Beste lezers,
Er zitten nog een massa cursiefjes aan te komen, maak jullie vooral geen zorgen. Helaas neemt mijn ander schrijfwerk heel wat tijd in beslag en moet ik me zowat in vieren delen om alles uit mijn brein geperst te krijgen. Ik kan dus niet beloven dat er nog klokvast elke week een cursiefje zal verschijnen op mijn blog. Indien gewenst kunnen jullie intekenen met jullie e-mailadres op 'follow by e-mail', dan krijgen jullie automatisch een berichtje toegestuurd wanneer ik weer een nieuw stukje heb gepubliceerd. Handig en makkelijk zat.
Alvast prettige feestdagen toegewenst en tot one of these days
Deloux
zondag 23 december 2012
zaterdag 15 december 2012
SUPERMAN
Ik heb weleens een jongetje van acht in
woede zien ontsteken alleen maar omdat een treiterig vriendje zich laatdunkend
had uitgelaten over zijn vader. Kinderen van die leeftijd, ten prooi aan blinde
adoratie, hebben de gewoonte hun helden onvoorwaardelijk te verdedigen. Een mooi
maar wat naïef trekje. Zelf was ik nochtans niet anders. Ook ik ging in die
tijd voor mijn held door het vuur. Enkel jammer dat ik hem nooit aan de
ontbijttafel trof, zoals de meesten van mijn vriendjes. Mijn grote voorbeeld
hield zich op in een klein kastje in de woonkamer, achter een bol scherm waarop
hij één keer per week in sombere zwart-wittinten en lichtjes korrelig werd
geprojecteerd. Moet het verwondering wekken dat ik meer dan eens overvallen werd
door een opstoot van jaloersheid, wanneer ik weer eens een jongetje koesterend
aan de nek van zijn vader zag bengelen. Papa hoort immers de enige échte grote
held te zijn van jongetjes van acht, niet een wat vreemde kerel die, getooid
met een goedkoop plastieken masker en gezeten achter het stuur van een auto
waar de vlammen uitslaan, het onuitroeibare kwaad in de wereld tracht te
bestrijden! Ik had graag - zoals andere kinderen - kunnen pochen dat ‘mijn papa’
de stoerste van de wereld was, niet bang om desnoods die vijfkoppige draak uit
mijn nachtmerries te lijf te gaan. En ik had met hen in dispuut willen treden
over het feit dat MIJN papa zonder twijfel de slimste was, aangezien hij op
iedere vraag die ik stelde het sluitende antwoord wist.
Helaas liep het bij vader zo’n vaart niet.
Ik vond 'mijn papa' helemaal niet stoer. Hoewel hij groot en zonder meer angstaanjagend
was, zag ik hem niet dadelijk een draak te lijf gaan, zelfs niet één met maar een
kop of twee. Bovendien luidde op eender welke waarom-vraag die ik stelde zijn
antwoord steevast "Daarom!" Geen juiste attitude voor een held.
Nee, het lijdt geen twijfel dat heel
wat jongetjes van acht in hun dromen vaak hun papa door het luchtruim zien
klieven, één gestrekte arm voor zich uit, een lange rode mantel achter zich aan
wapperend, een grote sierlijke 'S' op de borst die staat voor 'Superpapa'! Ik
heb ook vaak over vader gedroomd, maar nooit kliefde hij door de lucht. Hij
stond met zijn twee van schimmelnagels voorziene voeten altijd stevig op de
grond. En op zijn borst prijkte geen 'S', maar een grote 'B'. Van boeman. Niet
dat vader een slechte man was, maar hij was doorgaans wat kort aangebonden en
ruw, en bovenal liet hij zich al te vaak opjutten door moeder die hem met
plezier als schrik opvoerde.
Toch heb ik één keer kortstondig in de
waan verkeerd dat ik op het punt stond de superman in mijn verwekker te
ontdekken. Het was op een mooie lentedag. Ik had net mijn eerste fiets gekregen
voor mijn verjaardag: een wankel geval dat te klein geworden was voor mijn opgroeiende
broer en dat voordien nog aan een andere jongen had toebehoord, die het jaren
daarvoor had overgenomen van een vriend van hem. Of zoiets. Vader zou me -
weliswaar onder lichte druk van moeder - leren fietsen. Er stond plots heel wat
te gebeuren in mijn jonge leven.
Terwijl vader met zijn koolschoppen van
handen mijn stalen ros in bedwang hield, sloeg ik met enige moeite mijn been voorwaarts
over de horizontale buis en hief mijn achterwerk op het afgeleefde lederen
zadel. Om me te helpen gauw vaart te maken, zou hij me een fikse duw geven,
waarna het een fluitje van een cent zou zijn om de hele straat uit te rijden. Het
enige waar ik moest voor opletten, was dat ik niet tegen één van de jonge
boompjes aan knalde waarmee het hele voetpad in de straat was afgezoomd.
Ik hoorde de grote voeten van vader
zwaar op de straattegels ploffen, terwijl ik langzaam aan snelheid won. Op het
moment dat hij me losliet, kneep ik krampachtig in de verduurde handvatten van
het stuur. Freewheelend als een afgehaakt zweefvliegtuig zocht ik vervolgens mijn
weg over het voetpad. Heel even voelde ik me als een engel op een wolk, maar dan
zag ik plots vanuit het niets zo'n jong boompje voor me opdoemen. In paniek
trachtte ik een botsing te vermijden, maar hoezeer ik ook aan mijn stuur trok,
het lukte me niet om van koers te veranderen. En waar de remmen stonden, had
vader nagelaten te vermelden. Een ogenblik later hing ik als de slingerende
rank van een haagwinde rond de stam van het boompje gedraaid, terwijl ik
angstvallig mijn vervaarlijk slagzij makende fiets tussen mijn knieën geklemd
hield om verdere averij te vermijden. Mijn hele tengere lijf deed pijn, maar
daar schonk ik geen aandacht aan. Ik werd helemaal in beslag genomen door de
gedachte dat het grote moment, waarop mijn superman in actie zou treden, was
aangebroken. Ik zag vader in mijn verbeelding reeds een arm voor zich uitstrekken,
zich losmaken van de grond en naar me toe komen zweven, waarna hij mijn ranke
lijf vakkundig van het boompje zou wikkelen, en me in zijn sterke armen te
rusten zou leggen.
Helaas... toen ik met enige moeite het
hoofd wist te draaien, kon ik enkel vaststellen dat mijn held al lang de vlucht
naar binnen had genomen. Op dat moment verkreeg ik zekerheid: het zou me nooit gegund
zijn toe te kijken hoe mijn eigen persoonlijke superman aan de ontbijttafel zijn
boterhammen zat te smeren.
Van verdere fietslessen is nooit nog iets
in huis gekomen, maar ach... nu, vijfenveertig jaar later, ben ik een
voortreffelijk fietser. Ik lijk wel met een stalen frame tussen de benen geboren
te zijn. Wellicht zal iedere topsporter het wel beamen: de harde leerschool is
de beste.
maandag 10 december 2012
TANDEN DES TIJDS
De Engelse term 'beats per minute' was in die tijd nog niet
uitgevonden, maar het lijdt geen twijfel dat Rozeke heel wat jongensharten
sneller heeft doen slaan. Zelf was ik amper uit de luiers, maar toch was ook ik
niet blind voor haar innemende verschijning. Niet dat Rozeke een klassieke
schoonheid was. Als fotomodel zou ze schromelijk hebben gefaald. Ze was niet
groot, niet knokig slank, had geen eindeloze benen, geen lange blonde haren,
maar Rozeke was liefelijk en zo ontwapenend sympathiek dat je al een
vrouwenhater moest zijn om niet getroffen te worden door haar verschijning. Ze
was op haar manier betoverend mooi. Haar hoofd was bedekt met een schier
onontwarbare hoop donkerbruin kroezelhaar dat ze nonchalant - maar o zo
charmant - samenbond met een kleurige strik, en ze had een oogopslag waarin een
onoplettende bader probleemloos verdrinken kon. Maar haar grootste troef waren wellicht
haar tandjes. Als haar lippen uiteenweken om de beminnelijke lach te vormen die
zowat op haar gezicht gebeiteld stond, verscheen de mooiste rij bijtertjes die
ik ooit te aanschouwen had gekregen. Geen snijtand was langer de andere, geen
hoektand scherper; nergens vertoonde haar gebit een spleetje of een
oneffenheid; geen zerkje dat wat scheef stond of afweek van kleur. De ware
perfectie.
Hoewel ze de droom was van vele jongens was Rozeke onbereikbaar.
Rozeke was namelijk jong gehuwd. De gelukkige die haar aan de haak had
geslagen, was Guy, een psychiatrisch verpleegkundige die zijn ideologisch
gedachtegoed etaleerde met lange Christusharen en een specifieke klederdracht.
Guy was - wat men noemt - een geitenwollensokkendrager. Zomer en winter liep
hij gehuld in een wat slobberige salopet - waaronder hij bij voorkeur een
loszittend kleurig bloemetjeshemd droeg - en bruinlederen sandalen waar zijn
tenen uitpuilden als volgroeide champignons. Op zijn kin woekerde een baard als
een volwassen kraaiennest.
Guy droeg het aura van een gelukkig man over zich, wat me niet
mocht verbazen aangezien hij het liefdesnest mocht delen met wellicht het beminnelijkste
meisje uit de streek.
Guy en Rozeke waren een stel om jaloers op te zijn:
onafscheidelijk, altijd lief en attent voor elkaar, nooit een spoor van
onenigheid. Zij golden in mijn ogen als het schoolvoorbeeld van hoe een relatie
hoort te zijn. Wat een verschil met onze ouders, waar sleur en gewoonte de vlam
der liefde al lang hadden gedoofd.
Maar op een dag verscheen Guy plots alleen ten tonele, nadat
er wekenlang van het voorbeeldige paar geen spoor was geweest. Tot mijn
verbazing had de verpleger op die tijd een indrukwekkende metamorfose
doorgemaakt. Zijn sandalen hadden plaats gemaakt voor stevige lederen schoenen,
het gekleurde hemd voor een witte polo en de salopet voor een pikzwarte, strak
zittende spijkerbroek. Zijn haren waren kortgeknipt en met gel achteruit gekamd
en zijn kin gladgeschoren als de billen van een boreling. De fleurige hippie
had plaatsgemaakt voor een donkere rocker. Kennelijk ook innerlijk. Hij droeg
een opmerkelijke somberte over zich. Na wat rondvragen kwam ik te weten dat
Rozeke en hij uit elkaar waren gegaan.
Hoewel de markt voor haar openlag, was van Rozeke lang geen spoor. Ze
leek wel van de aardbodem verdwenen te zijn. Pas vele jaren later zag ik haar terug,
in het café waar het plaatselijke theatergezelschap zijn repetities hield. Ze bleek
zich ingelijfd te hebben bij deze ongeregelde bende. Rozeke had niet eenzelfde
ingrijpende metamorfose ondergaan als Guy, maar ook over haar hing een
onmiskenbare somberte. Mooi en innemend was ze nog, maar ze lachte nog maar
uiterst zelden haar prachtige rij tanden bloot, die gelukkig wel intact waren
gebleven.
In het vouwblad van het toneelstuk waarin Rozeke aantrad,
las ik dat zij de rol van een stokoude vrouw op zich nam. Ik vroeg me af
hoe deze schoonheid die klus geloofwaardig zou kunnen klaren. Ik nam aan dat het
een huzarenstukje zou vergen van de grimeur om dat liefelijke Rozeke in een
bejaarde vrouw om te toveren.
Vanuit de in duisternis gedompelde zaal keek ik vol
verwachting uit naar het aantreden van Rozeke. Toen ze, voorzien van een grijze
pruik, een hopeloos gedateerde jurk, de benen bekleed met afzichtelijke
steunkousen en de romp vervaarlijk overhellend, de scène betrad, ging ik
spontaan wat rechter zitten. De aanblik was overweldigend. Rozeke spéélde geen
oude vrouw, Rozeke wás een oude vrouw! Gebiologeerd keek ik toe hoe ze naar het
midden van de scène kwam geschuifeld. Ik vond het bijna jammer dat haar
geloofwaardigheid weldra aan stukken zou spatten, wanneer ze haar mond zou
opendoen en haar ontblote rij prachtige tanden haar jonge leeftijd zou
verraden. Maar toen Rozeke met veel overgave haar eerste repliek de zaal in
spuwde, kreeg ik geen porseleinen pareltjes te zien, maar werd me een blik
geboden op een hoop schrompelig tandvlees! Van de rij prachtige bijtertjes was
geen spoor!
Het koste me minuten om te aanvaarden dat het volmaakte gebit
van Rozeke niet uit echte tanden bestond, maar uit kunststoffen replica's! En
alsof dat nog niet genoeg was om een jarenlange betovering te verbreken, zag ik
in het licht van de schijnwerpers, bij elk woord dat ze sprak, vieze
speekselvlokjes de zaal in vliegen.
Alsof ik bekropen werd door een diepe plaatsvervangende
schaamte liet ik me zachtjes onderuit zakken in mijn zetel en trachtte mezelf
onzichtbaar te maken. Het is dat ik tijdens het toneelstuk niet durfde op te
staan, anders was ik vast en zeker de zaal uit gevlucht.
maandag 26 november 2012
TROTS
Met het hoofd diep tussen mijn schouders getrokken, liep ik
langs de straten waarvan de bolle kasseien blonken als zilveren pollepels. Het
was een naargeestige dag die 31e mei van het jaar 1980, de dag
waarop ik mijn intrek nam in mijn nieuwe woonst. Op het middaguur leek
het avond, net voor het invallen van de duisternis. Het wolkendek was nog nooit
zo dik en dreigend geweest, en een druilerige regen viel onafgebroken naar
beneden.
Ik sloeg het doodlopende straatje in, waar acht bouwvallige
huisjes tegen elkaar aanleunden uit lijfsbehoud, en werd getroffen door de
onheilspellende stilte die het slop in zijn greep hield. Het enige geluid dat te
horen was, was het repetitieve pletsen van dikke waterdruppels die zich door de
bekleding van de dakgoten wrongen en zich met doodsverachting naar beneden
stortten als levensmoeë lemmingen van een hoge klif.
Ik hield halt bij het tweede van de acht identieke krotten,
die door de dienst volksgezondheid onbewoonbaar waren verklaard maar door de
eigenaar werden uitgemolken als een melkkoe. Ik diepte de sleutel op die ik
even tevoren overhandigd had gekregen, opende de deur en trad binnen. Een weeë
geur van vocht en rottigheid drong zich meteen in mijn neus. Ik voelde me op
slag onpasselijk worden. Niet alleen door die zuurstofarme lucht die me leek te
verstikken, maar ook door de weemoed die me trof. Ik had het ouderlijke huis verlaten
omdat ik daar zat te verwezen in een leeg nest waaruit de andere vogels al lang
gevlogen waren, maar het nest waarin ik nu terecht kwam, bood geen uitzicht op
een beter leven. Wel integendeel! Een diepe somberte greep me om het hart,
terwijl ik de woorden die vader me honend nageroepen had in mijn hoofd hoorde
galmen: “Je zult gauw terugkomen!”
Ik betrad de enge ruimte die een woonkamer moest verbeelden
en voelde de muren op me afkomen. Als een kind dat verloren gelopen was in een
groot beklemmend bos keek ik vreesachtig om me heen. Er hingen zoveel lagen
schreeuwlelijk behang over elkaar geplakt dat het papier karton geworden was en
uit zichzelf rechtop bleef staan. Door het kozijn van het kleine raampje, dat
uitzicht bood op de tuin van een aanpalend herenhuis, druppelde onophoudelijk water
naar binnen, wat op de scheefgezakte tegels van de stenen vloer een
aanzienlijke plas vormde.
In het belendende kamertje, waarvan de oppervlakte niet meer
dan twee vierkante meter besloeg, was het niet beter gesteld. Hoewel deze enge
ruimte dienst moest doen als keuken, was er geen gasaansluiting voorzien en
evenmin was er een spoor van stromend water. Het primitieve gasstel moest
worden gevoed met loodzware flessen butaan, en de enige watervoorziening in het
steegje bleek een oude pomp te zijn die helemaal achteraan tegen de afsluitende
muur stond opgesteld, en die bij vriesweer niet kon worden gebruikt.
Ik slaakte een diepe, schokkende zucht, en beklom de steile
trap waarvan de treden in het midden stuk voor stuk een gevaarlijke uitholling
vertoonden. De bovenverdieping van het huisje bestond uit een minuscuul
zoldertje, waar grote kieren tussen de pannen zicht boden op de muisgrijze
hemel, en een slaapkamer. Op deze kamer tekende zich een grote zwartbeschimmelde
vochtvlek af op het behang, en in het plafond had de doorsijpelende regen een
gat geslagen waaruit van zavel doordrongen bruine waterdruppels lekten die met doffe
ploffen op de planken vloer uiteenspatten. Bovendien was het hout van het raam zo
rot dat de wind er ongehinderd doorheen blies.
Een toilet bleek het huisje niet te bevatten. Om in de
behoefte van de bewoners van de acht bouwvallen te voorzien, stonden op het
braakliggende terrein voor de huizenrij vier houten hutjes opgesteld waarin een
groot rond gat in een verweerde houten plank zicht bood op een walgelijk
stinkende beerput. Ging je bovenop dat gat zitten, dan voelde je meteen dikke
vliegen aan je kont komen kriebelen.
Aangezien ik geen rooie duit bezat en bij het verlaten van
het nest enkel een afdruk van vaders schoenzool op mijn broek had meegekregen,
zag ik me genoodzaakt mijn krot aan te kleden met gekregen rommel en aftandse
meubelstukken die ik hier en daar bij het groot huisvuil vond. In een poging enige
gezelligheid te creëren, hing ik over het peertje, dat aan een lange rafelige
elektriciteitsdraad uit het plafond bengelde, een stenen bloempot als lampenkap,
met als gevolg dat 's avonds het schaarse kunstlicht vrijwel uitsluitend op het
krakkemikkige salontafeltje viel en de rest van de ruimte in een sombere
schemer werd gehuld.
Hoewel het hele bouwvallige huisje een perfecte
voedingsbodem bood om tot diepgewortelde depressies te leiden, heb ik geen
seconde overwogen om terug naar het ouderlijke huis te keren. Niet dat er daar
niet goed voor me werd gezorgd - moeder waste en plaste tot ze er bijna het
leven bij liet - maar een jongeman van eenentwintig heeft nog andere behoeften
dan schone kleren en een warme maaltijd op z'n tijd. Bovendien had vader me
maar niet spottend moeten naroepen dat ik gauw terug zou komen. Trots heeft ook
zijn deel.
maandag 19 november 2012
ONDERSOORT
Kinderen zijn een mensensoort die gemakshalve tot de homo sapiens wordt gerekend, maar dat is een dwaling. Er is namelijk een aanzienlijk onderscheid tussen de twee. Waar de gangbare mens, waartoe jij en ik behoren, gemiddeld probleemloos een leeftijd van tachtig jaar bereikt, worden kinderen zelden ouder dan twaalf jaar! Kinderen zijn dus geen volwaardige mensen maar een ondersoort. Je fronst de wenkbrauwen? Verklaar dan eens waar al die vrolijke kinderen, waar jullie zo dol op waren, allemaal gebleven zijn!
Geen enkele ouder geeft het graag toe, maar de realiteit is helaas nietsontziend: op een mooie doordeweekse ochtend betreed je vrolijk neuriënd de slaapkamer van je oogappel, en doe je de vreselijke vaststelling dat je telg 'overnight' verdwenen is. In zijn plaats ligt er een vreemd wezen in zijn sponde dat uiterlijk vage trekken van je kind vertoont, maar er verder opvallend weinig mee te maken heeft. De alien etaleert op vlak van karakter nauwelijks enige gelijkenis met dit van je eigen broed. Waar dat kleine schattige mormeltje van je, dat je met de grootste zorg hebt grootgebracht, elke morgen je hart deed smelten met een stralende glimlach, heeft dit specimen een ochtendhumeur waar niet door te raken is. In een poging je van het verschrikkelijke doembeeld te ontdoen, knipper je enkele keren met de oogleden, maar er is geen ontkomen aan: het kind, waar je meer van hield dan van jezelf, is verdwenen en vervangen door een slechte imitatie; een misbaksel dat vermoedelijk tegen een hongerloon en uit minderwaardig materiaal vervaardigd is in een lagelonenland. Hoe verklaar je anders die lelijke puisten die plots het hele gezicht van je knuffelbeer bedekken? En de plukjes onvolgroeid haar die hier en daar uit poriën opduiken? En die vreemd overslaande stem die je aan het roestige hengsel van een waterpomp herinnert? Wat overigens te denken van de grapjes, waar je jarenlang onuitroeibaar gewaand succes mee wist te boeken, en die plots op verveeld ooggedraai worden onthaald. En hoe verklaar je dat de schattige outfits, waarmee je spruit daags voordien nog vrolijk liep rond te paraderen, opeens hopeloos belachelijk worden gevonden? En dat de cd's met liefelijke kinderliedjes ergens in een duistere la weggemoffeld liggen, en de handdoeken met het echtpaar Mickey en Minnie Mouse je worden aangeboden als vod? Als je eerlijk bent met jezelf wéét je het: het onvermijdelijke drama heeft zich voltrokken. Je kind is niet meer. Een zware pil om te slikken, en helaas is dit nog maar het begin van de ellende. Van de ene dag op de andere ben je niet meer vrij om te gaan en te staan waar je wil in je eigen huis. Plots is de slaapkamer van je oogappel privéterrein waar je aanwezigheid niet langer gewenst is, en wordt de toegang tot de badkamer je ontzegd wanneer er waswerkzaamheden aan de gang zijn. De edele delen van je snotaap, die een dag eerder nog als een volstrekt normaal onderdeel van het lichaam werden beschouwd, blijken plots voer te vormen voor diepe schaamte. Uitstapjes waar je koter een paar weken tevoren zelf nog enthousiast om verzocht, worden plots als oeverloos saai ervaren. Speeltuinen worden gemeden alsof er de zwarte pest heerst. Films die niet tenminste het label 16+ dragen worden afgedaan als stom. Gezinsmomenten als het ontbijt zijn plots uit den boze. Slechts het werkloze kinderstoeltje, dat ergens in een hoek op verkassing naar het containerpark staat te wachten, herinnert nog aan de leuke tafelmomenten van weleer. De nieuwe mens verslaapt liever de helft van de dag om ergens diep in de namiddag helemaal alleen een ongezond ontbijt te nuttigen, gezeten op een onhandig krukje in plaats van op een comfortabele stoel aan de keukentafel. Kinderprogramma's op zondagochtend moeten het voortaan met een kijker minder stellen. Bij meisjes beginnen zich een hoop lippen te ontwikkelen die niet gestift hoeven te worden, en bij jongens dienen zakdoeken niet langer uitsluitend om een loopneus schoon te vegen. Het voordien zo onontbeerlijke speelgoed wordt achteloos in een hoek gegooid of door jezelf netjes in dozen gestopt om het te bewaren voor een volgende generatie. Het slaapkamerbehang dat getooid is met figuurtjes uit Walt Disneyfilms wordt vakkundig overplakt met tientallen centerfolds van levensbelangrijke popsterren. Het schattige anorakje, waar dat kleine kotertje zo beeldig mee stond, krijgt het predicaat 'kinderachtig' mee en wil de indringer nooit meer om het lijf! Nooit meer!!! Een eenvoudige 'coole' trui zal voortaan bescherming moeten bieden tegen regen en wind. De sterke laarsjes met verharde tippen worden ingeruild voor een paar turnpantoffels waarin de voeten zweet zullen vergaren tot er een geur zal van opstijgen die tot hersenverlamming kan leiden. De hinkelpas waarmee je spruit zich over straat bewoog, blijft achterwege en wordt vervangen door een tergende slenterpas waaruit een grenzeloze verveling en een hevig balen blijkt. En zo kan ik nog makkelijk een cursiefje of drie doorgaan. Maar het punt is dat er iets niet klopt, beste lezers. Geen mens kan op zulke korte tijd zo drastisch veranderen dat hij zelfs voor zijn eigen moeder en vader een vreemde is geworden. Daarom twijfel ik geen ogenblik aan mijn stelling. De wetenschap is nog niet zo ver om het toe te geven, maar ik kijk uit naar de dag dat het wereldkundig zal worden gemaakt: kinderen zijn een niet erkende ondersoort van de homo sapiens, een soort met opmerkelijke kwaliteiten maar met één ernstige handicap: een wankele gezondheid, de reden waarom hun houdbaarheid niet meer dan twaalf, hooguit veertien jaar bedraagt. Daarom, beste mensen, zou ik - met jullie steun - een oproep willen richten aan alle wetenschappers die zich met de constitutie van de mens bezighouden: laat die ouderdomskankers voor wat ze zijn! Zoek niet langer een remedie tegen dementie, artrose, Parkinson en andere vervelende kwalen die bij bejaarden de gedachte aan een gewisse dood draaglijker moeten maken. Stel uzelf tot doel een middel te vinden om die arme kinderen langer te laten leven! Misschien komt het dan nog wel goed met de mensheid... en de wereld. Onze nakomelingen zullen u dankbaar zijn!
zondag 11 november 2012
EEN MOOIE OUDE DAG
"Die ene is goed ziek
geweest," wist vader me tijdens mijn wekelijks bezoekje in het rusthuis te
melden.
Ik groef naarstig in mijn geheugen,
want als vader één ding niet verdraagt, is het niet dadelijk begrepen te
worden.
"Wie bedoel je?" vroeg ik
omdat ik geen aanknopingspunt vond.
"Die ene waar ik altijd mee wegga,"
verduidelijkte hij.
Ik groef nog wat dieper in mijn
geheugen. Ik had weet van een kranige bejaarde die een tijdje zo vriendelijk
was geweest om vader op sleeptouw te nemen tijdens zijn wekelijkse wandeltocht
door de stad, maar dat was alweer even geleden. De vriendschap was geëindigd
met een hoogoplopende ruzie omdat de kranige man graag en veel praatte en vader
de stilte verkoos.
"Bedoel je Fons?" vroeg ik.
"Maar nee!" klonk het
ongeduldig. Het voorhoofd van vader vertoonde een vervaarlijke rimpel. "Ik
bedoel die ene die mij altijd komt halen met de auto."
Ik spitte mijn hele memorie
ondersteboven en kon maar één iemand bedenken die aan de summiere beschrijving
voldeed en dat was mijn tweede oudste broer. Die had zich – sinds hij zelf met
pensioen was – tot doel gesteld vader elke woensdag een uur of twee uit zijn kamer
te bevrijden om hem wat verstrooiing te bieden.
"Bedoel je Herman?" vroeg ik
redelijk zeker van mijn zaak, maar in plaats van bevestiging te krijgen,
onderging ik een hogelijk verwarde blik. De mond van vader leek ‘ja’ te willen
zeggen, terwijl z'n hele confuse geest zich tegen die stellige zekerheid
verzette. De naam 'Herman' leek hem op de één of andere manier even vreemd in
de oren te klinken als een Arabische vloek.
"Je bedoelt toch onze broer?"
probeerde ik mij te verduidelijken, maar ook het bizarre woord 'broer' deed
niet meteen een belletje rinkelen.
Uiteindelijk schudde vader ontkennend
het hoofd.
“Nee, die niet,” zei hij.
"Over wie heb je het dan?" probeerde
ik opnieuw.
Ik moést wel doorvragen. De gezondheid
van een mens is geen futiliteit, en bovendien had ik nog lang geen volgend
onderwerp in gedachten waarmee ik de stilte te lijf kon gaan.
"Wel, die ene die me elke week komt
halen!!!" klonk het ongemeen hard.
Het geduld was duidelijk op.
"Maar dat is toch Herman,"
probeerde ik een laatste keer, op het gevaar af een badkuip frustraties over me
uitgestort te krijgen.
Vader dacht even na en zei dan:
"De tweede!" en om alle misverstanden te vermijden: "Jij bent de
derde."
Hoewel deze bewering enkel klopte als
de twee zussen buiten beschouwing werden gelaten, kon de gedachtegang van vader
gezien worden als een verdienstelijke poging om het nest jongen dat hij op de
wereld had gezet te reconstrueren. Ik wist nu zeker dat ik op het goede spoor
zat.
"Wel ja, de tweede dat is
Herman," knikte ik bevestigend.
"Heet die zo?" vroeg hij zeer
verbaasd.
Herman was dus ziek geweest.
"Wat had hij?" vroeg ik.
De afhangende schouders van vader
wipten even op. Wat kón een mens nu hebben?!
"Griep?" probeerde ik.
"Zoiets zeker," klonk het ontwijkende
antwoord.
Meteen daarna verzonk hij weer in
zichzelf, waarmee hij te kennen gaf dat hij niets meer aan het onderwerp toe te
voegen had. Op slag begon de grote klok aan de muur weer wat nadrukkelijker te
tikken, en naar mijn gevoel ook trager. Ik staarde door het raam en zag enkele
plukken hagelwitte wolk door het blauwe uitspansel drijven. Aangezien het
klimaat reeds jaar en dag voer tot conversatie biedt, liet ook ik deze
mogelijkheid niet onbenut.
"Het is mooi weer vandaag,"
opperde ik. "Mooi maar koud."
"Hm?" deed vader met de flank
van zijn hoofd naar me toegekeerd, de ogen tot spleetjes geknepen en de
oorspieren opgespannen; de typische houding waarmee hij aangeeft dat hij uit de
uitgestoten klankenbrij geen woord heeft weten te distilleren.
"Dat het mooi weer is, maar koud,"
riep ik haast. "Mooie herfstkleuren."
Vader knikte vaag, maar nam niet eens
de moeite om een blik door het raam te werpen. Hij reikte naar het glas bier
dat ik hem had voorgezet en nam een teug. Ik goot uit solidariteit eveneens een
slok door mijn keel en smakte luid om de loden stilte geen kans te geven.
"Zet je nooit nog eens muziek
op?" vroeg ik, terwijl ik mijn glas weer op de tafel zette. "Of je
nooit nog eens..."
Met een onverschillig schouderophalen
maakte vader me duidelijk dat hij mijn vraag ditmaal van de eerste keer
begrepen had.
"'t Is altijd hetzelfde,"
antwoordde hij kort.
Vreemd, dacht ik bij mezelf, wetende
dat zijn kast puilde van de meest uiteenlopende cd’s en de radio toch ook wel
wat variatie weet te brengen.
"Maar het lichtje brandt nog
altijd!"
Hij richtte zijn vinger op het stand-bylampje
van de compacte stereoset die naast hem op de vensterbank stond en trok zijn
mond in een tevreden plooi. Ik vatte niet meteen waarom hij het permanente
glimmen van dit rode oogje zo wonderlijk vond, maar besloot begrijpend te knikken
om niet weer in een diepe verwarring verzeild te raken. In de stilte die
volgde, keek ik naar de klok en trachtte de wijzers met een dwingende blik vooruit
te stuwen.
Klokslag drie hees ik me overeind.
"Ik stap maar eens op. Ik heb nog
wat te doen," loog ik.
Ik sloeg mijn jas om, boog me over dat
kromme afgeleefde ventje, dat niet meer dan een flauw afkooksel was van die reusachtige
man waar we als kind voor beefden, en drukte drie kussen op zijn wangen.
"Bedankt dat je gekomen
bent," vertrouwde hij me met zachte stem toe.
"Graag gedaan. Dat weet je,"
glimlachte ik minzaam.
Ik ging naar de deur.
“Doe thuis de… de…” Hij krabde zich
nadenkend op het voorhoofd.
“De groeten? Zal ik doen,” raadde ik.
Het kostte me, zoals iedere week, de
hele weg naar huis om de angst voor ’een mooie oude dag‘ te verdrijven.
zondag 4 november 2012
MARRAINE
De eerste ontmoeting met “marraine” vergeet ik nooit. Na een dagje
werken, trof ik haar in de voorkamer in het gezelschap van mijn vriendin die
haar kleindochter was. Ze zat in onze wit-groengestreepte tweezit in een
lichtjes geforceerde houding op mij te wachten. Met haar kaarsrechte rug, zedig
samengedrukte knieën en de handen godsvruchtig in haar schoot gevouwen, leek ze
een grote verwachting uit te stralen naar onze ontmoeting. Ik gaf haar een
beleefde handdruk, maar ze trok me onvervaard naar zich toe en besmeurde mijn
beide wangen met haar rijkelijk aangebrachte helrode lippenstift.
Ik nam plaats in de zetel tegenover haar en taxeerde haar onopvallend.
Met haar fier opgeheven kin, en haar opzichtige blonde pruik, die aan de wulpse
haartooi van Marilyn Monroe deed denken, leek ze weerstand te willen bieden aan
de onverbiddelijk voortschrijdende tijd. Maar wat me het meest trof, waren haar
ogen. Hoewel hoogbejaard, school in haar blik de hunkering van een jong meisje
dat op het punt stond zich over te geven aan een eerste verliefdheid. Ik was
gebiologeerd door die priemende ogen, die me geen ogenblik loslieten.
Een paar maanden later nodigde “marraine” ons uit voor een etentje.
Omdat ze zelf niet al te best meer uit de voeten kon met houten lepels en
gardes, troonde ze ons mee naar de plaatselijke vestiging van een
restaurantketen. Hoewel ze ontegensprekelijk een hele lieve vrouw was, voelde
ik de hele tijd een sluimerende ongemakkelijkheid, een gevolg van die priemende
blik, die haast onophoudelijk op me brandde als de focus van een loep.
Op een moment dat we even alleen waren, nam ze zonder enige schroom
mijn hand in de hare en vertrouwde me op gewichtige, haast samenzweerderige
toon toe dat ze “gevaarlijke ogen” had. Ze liet er geen enkele twijfel over
bestaan dat ze zich ten volle bewust was van de kracht van haar blik. Ik wist
even niet waar ik het had, hetgeen mijn vriendin, na het beëindigen van haar toiletbezoek,
meteen opmerkte.
“Is er iets?” vroeg ze nadat ze plaats had genomen.
Ik schudde ontwijkend het hoofd, maar later op de avond, nadat we
“marraine” bij haar appartementje hadden afgezet, vroeg ik haar me nooit meer met
haar grootmoeder alleen te laten. Ze begreep het. Blijkbaar droeg het oudje een
zekere reputatie met zich mee.
De jaren nadien zagen we “marraine” geregeld, meestal op
familiefeestjes waar ik de enige was die niet te kiezen had naast wie ik wilde plaatsnemen. Ik moest en zou naast “marraine”zitten. Daar stond ze op.
Aanvankelijk zag ik sterk op tegen deze verplichte nummertjes, maar gaandeweg
begon ik een vaardigheid te ontwikkelen om met de naar behaagzucht neigende
bejaarde dame om te gaan. Het volstond om haar voldoende aandacht te geven,
haar te vleien met wat goedkope complimentjes en iedere keer weer volmondig te
beamen dat ze ‘hele speciale en gevaarlijke ogen’ had. Meer had ze niet nodig
om voor een dag haar saaie en uitdovende bestaan te ontvluchten. Na een tijd
begon ik zelfs een diepe genegenheid te ontwikkelen voor dat oude mensje dat
zich zo gemakkelijk tevreden wist te stellen met het weinige dat het leven haar
nog bood.
Tijdens het feestje voor haar 93e verjaardag zat ik, zoals altijd,
naast ”marraine”, toen ze opeens haar hand op mijn arm legde en me
toefluisterde dat ze ‘stijf gezeten’ was. Haar onderste ledematen waren
dringend aan beweging toe. Ik hielp haar overeind, nam haar beide handen in de
mijne en loodste haar, langzaam achteruitlopend, door de wirwar van tafels. Ze
trachtte zich kranig te houden, maar ik zag dat ze verging van de pijn. Uit
haar blik, die ook nu onophoudelijk op mij gericht bleef, sprak een zekere
droefheid. Ik kon me niet van het gevoel ontdoen dat dit de voorbode was van
een naderend einde.
Enkele weken later werd mijn vermoeden bevestigd. We kregen een
verontrustend telefoontje met de melding dat “marraine” met hoogdringendheid in
het ziekenhuis was opgenomen. Het verdict was vreselijk: er werd een ernstige
kanker vastgesteld, die zo vergevorderd was dat de dokters geen
mogelijkheid meer zagen om haar te helpen. Om het lijden niet eindeloos te
rekken, werd stilzwijgend besloten om haar kaarsje langzaam te laten uitdoven.
Tijdens ons bezoek in het ziekenhuis zag ze er, wellicht onder invloed van medicatie, opvallend opgewekt uit. Helemaal niet terneergeslagen,
zoals we verwacht hadden. Het leek wel alsof ze alweer aan het opknappen was. Heel
even flakkerde de hoop op, maar toen ik vertrok, las ik in haar ogen een diepe melancholie. Niemand had haar van de ernst van de zaak op de hoogte gebracht; ze
bleef glimlachen, maar met die blik gaf ze aan dat ze wist dat dit het
definitieve afscheid was. Net voor ik de kamer verliet, draaide ik me nog één
keer naar haar om. Ze zwaaide me uit met een haast kinderlijke handbeweging,
waarmee ze zich naar mijn gevoel dankbaar wilde tonen om het kleine lichtpuntje
dat ik had gevormd in haar uitdovende bestaan.
Enkele dagen later werden we bij haar sterfbed geroepen. Met een
ongekende wellust hapten de wijzers van de klok de laatste stukken uit haar
leven. Ik nam plaats op de stoel naast het bed, en hoewel ik wist dat het oude
mensje zich nergens meer van bewust was, nam ik haar uitgemergelde hand in de
mijne, boog me naar haar toe en fluisterde zachtjes mijn naam in haar oor. Ik
wilde dat ze wist dat ik bij haar was. Een reactie kwam er niet,
maar het leek alsof ze me door haar gesloten oogleden heen met haar priemende blik
duidelijk maakte dat het goed was.
Kort daarna sliep ze vredig in, net toen ik even weg was. Dat ik niet
zat waar ik op dat cruciale moment hoorde te zitten: naast haar, daar heb ik na
al die jaren nog altijd spijt van.
Abonneren op:
Posts (Atom)