maandag 22 oktober 2012

WIJSGEER


  
Over ieder kind valt wel een novelle te schrijven. Of een kortverhaal. Of een opstel. Of op z’n minst een cursiefje. Maar er zijn zo van die kinderen aan wie je een hele verhalenbundel kunt ophangen. Zo’n kind was ons zoontje. Veel van zijn fratsen en uitspraken zijn binnen de familie legendarisch geworden en kunnen nog decennialang dienen tot hartverwarmend vermaak op koude winteravonden. Het is dan ook onmogelijk om ‘de geschiedenis zijner jeugd’ in een cursiefje te vatten, maar een kleine impressie zal volstaan.

Binnen ons gezin was zoonlief in zijn prille jaren de potsenmaker van dienst. Soms gewild, maar net zo vaak ongewild, meester als hij was in het zich op de hals halen van kleine ongelukjes en misverstanden, het hebben van impulsieve reacties en het verkeerd uitspreken of benutten van uitdrukkingen en begrippen. Hele monologen kun je uitschrijven met door elkaar gehaspelde woorden en kinderlijke versprekingen die hij bleef maken.
“Gaan we vandaag eten in een ‘nestaurant’? En drinken we dan eerst een ‘apetirief’? En mag ik daarna de centjes ‘butalen’?” Het is maar een voorbeeld.
Hoe vaak je hem ook corrigeerde, hij bleef dezelfde fouten maken. Elke dorpskermis was in zijn ogen een ‘Sinksenfoor’, ook al waren we mijlenver van Antwerpen en was het midden november. Eens over de taalgrens waren we in Frankrijk, hoe dikwijls je hem dat ook uit het hoofd trachtte te praten. En twijfelen aan zichzelf deed hij nooit. Toen zijn zus op een keer vroeg: “Een ‘bronchite’, wat is dat eigenlijk?”, antwoordde hij vastberaden en met de intonatie van een professor die voor de zoveelste keer een hardleerse student een eenvoudige wetenswaardigheid tracht bij te brengen: “Weet jij dat dan niet? Vlees op een stokje natuurlijk!”
Een ander voorbeeld: toen we in het bekende pretpark in Kaatsheuvel waren, kwam hij plots proestend van het lachen naar ons toegelopen.
“Mama, mama, weet je hoe die jongen het hier noemt?” Hij wees op een knaap die wat verderop stond en hoorbaar een Hollandse tongval had.
“Nee, hoe?”
“De Efteling!” schalde hij luid.
Toen wij verbaasd vroegen: “Ja, en hoe is het dan volgens jou?” antwoordde hij met de hem typerende vanzelfsprekendheid: “De Nefteling!”
Moesten Vlamingen maar niet altijd die vervelende verbindings-n gebruiken!

Maar niet alleen verbaal wist hij ons keer op keer te amuseren. Zijn impulsieve reacties brachten ook geregeld hilariteit teweeg. Zoals die keer dat we naar het Koninklijk Museum voor Kunst en Geschiedenis in Brussel togen. We hadden de gewoonte om op voorhand bij het ontbijt al wat te vertellen over wat we later die dag zouden zien. Zoonlief, toen amper vier jaar, was altijd erg geïnteresseerd in nieuwe dingen en wilde over alles, en liefst zo snel mogelijk, het fijne weten.
“Wat is een mummie?” vroeg hij nadat ik me dat moeilijke woord had laten ontvallen.
Ik trachtte hem omstandig ‘uit de doeken te doen’ dat een mummie een dode mens is die ze héél lang geleden in repen stof hebben gewikkeld om hem beter te bewaren. Hoe leg je zoiets uit aan een kind?
Toen we die namiddag in de afdeling ‘Oud Egypte’ van het museum halt hielden bij de glazen kist waarin de stoffelijke resten van ‘de borduurster Euphemia’ worden bewaard, stond zoontje reikhalzend naast mij.
“Ik kan niks zien,” zei hij met een pruillip.
“Kom,” antwoordde ik, “ik zal je optillen.”
De reactie die volgde bij het aanschouwen van de mummie met ontbloot gezicht, was hilarisch. Terwijl hij met zijn hele kleine lijfje verschrikt achteruit deinsde, riep hij luid: “Baah, een doodskop!!!”
De hele zaal lachte met ons mee!

Waar je ook naartoe ging met hem, altijd kwam je wel met een verhaal of een anekdote terug. Lachen deden we in het slechtste geval pas achteraf, wanneer het komische van de situatie met enige vertraging tot ons doordrong. Zoals die keer toen we met het hele gezin door de straten van een rustig Italiaans dorpje liepen, en hij het presteerde om met zijn sandaaltje in de meest smeuïge hondendrol ooit te trappen, een okerkleurige bolus, vers van de pers! Terwijl de stront zich bij elke stap meer en meer door zijn tenen wurmde, liep zoonlief nog rustig tien meter verder, tot de temperatuur van het excrement hem op het onheil attendeerde. De verschrikte kop die hij toen trok is onvergetelijk. Mama zag geen andere mogelijkheid dan zijn voet te spoelen onder het drinkfonteintje waaraan het hele dorp zich kwam laven!

Eén keer werden we zo verrast door een uitspraak van hem dat onze lach gesmoord werd in een sterk gevoel van weemoed. We kwamen terug van een uitstapje en hadden hem net vastgeklikt in zijn zitje op de achterbank van de auto toen plots zijn fijne stemmetje weerklonk.
“Weet je…” zei hij. Het was zijn geëigende manier om een nakende mededeling in te luiden. “Als wij groot zullen zijn en jullie klein, dan zullen wij vanvoor zitten en jullie vanachter.”
Mama en ik keken elkaar aan met een mengeling van ongeloof en verbijstering. Zijn opmerking sloeg ons zodanig met verstomming dat we minutenlang geen woord over onze lippen kregen. Er bleek een filosoof van amper zes jaar te hebben postgevat op de achterbank! Dat ons kind geen gewoon kind was, wisten we al langer, maar dat hij op die leeftijd tot het uiten van zulke diepzinnige uitspraak kwam, deed ons werkelijk naar adem happen.

Zelf herinnert onze wijsgeer zich niets meer van dit onvergetelijke moment, maar voor ons is het een oneliner die in ons geheugen gegrift staat als de hiërogliefen in de steen van Rosetta. Over een jaar of dertig zullen wij het misschien ook vergeten zijn. Maar tegen die tijd zitten wij al lang vanachter.

maandag 15 oktober 2012

BLIKKEN



Ik zag hem het café binnenkomen, licht gehaast want veel tijd was er niet meer. Een maand om precies te zijn. Lichtjes rood aangelopen ook, omdat hij zich de pleuris had getrapt op zijn fiets. Die blos stond hem niet onaardig. Partijgebonden huidskleur. Maar het illustreerde helaas ook wat hem de das zou omdoen in de strijd tegen een onvervaarde krijger die schermt met woorden als D’Artagnan met een degen: een zekere terughoudendheid. Verlegenheid zelfs. Ik voelde een koude hand om mijn hart sluiten. Met zijn neergeslagen blik leek de eerste burger van ’t stad zich op te maken om twaalf jaar burgemeesterschap ten grave te dragen. Zijn fietstocht langsheen de Antwerpse café’s leek niet meer dan een laatste stuiptrekking. Een stuiptrekking in de vorm van een krant, een bussel papieren die hij wat achteloos op een tafeltje deponeerde, na wat onwennig de toestemming te hebben gevraagd aan de geblondeerde dame achter de toog. In een zucht was hij weer weg. Er was met niemand oogcontact geweest, behalve heel even met de toogdame omdat het niet anders kon. Pas nadat hij zijn stalen ros weer had bestegen, ging zijn blik de hoogte in. In de weidsheid van de gedempte zuiderdokken vond hij de moed om recht vooruit te kijken, een onzekere toekomst tegemoet.

Een al wat oudere dame aan een tafeltje bij de deur vroeg in onvervalst Antwerps dialect: “Was da na iëne van den tellevees?”
Ik nipte van mijn bolleke en deed er het zwijgen toe. Het schoolmeesterschap is aan mij niet besteed.
“Da was den burgemiëster,” antwoordde de blonde waardin met een uitgesproken achteloosheid, waarmee ze haar voorkeur voor het bedenkelijke sujet met D’Artagnanaspiraties en kille gangsterogen te kennen gaf.
“O! ‘k Doecht da’t iëne van tellevees was,” herhaalde het oude mens haar van geringe intelligentie getuigende opmerking.
Spons over het blitzbezoek van de eerste burger van ‘t stad. Het gepeupel wijdde zich weer aan zijn interessante gesprekken: het met luide stem toelichten van de eigen alledaagse heldendaden.
Ik rees op vanachter mijn tafeltje en nam een krantje van de stapel. Een foto van de burgemeester prijkte op de voorkant. In zijn armen hing wat ongemakkelijk een naakte baby die wegens zijn proportie gefotoshopt leek. De blik van de burgemeester was naar de camera gericht. Het kost weinig branie te kijken in een oog waaruit geen afkeur kan blijken.
Ik doorbladerde de krant en las enkele fragmenten. Het was een schreeuw om steun, om liefde van een man die zich ruim een decennium had ingespannen om een mooie stad ten dienste te zijn. Dat hij zich terdege van die taak had gekweten, ontkende zelfs zijn vervaarlijke tegenstander niet. Maar het volk pleegt zelden zijn stille helden te belonen, zeker niet wanneer deze hun zinnige gemompel overstemd zien door luidkeels geopperd populistisch propaganda van een despoot. Een strijd is nooit eerlijk wanneer deze met ongelijke wapens moet worden gestreden.
“Stoeng er eet interessant in?” vroeg de geblondeerde bollekestapster nadat ik het krantje weer had dichtgeslagen.
“Absoluut,” antwoordde ik met alle overtuigingskracht die ik in mij had.
Mijn aanzet tot verdediging mocht niet baten. Ik ben een slechte advocaat. Mijn korte mededeling beviel haar zichtbaar niet. Ik kreeg haar rug toegedraaid.

Ik weet niet of de burgemeester tijdens zijn fietsronde de bui al zag hangen – te oordelen aan de tranen die de schouderstukken van Bervoets’ jas intussen hebben doordrenkt niet – maar ik zag het na die dag zwart in. Geelzwart. De onvervaarde gangsterogen zouden het halen van de neergeslagen blik, dat leed nog weinig twijfel. Het is onmogelijk een strijd te winnen wanneer je door een aangeboren geremdheid niet bij machte bent een sterkere vijand fier in de ogen te blikken en wat kleinhartig naar de eigen tippen gaat staan staren. Laat ons hopen dat een blik door bittere tranen perspectieven biedt.

zaterdag 6 oktober 2012

SPAANDERS


Zeggen dat ik uit een straatarm gezin kom, zou beelden oproepen van een hopeloos verkrotte woning, troep alom, uitgemergelde lijven en afgedragen kleren. Een huishouden van Jan Steen, kortom. Zo erg was het lang niet. Maar dat we het niet breed hadden, staat buiten kijf. Met zeven aan de tafel, in de schoot van een ouderwets gezin waar vader de enige kostwinner was en moeder zich over de huishoudelijke taken boog, bood nooit enige garantie op overvloed, in welke zin dan ook. Maar uitgemergeld waren we niet. Echte honger hebben we nooit geleden omdat vader na zijn dagtaak bijkluste, soms tot diep in de nacht. Het feit dat ik graatmager door het leven ging, was niet het gevolg van ontbering, het was mijn constitutie. Een verkrotte woning hadden we evenmin. Vader had de euvele moed gehad om tegen de wil van moeder in een deel van zijn schaars loon maandelijks te spenderen aan een gloednieuw rijhuisje in een kersverse verkavelingswijk. En troep was er ook nooit, daar zorgde een op netheid gestelde moeder wel voor. Alleen wat onze kleren betrof, kwam het etiket 'afgedragen’ sterk in de buurt. Als er op uitgaven werd bespaard, dan was het in de eerste plaats daarop. Truien en broeken waar de oudste broer was uitgegroeid, kreeg de volgende om het lijf. En als ze dan nog niet tot op de laatste vezel versleten waren, bewaarde moeder ze in de mottenballen tot ik ze tien jaar later aankon. Niet prettig voor mij omdat de mode in een tijdspanne van een vol decennium haast onherkenbaar veranderde. Bovendien had ik een heel andere lichaamsbouw dan mijn broers, waardoor ik in de breedte zwom in de broeken, maar altijd met 'water in de kelder' rondliep, terwijl de schouders van slobbertruien aan mijn ellebogen hingen. Pesterijen op school waren het gevolg.
Soms kreeg moeder kleren toegestopt van mensen uit de buurt die wisten dat we het niet breed hadden. Zo kwam ik op een dag in het bezit van een volledige garderobe van een jongen die niet veel ouder kon zijn geweest dan ik, aangezien zijn kleren nog niet hopeloos uit de mode waren. Dat deze jongen zijn kleren niet meer nodig had omdat hij het leven had gelaten in een ongeluk met zijn brommer, zat me niet lekker, maar ik trachtte me er overheen te zetten... tot ik het eerste hemd wilde aantrekken en een vage roestbruine vlek ontdekte op de rugzijde. De link met bloed was vlug gelegd. Of de ongelukkige jongen het bewuste hemd droeg de dag dat hij verongelukte, weet ik niet met zekerheid, maar ik heb nooit nog iets van zijn garderobe willen dragen. Dan nog liever in oude lompen.

De meubels waarmee ons huis was uitgerust, waren net als onze kleren overwegend tweedehands, zodoende liep ook ons interieur vijfentwintig jaar achter op de gangbare mode. Tijdens de prille jaren zeventig, waarin andere huiskamers in fel neonlicht baadden en de meubels en bloemen van plastiek waren, leefden wij in een decor van een oorlogsfilm. Je kon je de binnenvallende nazi's zo voorstellen, op zoek naar dat achter een valse wand verborgen achterhuis.
Het enige meubelstuk waarop ik dol was, was een antieke piano die in de voorkamer stond: een pikzwart instrument, voorzien van een koppel tweebenige koperen kandelaars. Niet dat iemand van ons het pianospelen echt meester was. Het instrument had louter een decoratieve functie. Toch klapte ik af en toe het toetsendeksel open en schoof een krukje bij om mijn naaste gezinsleden met wat muziek te verblijden. Ik liet dan mijn vingers over de toetsen roffelen zoals ik wel eens een echte pianist op de televisie had zien doen. Het kakofonische geluid dat ik veroorzaakte klonk enkel mezelf als muziek in de oren. Wellicht daarom dat grote broer op een dag voorstelde me een melodietje aan te leren. Het was een Frans liedje dat ik grootmoeder wel eens met stevige tremolo en bevende onderkin had horen vertolken, en dat de welluidende titel 'Frère Jacques' droeg.
Al na enkele dagen verbeten oefenen, had ik het huzarenstukje behoorlijk in de vingers. Het zou nog een kwestie van tijd zijn vooraleer ik werd uitgenodigd om een concert te geven in een uitverkochte Elisabethzaal. Helaas! Of mijn pianospel ooit een aanvaardbaar niveau zou hebben gehaald, zal ik nooit weten, want niet lang daarna voltrok zich een drama. Het begon nochtans goed, want voor het eerst in het bestaan van ons kroostrijk gezin zouden we met z'n allen op reis gaan. Wegens het ontberen van de nodige financiële middelen was dit nooit eerder gebeurd.
Vader en moeder hadden een hotelletje geboekt in Zwitserland. We verkasten voor tien dagen naar het hooggebergte! Jodelahitie! Ik was acht en had een geweldige tijd. Ik genoot mateloos van de boottochten op het meer van Genève, de bergwandelingen en de feestelijke avonden waar Belgiës recentste songfestivaldeelneemster Tonia de boel kwam opvrolijken. Deze Brusselse zangeres met Nederlandse roots was wellicht de eerste vrouw in mijn jonge bestaan die me een lichte kriebel in de onderbuik bezorgde. En toch ging mijn aandacht vooral uit naar de pianist die haar begeleidde. Ik zag de man de toetsen van zijn instrument met overgave beroeren en droomde ervan zijn plaats in te nemen.

Enkele dagen later verliet ik Zwitserland met een dubbel gevoel. Enerzijds ging ik gebukt onder een zekere droefheid omdat de droomvakantie al over was, maar anderzijds kon de trein niet gauw genoeg in Lier zijn. Ik kon niet wachten om mijn 'Frère Jacques' te perfectioneren.

Thuisgekomen stormde ik meteen naar de voorkamer. Maar op de plaats waar de piano altijd had gestaan, trof ik vreemd genoeg een lege plek aan. De contouren van het instrument tekenden zich af op het verschenen behang.
Terwijl de anderen de koffers binnendroegen, ging ik als een speurhond op zoek naar het vermiste klavier, dat mijns inziens niet zomaar ineens in rook kon zijn opgegaan. Ik vond de restanten terug op de open koer achter het huis. Mijn piano lag aan spaanders, en de bijl waarmee ze de vernieling was in geholpen, lag er nog naast. In paniek holde ik naar moeder om haar het vreselijke onheil te melden, maar ze was allesbehalve verrast. Meer nog, ze bleek zelf de opdracht aan grootvader gegeven te hebben om dat oude meubel, waar naar het scheen de houtworm in woekerde, tot brandhout voor de winter te verwerken. Ik was verbijsterd en huilde bittere tranen. Machteloos zette ik me neer op de hoop schroot waartussen ik enkel nog de toetsen herkende. Mijn schitterende toekomst lag aan diggelen. De mensheid zal nooit weten wat een voortreffelijk virtuoos aan mij verloren is gegaan.



zondag 30 september 2012

MURPHY



Wie kent hem niet, ouwe gabber Murphy? Geen mens kan zich zijn beeltenis voor de geest halen. Haast niemand weet wanneer hij leefde of waar hij vandaan kwam. Geen roddelblad heeft ooit een artikel aan hem gewijd. Nooit is publiek gemaakt hoeveel buitenechtelijke relaties hij er op nahield, wie zijn vrouw was en wanneer ze ongesteld was, en in welke onverkwikkelijke disciplines zijn kinderen uitblonken. Maar iedereen kent zijn wet: de veelbesproken wet van Murphy! En wat erger is: iedereen krijgt er in zijn leven meermaals mee te maken, de ene al wat frequenter en noodlottiger dan de andere. Het is wellicht de meest verbreide wet ter wereld. Dat komt omdat het geen echte wet is, noch een twijfelachtig decreet in het leven geroepen door een halfslachtige politicus, maar een wetmatigheid, een natuurlijk fenomeen dat voor het eerst door Murphy werd beschreven en daarom zijn naam draagt.

Hét klassieke en telkens aangehaalde voorbeeld om de betreffende wet te duiden, luidt: “Laat je een gesmeerde boterham vallen, dan valt hij altijd met de gesmeerde kant naar beneden.” Hiermee is in principe alles gezegd, maar er zijn nog zoveel mooie voorbeelden dat ik er graag enkele van de opmerkelijkste citeer:
“Als je twee toetsen tegelijk aanslaat op je computerklavier, verschijnt altijd de verkeerde letter op je beeldscherm.”
“Een schone stropdas trekt altijd de soep van de dag aan.”
“Tachtig procent van het examen gaat over die ene les die je hebt gemist.”
“De file aan het naburige loket gaat altijd sneller dan degene waar je zelf in staat.”
“De bus uit de tegenovergestelde richting komt altijd eerder aan dan degene waarop je wacht.
En tot slot nog deze: “Degene die snurkt, valt altijd eerst in slaap”.
Soms zijn ze treffend, soms amusant, maar wat alle voorbeelden gemeen hebben, is dat ze je een gevoel van herkenning bezorgen.

Zelf kan ik een lijvig boek vullen met opmerkelijke illustraties van hoe ik meermaals te maken kreeg met ‘Murphy’s law’. De meeste zijn echter te banaal en alledaags om er woorden aan vuil te maken. Een opsomming zou al gauw tot verveling leiden. Maar één van de meest opmerkelijke staaltjes van de betreffende wetmatigheid wil ik jullie niet onthouden.

Het voorval gebeurde in de periode dat ik nog in de mening verkeerde dat ik het ooit tot stervoetballer zou schoppen. Het veld waar we als 'straatploegje zonder middelen' onze trainingen hielden, was een oude koeienwei vol kuilen en plukken wild gras, die het voetballen tot een hachelijke onderneming maakten. Het lag naast een onteigende hoeve die mettertijd plaats zou ruimen voor de ringweg rond de stad.
Achter één van de doelen van ons 'aardappelveld' bevond zich een klein dichtbegroeid bosje, dat een slordige honderddertig vierkante meter besloeg.
Op een dag vond ik niet ver van het doel waarin ik had postgevat, verborgen in het gras dat onbespeelbaar hoog stond, een vuistgrote steen. Hoe die steen op het veld terechtkwam, zal altijd een raadsel blijven, maar aangezien hij een gevaar vormde voor lijf en leden, diende hij zo snel mogelijk verwijderd te worden.
Terwijl mijn ploegmaats met veel overgave het veld trachten over te ploeteren zoals soldaten het niemandsland tussen twee vijandelijke loopgraven, raapte ik de steen op, en gooide hem achteloos in een hoge boog achter mij het bosje in. Na een ongetwijfeld fraaie vlucht door de ijle lucht, dook de steen hoorbaar het dichte bladerdek in, waar hij zich fel ritselend een weg zocht naar beneden. De doffe plof die volgde, deed me vermoeden dat de steen veilig op de grond was terechtgekomen. Helaas... na een secondelange onheilspellende stilte weerklonk plots een ijzingwekkend kinderlijk geschrei dat als een aangezwengelde sirene langzaam aanzwol. Ik voelde mij koud worden over heel mijn lichaam, draaide me om en zag tot mijn afgrijzen het tienjarige broertje van een ploegmaat het bosje uit komen gestrompeld, hevig bloedend aan het hoofd. De steen had feilloos de weg naar zijn onvolgroeide kinderhoofd gevonden.
Terwijl ik de ene uitbrander na de andere te verduren kreeg en verging van schuldgevoelens, werd de jongen in allerijl naar het ziekenhuis gebracht, waar een zevental hechtingen in de hoofdhuid werden aangebracht en een stevige hersenschudding werd vastgesteld.

Sinds die dag heb ik mijn eigen variatie op de wet van Murphy:
Als je achteloos een steen in een dichtbegroeid bosje gooit, dan valt die steen steeds op die ene persoon die net in dat bosje rondloopt.”

Tot slot nog even dit: Edward Aloysius Murphy was een Amerikaans ruimtevaartingenieur die leefde van 1918 tot 1990. Zijn oorspronkelijke wet luidde samengebald: “If theres any way they can do it wrong, they will”. De vrouw van Murphy was een lelijk wijf met rotte tanden, scheefgegroeide tenen, schimmelnagels en hangtieten, die bovendien erg onregelmatig menstrueerde. De kinderen van Murphy waren stuk voor stuk doorzopen leeglopers, drugsverslaafden en/of verstandelijk gehandicapten.....
Hoewel wellicht enkel de eerste twee beweringen van deze epiloog op waarheid berusten, doet het – in naam van de hele geteisterde mensheid – deugd om eindelijk eens wraak te kunnen nemen op de man wiens naam onlosmakelijke verbonden is met tergend onheil.



Beste lezers,

Een geluk dat mijn kar niet van de kleinste is, want 'het stad' is er opgesprongen!
In samenspraak met Michaël Vandebril, coördinator van Antwerpen boekenstad, is besloten om de release van mijn boek met dik twee maanden uit te stellen. Op 3 december 2012 zal het namelijk precies tweehonderd jaar geleden zijn dat Hendrik Conscience in Antwerpen het levenslicht zag, en men wil deze gebeurtenis luister bijzetten door een aantal feestelijkheden te organiseren. Het uitbrengen van mijn boek zal daar deel van uit maken. Er zal rond die tijd een officiële boekvoorstelling worden georganiseerd in de stadswinkel van het stadhuis. Ook zal ik uit eigen werk voorlezen op een literaire avond die in het teken staat van Conscience. En ten slotte zijn er plannen om een literaire wandeling in elkaar te steken met als thema 'de locaties uit de vergeten kronieken van Tstadt' die zou vertrekken vanuit café Quinten Matsijs, en dit naar analogie van de Elsschot-wandeling die daar reeds jaren wordt georganiseerd.
Dit alles brengt dus mee dat één en ander on hold wordt gezet. Desalniettemin blijft de verkoop van het boek in de Standaard boekhandel gewoon doorgaan.

Groeten,

Lou

maandag 24 september 2012

EEN VRIENDELIJK VOLK


    
Sinds vader tijdens de begrafenis van moeder een blik in zijn eigen graf wierp, leeft hij in een waas van herinneringen. Een gesprek over hedendaagse dingen is met hem nog nauwelijks te voeren. Zijn begripsvermogen is dermate afgetakeld dat hij je soms met grote ogen vol vertwijfeling aankijkt als je het over de meest alledaagse dingen hebt. Een telefoon of een scheerapparaat herkent hij als dusdanig soms niet meer. Zijn geheugen is verworden tot een zwart bord dat met een slecht uitgeklopte bordveger is gewist, en waarop nog slechts hier en daar enkele vage woorden te onderscheiden vallen. Enkel het verre verleden zit hem nog merkwaardig fris in het geheugen. Met een flinke dosis weemoed denkt hij met de regelmaat van een klok terug aan de tijd toen hij een prille twintiger was. Een tijd die hij als zorgeloos heeft ervaren, wat - gezien de wereldbrand die toen woedde - wel heel merkwaardig kan worden genoemd. Jawel, je leest het goed: de mooiste tijd van vaders leven speelde zich af tijdens de tweede wereldoorlog. En dan te weten dat hij in die periode, waarin de aardkorst door bommenregens werd omgewoeld, vier jaar lang in de heimat van de vijand vertoefde, in Berlijn om precies te zijn... volkomen vrijwillig. Dus geen verplichte tewerkstelling zoals je misschien denkt en zoals velen van zijn tijd- en generatiegenoten ondergingen, maar een zuiver vrijwillige. Weliswaar uit noodzaak. Want in Vlaanderen lagen de jobs toen niet voor het grijpen en het hongergevoel knaagde.

Tot zover laat het gezonde verstand nog enig begrip toe. Moeilijker te vatten echter is dat vader deze jaren als de mooiste tijd van zijn leven heeft ervaren.
“Dat komt”, zei hij toen het hem nog geen onmenselijke inspanning kostte om op woorden te komen, “omdat het Duitse volk zo vriendelijk en toegankelijk was.”
Kijk je ervan op dat we vader wel eens van foute sympathieën hebben verdacht? Onterecht zo blijkt. Vaders genegenheid is immers nooit uitgegaan naar in zwart leer gehulde militairen met hakenkruisen op de borst, maar wel naar de gewone Duitse burger die het allemaal 'nicht gewusst' heeft! Heel nobel van hem. Maar de overgave waarmee vader de vijand heeft gediend, doet zelfs nu nog menig wenkbrauw fronsen. Hielenlikkend heeft hij zich opgewerkt van pakjesbezorger over coupeur tot 'schnittmeister'... voor moffenkledij. Dat op zich al kan als bedenkelijk worden beschouwd. Maar toen het pleit voor de West-Germanen bijna verloren was en de nazi's hun laatste offensief inzetten, en daar alle mogelijke werkkrachten voor nodig hadden, werd hij zonder morren ijzersmelter in een fabriek waar bommen en ander oorlogsmaterieel werden vervaardigd! Nooit stelde hij zich bij deze bedenkelijke werkjes vragen; nooit ondernam hij een poging om dwars te liggen en de boel te saboteren.

En toch heeft vader één 'heldendaad' op zijn actief, een impulsieve reactie die in zijn voordeel pleit. Nadat geallieerde vliegtuigen op zekere nacht weer eens een zoveelste bommentapijt op Berlijn hadden gelegd en enkele van zijn Duitse collega's daar 's anderendaags hun beklag over deden, liet vader zich onbedacht ontvallen “dat zij dit niet voor niets deden”. Dat zo'n uitspraak niet in goede aarde viel, mag niet verwonderen. Heulen met de vijand werd in nazi-Duitsland immers niet geduld. Zelfs het koesteren van sympathieën voor de verdedigers van het eigen vaderland werd niet getolereerd. Vader moest zich diezelfde dag nog bij een hoge pief verantwoorden voor zijn boude uitspraak. Hij trachtte zijn woorden te plaatsen door te zeggen dat het niet abnormaal was dat de vijand bommen gooide, aangezien het nu eenmaal oorlog was. Maar de Duitse logica zat toentertijd anders in elkaar. Deportatie naar een strafkamp dreigde. Gelukkig had de rechtstreekse chef van vader het hoog op met die gedienstige en overijverige Belg die zich verder nergens vragen over stelde. Als wederdienst voor zijn trouw hield hij hem wel even de hand boven het hoofd, en wist hij de hoge pief ervan te overtuigen dat vader meer van nut was in de smelterij dan in een strafkamp. Vader kreeg een forse waarschuwing, waarna hij weer aan het werk mocht… tot hij enkele weken later een geut gesmolten ijzer over zijn onderste ledematen kreeg, en de oorlog als een gewond slachtoffer mocht uitzitten.

Pas na de oorlog kon vader weer naar België versassen, wat hij merkwaardig genoeg node deed. Duitsland, en in het bijzonder Berlijn, beviel hem zo dat hij er naar eigen zeggen best voorgoed had willen blijven, ware het niet dat hij “hier een lief had zitten”. Een acceptabele reden om terug te keren.

Nu de nevelen der oorlog al even zijn opgetrokken en ikzelf enkele keren Duitsland heb verkend, moet ik vader alvast op één punt gelijk geven. Afgezien van de vettige spijzen en fletse bieren is het er goed toeven. En ja, het Duitse volk is een uitermate toegankelijk én vriendelijk volk... Al durf ik er mijn hele hebben en houden op te verwedden dat geen enkele van de miljoenen slachtoffers van de Holocaust, bommenregens, vuurpelotons en gasovens deze stelling zou bijtreden, moest hen de mogelijkheid daartoe niet op een wreedaardige manier ontnomen zijn door datzelfde ‘vriendelijke’ volk.

maandag 17 september 2012

VERGANKELIJK



Na het afslaan van de motor daalde er een indrukwekkende stilte neer over het kerkhof. Nooit gedacht dat het in het overbevolkte Vlaanderen nog zo stil kon zijn. Heel even verkeerde ik in de mening dat de emoties mijn gehoorgangen hadden afgesloten, maar ik hoorde wel degelijk het dichtklappen van de portieren en het schuifelen van tientallen voeten op het droge korzelige zand, een irriterend geluid waarvan de haren op mijn armen overeind gingen staan.
Ik keek om me heen om te zien welke vrienden en familieleden de karavaan naar het kerkhof gevolgd waren, en knikte vriendelijk naar enkele gezichten die ik in geen eeuwen nog gezien had, en die in die tijdspanne tekenen van sleet waren beginnen te vertonen.

Stuurloos als een zwerm defecte bijen waaierden we uit over het brede middenpad van het grote kerkhof, op weg naar de plaats waar moeder voorgoed te rusten zou worden gelegd. Een eind verderop hield de lijkwagen halt. Op de passagierszetel zat een hoopje ellende dat vader moest voorstellen. De man, ooit een reus van een mens voor wie we beefden als hij alleen nog maar streng naar ons keek, kwam nog amper boven de onderkant van het raampje uit.

Zacht pratend liepen we met z’n allen in de richting van de gapende kuil. Mijn aandacht werd onwillekeurig getrokken door het hese gekrijs van een paar grote zwarte kraaien die in slow motion een 'danse macabre' leken op te voeren op de zerk van een scheefgezakt graf. In mijn verbeelding waren het gieren die zich opmaakten voor het nuttigen van een smakelijke maaltijd. Ongewild kwam me een scène voor de geest uit een film van Alfred Hitchcock, waarin een man na een gerichte aanval van een zwerm vogels dood achterblijft met leeggepikte oogkassen. Ik gruwelde en liep verder.

Moeder was de eerste die zou begraven worden op een nieuw perceel van het immense kerkhof. Een diepe kuil gaapte in een troosteloos woestijnlandschap van omgewoelde aarde: een kurkdroge zandgrond waaruit hier en daar een schaars plukje onkruid priemde. Ik ondersteunde vader, die als gevolg van een ongeneeslijke spierziekte zo mank liep als een oorlogsveteraan, om hem ongehavend het braakliggend terrein over te laten komen. Zijn zwarte wandelstok kreunde onder de voortdurende druk die hij er op uitoefende. Zwijgzamer dan ooit liep hij naast mij. Zelfs als ik hem aansprak, gaf hij geen krimp. Mijn woorden leken niet tot hem door te dringen, en zijn ogen, die onafgebroken op de oneffen grond gericht bleven, verrieden verre afwezigheid. De dood van de vrouw met wie hij tweeënzestig jaar lief en leed had gedeeld, had hem zichtbaar gekraakt. Niet dat de liefde nog zo groot was, maar de ontreddering door haar plotse afwezigheid was erg ingrijpend.

In totale wanorde stonden de rouwenden over het nieuwe perceel verspreid rustig keuvelend alsof ze een huwelijksreceptie bijwoonden in de tuin van een kasteel. De priester moest de hulp van de begrafenisondernemer inroepen om zijn kudde schapen bij elkaar te drijven.
Pas toen hij zeker was dat iedereen aandachtig was, begon ‘de herder’ aan het afdreunen van zijn litanie. Hoewel de meesten onder ons geen voeling hadden met het katholieke geloof, luisterden we ingetogen naar zijn preek.

Nadat de priester zijn ultieme zegen had uitgesproken, en we om beurten met een in wijwater gedoopt buxustakje hadden staan zwaaien, werd ons duidelijk gemaakt dat we mochten beschikken. Tegenwoordig wordt de teraardebestelling immers pas voltrokken nadat de aanwezigen de rug hebben gekeerd. Maar daar was ik het niet mee eens. Een toneelvoorstelling is ook maar afgelopen wanneer het doek is gevallen. Ik wilde de lijkkist in het graf zien afdalen. Pas dan zou de begrafenis volbracht zijn.
Ik sprak de priester er op aan, en meteen bleek dat ik lang niet de enige was. Een groot deel van de aanwezigen schaarde zich achter mij. De geestelijke zag geen andere mogelijkheid dan onze wens in te willigen.

Terwijl de grafdelvers zich zonder een spoor van emotie of plichtpleging van hun macabere taak kweten, viel mijn oog op vader, die eveneens was blijven staan en nauwlettend toekeek hoe de kist langzaam in de diepe kuil werd neergelaten. Er stond een grote lijdzaamheid op zijn gelaat te lezen. Maar toen de doodgravers hun dikke touwen weer hadden opgetrokken, en iedereen aanstalten maakte om weg te gaan, zag ik hem plots, aan de arm van mijn zus, naar de rand van de kuil toe schuifelen. Met zijn wankele voeten houvast zoekend op het opgeworpen zand, boog hij zich vervaarlijk over de gapende diepte: een verkillend tafereel dat op mijn netvliezen gebrand staat. Heel even flitste het door mijn hoofd dat hij moeder achterna wilde springen, maar hij bleek geen plannen in die richting te hebben. Later, aan de koffietafel, sprak ik hem er over aan. Hij vertrouwde me toe dat hij wilde zien waar hij over afzienbare tijd zelf zou worden begraven. Hiermee sprak hij een dappere berusting uit.

Enige tijd later verlieten we de koffietafel. Ik liep hand in hand met mijn dierbare vrouw naar de auto. Haar greep was stevig en liefdevol. Ze kent me. Ze weet dat ik sterk oog, maar dat in mij een vulkaan van emoties woedt. Ze herinnerde zich hoe ik gehuild had toen we haar eigen grootmoeder begraven hadden, een mens dat ik hooguit tien jaar had gekend. De dood kan me diep beroeren. Ik ben er nooit klaar mee. 

Ik nam plaats in de auto en keek naar mijn schoenen, die ik 's morgens uitzonderlijk een flinke poetsbeurt had gegeven. Het opdwarrelende stof had een grijze patina op de tippen gelegd. Het kwam me voor als een tastbare metafoor voor de vergankelijkheid van het leven.