziekskens voelt? Ge gaat de eersteplansrol in de poppenkast toch niet aan een ander laten? Ge weet toch wie hem dan gaat opeisen: Leopold! Gij wilt hem toch ook dat plezier niet gunnen? Hoort ge mij, Hendrik?”
Helaas, hoezeer ik ook probeer tot mijn goede vriend door te dringen, er volgt geen spoor van een reactie. Ik vrees dat de grote schrijver ergens halverwege tussen leven en dood balanceert.
Terwijl ik hem zit aan te staren - als een moeder haar doodgeboren kind - voel ik mijn oogleden branderig worden, en wordt mijn blik zo wazig dat alle contouren rondom mij vervagen. Tegelijk is de
stilte, die in de krocht heerst, zo diep, dat ik het bloed door mijn slapen hoor pompen. Het klinkt als zachte voetstappen die zich een weg banen door verse sneeuw. In een flits gaat het door mij heen dat Tstadt intussen misschien verlaten is; dat iedereen zich uit de voeten heeft gemaakt, als dieren die het bos uitvluchten wanneer er onheil op til is…
Ik richt mij op en luister aandachtig, maar dan dringt plots een geroezemoes tot mij door; eerst heel ver en zachtjes, maar langzaam aanzwellend. Het is het geluid van opgewonden stemmen dat naderbij komt, wat eerst een gezoem lijkt als van een grote bijenzwerm, maar dat zich langzaam transformeert tot het luidruchtig gesnater van een vijver vol zot geworden ganzen. Er zijn niet een páár mensen op komst, zo te oordelen, maar een hele volkstoeloop! Tstadt komt weer tot leven. Het onheil lijkt bezworen! Er is feest op til! Ik richt mijn ogen hoopvol op Hendrik, maar nog steeds is er geen beweging in mijn vriend waar te nemen. Terwijl het geluid buiten zich in mijn portaal worstelt, blijf ik ingetogen op mijn krukje zitten, bedaard als een pastoor die de biecht afneemt. En dan gebeurt er iets heel vreemds. Heel even hoor ik een stem tot stilte manen en klinkt er wel uit zeven monden tegelijk een duidelijk ‘Shhht’. Als de uitdovende wiek van een petroleumlamp die zonder brandstof is komen te zitten, neemt het geroezemoes af, tot er niets meer blijft dan een oorverdovende stilte. En dan – plots - als een vuurwerk dat wordt afgestoken in de beslotenheid van de hel, barst er een donderend lawaai los. Een hels kabaal boort zich door de massieve muren van het spekhuis heen als een heet mes door boter en teistert mijn oren. Uitzinnig van vreugde lijkt één of andere muziekkapel het nodig te vinden een militaire hulde aan te heffen, PAL voor mijn deur! Ik denk dat ze zinnens zijn hun longen uit hun lijf te blazen. Ik hoor klaroenen, klarinetten, pijpersfluiten, hoorns, maar ook landsknechten en een heuse schelleboom. Maar het meest enerverende geluid is zonder twijfel dat van de bombardon. Bij iedere stoot die opstijgt uit de koperen trechter van dit imposante instrument, valt het voegsel als poedersneeuw van tussen mijn stenen gewelf.
Het ondraaglijke geweld van de muziekkapel is zelfs bij machte bij Hendrik een flauwe reactie te ontlokken. Niet dat hij zijn ogen opent, maar bij middel van een vaag,  bijna onmerkbaar handgebaar geeft hij mij te verstaan dat hij wil dat ik het luidruchtige corps het zwijgen opleg. Ik sta meteen recht en loop door de dwarrelende mist van poedervoegsel heen. De schouderstukken van de chique veston, waarmee ik voor de gelegenheid ben getooid, komen onder het grijze stof te zitten. Hoestend open ik de deur. Het oergeweld, dat mij als een wild beest tegemoet springt, splijt mijn kop haast in twee. Ik pomp mijn longen vol en roep uit volle borst dat het moet gedaan zijn met dat lawaai, maar ik kan mijzelf niet eens horen. En dan, op het moment dat ik mijn keerborstel wil nemen om heel dat zootje mijn portaal uit te vegen, springt er mij iets anders tegemoet: een burgervader die voor de gelegenheid zijn schoonste kostuum uit de mottenbollen heeft gehaald. Het fiere lijf van ‘monsieur Leopold’ zit in een hagelwit hemd gewurmd, waarover hij een crèmekleurig colbertje draagt dat spant als een dwangbuis. Dáárover draagt hij een zwarte slippenjas waarvan de gouden knopen zo fel blinken dat ik er mijn kop lachwekkend en veelvuldig in weerspiegeld zie als in de reflecterende wanden van een spiegelpaleis. De uiteinden van zijn mouwen en zijn kraag zijn afgewerkt met prachtig goudborduursel. Op het linker borststuk van zijn jas zitten drie, ongetwijfeld zéér belangrijke medailles vast gespeld. Rond zijn nek draagt hij, bengelend aan een fel rood lint, het wit/rode kruis van de orde van Christus, en om het geheel compleet te maken, is zijn strenge kop getooid met een op halfzeven staande steek die afgeboord is met witte pluimpjes die dartelen in een warme zomerbries. Ik heb maar één woord voor zijn folkloristische klederdracht: potsierlijk!  
Schijnbaar wil mijnheer de hoogwaardigheidsbekleder mij iets toevertrouwen, want ik zie zijn mond bewegen, maar ik slaag er niet in een geluid van hem op te vangen. Bij middel van een handgebaar aan mijn oor, waarmee ik verregaande doofheid verbeeld, tracht ik hem op dit feilen te wijzen. Daarop neemt hij mij bij de arm, maar juist wanneer hij mij naar binnen wil begeleiden, valt zijn oog op de zieltogende Hendrik achter mij. Meteen verandert zijn houding. Waar hij net nog een manische gloed over zijn kop droeg, verschijnt nu een donkere blik in zijn ogen. En dan laat hij zowaar een wonder geschieden! Als een Afrikaanse tovenaar, die de natuurelementen beheerst, maakt hij een handgebaar (alsof hij in de vlucht een hommel strikt) en legt daarmee in een oogwenk het integrale muziekkorps het zwijgen op. Enkel de bombardonspeler slaagt er niet in om zijn laatste krachtige ademtocht tijdig in te slikken. Een ultieme forse stoot weerklinkt, waarna een oorsuizende stilte intreedt.
“François, ‘dees’ kan niet!” galmt Leopold met veel te luide stem, omdat zijn verdoofde oren hem het inschattingsvermogen ontnemen. “Nous sommes prêts om met de hele ‘paraad’ te trek naar Tschoon Plein om daar ‘emmekens’ zijn beeld te huldigen, et qu’est-ce que je vois? Mijnheerke lig nog in zijne spond! Op dees uur! Nu hoop ik dat gij mij toch niet gaat komen te expliceren dat er zit nen ‘aar’ in de boter?!”
“Mijnheer Leopold,” zeg ik op de toon van een pastoor die komt melden dat de bestelde lading aflaten niet is toegekomen, “kom misschien twee seconden binnen, maar pak uw hoed af, want mijn deurke is maar hoog genoeg voor één ‘verdiep’.”
Als door de hand Gods geslagen, kijkt mijnheer de burgervader mij aan, plukt zijn steek van zijn hoofd, en propt hem onder zijn bezwete oksel. Even nog legt hij zijn haar in een extra golf en schuift dan zijn lange lijf voorwaarts binnen. Ik sluit onmiddellijk de deur achter hem teneinde het blaaskorps niet de gelegenheid te geven hem voltallig te volgen. Zij mogen in mijn portaal blijven staan bij die andere hoop interessantdoeners die zijn meegekomen om in de schone stoet in de kijker te lopen. Wanneer ik mij omdraai, zie ik dat Leopold reeds als een stijve rietstengel, die geknakt is onder een stormwind, over de zieltogende Hendrik geplooid staat.
“Alors, dingeske,” bast hij, “wat is dat met u? Wij hebben ons gewrong in de onmogelijkste courbes… qu’est-ce que je dis? In ‘oeken’ van negentig graden!- om u ne feest te bied waarover ze binnen tweehonderd jaar nóg zullen spreek. Et wat doet gij? Gij gaat hier in uw lit liggen stink! Gij gaat mij daar op Tschoon Plein toch niet voor Snottepiet laten staan, ‘oop ik?!”
“Doe geen moeite, baas, hij hoort u toch niet,” zeg ik stilletjes. Daarop kijkt mijnheer de burgervader mij  met getorste nek aan.
“’oe wilt ge zeg?” vraagt hij. “Hij is toch ni…”
“Nog niet,” fluister ik, “maar ik vrees da’t niet lang meer zal duren. Hoop en al nog een paar weken, afhankelijk van zijn koppigheid.”
“Gij méént!” doet Leopold. “Parbleu!” Daarop richt hij zijn blik weer op Hendrik en denkt zichtbaar na, wat – naar ik vermoed - niet van zijn gewoonte is. “Zouden we hem toch niet en quelque sorte kunnen meepak?” vraagt hij met lichtjes gedempte stem.
Ik bekijk hem vol ongeloof. “Jazeker,” zeg ik. “Als ge hem op een karreke legt en hem met man en macht de trappen van de Repenstraat ophijst, kunt ge hem voor dood afkappen, vlak voor zijn standbeeld! Maar ik zou dat niet doen, als ik u was. Dat gaat u stemmen kosten bij de volgende verkiezing.”
“Tu penses?” doet hij nadenkend met een gekrulde wijsvinger om zijn mond. Daarop slaakt hij zo’n diepe zucht dat het stof van mijn schouderstukken opdwarrelt. “Allez, hier staan we nu schoon met onze toeters en onze bellen et avec les doigts dans le nez!” foetert hij. “En dan te weet dat heel dat spel hier stukken van mensen heeft gekost. Zouden we hem toch niet en quelque sorte wat kunnen oplap? Er woont hier achter den ‘oek toch een vétérinaire! Zou die ni ne paardenmiddel in zijnen derrière kunne spuit?”
Kijk, ’t is niet dat ik per se wil gezegd hebben dat Leopold een slechte inborst heeft, maar als er iémand het bloed in mijn aderen kan doen kolken, dan is hij het wel. Nog één woord van hem en ik bega een ongeluk, denk ik bij mijzelf! Maar kijk, het is alsof hij het onweer voelt naderen, want juist wanneer ik mij opmaak om een resem volzinnen te produceren, waar hij gegarandeerd van achterover zou slaan, weet hij het minuscule greintje gezond verstand, dat in hem huist, aan te spreken.
“Of weet gij wat? Laat maar,” zegt hij, “we zul het wel stel zónder ‘em! Met ne lijk dat ‘alfdood’ is, zijn we toch niks.” Meteen na die woorden haast hij zich in twee grote passen tot bij de deur, maar nadat hij deze heeft geopend, draait hij zich bruusk om en vraagt: “Maar GIJ, gij kom toch? Als ‘ouwer van de statue, gij zijt toch ook ne klein beetch important.”
“Luistert eens, mijnheer den burgervader, “zeg ik met nauwelijks verholen ingehouden woede, “ziet gij mij nu echt in staat om mijn dierbare vriend hier zomaar achter te laten terwijl hij in nood verkeert, en dat enkel en alleen om mijzelf wat in ’t zonnetje te laten zetten! Nee, merci. Gaat gij maar schoon feesten met uw koperen gevolg en heel de cirque die bij u wilt horen, en neemt gij de egards maar in ontvangst. Gij zijt daar goed in. Ik weet waar mijn plaats is, en dat is hier, bij mijn vriend! Salut!”
Zijn mond staat nu zo ver open dat men er gemakkelijk twee staatsiekoetsen boveneen in zou kunnen parkeren. Het duurt haast een halve eeuw vooraleer hij genoeg adem heeft kunnen happen om een woord uit te brengen. Even denk ik dat ik de volle laag zal krijgen, maar niks is minder waar.
“Alors, comme tu veux!” zucht hij, waarna hij zijn steek op zijn hoofd ploft en mijn portaal in schiet. Terwijl het verbaasde koperen ensemble als een nest uiteen gestampte mieren door elkaar begint te wriemelen, om in allerijl hun slagorde terug te vinden, zet Leopold als een hazenwind koers naar Tschoon Plein. Met een luide klop sla ik de deur achter hem dicht en neem terug plaats naast mijn vriend, die terstond zijn slappe hand op de mijne legt. Ik meen hieruit te begrijpen dat hij mij dankbaar is.