Beste lezers,
Vandaag was het Zuiderzinnen... de laatste keer. Helaas. Ik heb er genoten van de uitzinnige performance van Vitalski, een collega schrijver die onder dezelfde uitgeversvlag vaart als ik. Zelf heb ik er druk flyers uitgedeeld ter promotie van mijn boek. We laten niets aan het toeval over. Volgende week zou het filmpje klaar moeten zijn dat 'de vergeten kronieken van Tstadt' aankondigt. Mijn uitgever heeft op Zuiderzinnen een onderhoud gehad met Michaël Vandebril, de coördinator van Antwerpen boekenstad. Zij hebben samen plannen gesmeed... ik ben zelf nog niet geheel op de hoogte en dus even benieuwd als jullie.
De officiële release van mijn boek heeft bijgevolg nog niet plaatsgehad, maar Standaard boekhandel heeft niet op het startschot gewacht. Wie het boekje al hebben wil, kan dus daar terecht.
groeten
Lou
zondag 16 september 2012
zondag 9 september 2012
UITGESTORVEN VOGELS
Waar is de tijd? Het is een verzuchting die je zelden slaakt als je
achttien bent. Maar als je stilaan vanuit een donkere hoek het spook van de
oude dag ziet opdoemen, dan durf je wel eens achterom te kijken. En niet zelden
vind je jezelf een ogenblik later terug, achterovergeleund in een zetel, starend
in een wazige verte, met een minzame glimlach om de mond. Herinneringen zijn
vaak zoet. Het menselijke geheugen schift immers zalvend met het oog op een
oude dag.
Zelf ben ik amper de vijftig voorbij, maar ik bulk van de mooie
herinneringen. Opvallend vaak voeren deze mij terug naar de tijd dat onze
kinderen nog klein waren. Wat een pret kun je beleven aan grut dat nog niet
eigenwijs en tegendraads is geworden, ten prooi aan een onschuldvernietigende puberteit.
Zalig waren de zondagnamiddagen waarop we uitstapjes met hen deden. Ordinaire
pretparken waren niet aan ons besteed. De Efteling kon nog net, maar voor het
overige geen parken waar mensen elkaar staan te verdringen om in toestellen te
kruipen waar je vijf minuten later doodziek uitkomt, geen Vliegende Hollanders,
noch roetsjbanen of ander zwierend en zwenkend tuig. Ook dierenparken bezochten
we niet al te vaak. Uit hun biotoop gehaalde dieren die in veel te kleine
kooitjes of afgerasterde weiden een lusteloos leven leiden,
vind ik altijd een beetje zielig. Liever zochten we bestemmingen uit waar onze
kinderen nog wat van opstaken. Zo stond het Museum voor Natuurwetenschappen in
Brussel hoog op onze pretlijst. Skeletten van gigantische prehistorische
reptielen doen het altijd bij jong grut. Ook het Scientastic Museum, waar de
kinderen zich aan de gekste proeven konden onderwerpen, was een interessante
belevenis.
Als bestemming voor zo’n zondagse uitstap kozen we op een keer het Heemkundemuseum
De Botermolen in Keerbergen. Gevestigd in een oude hofboerderij, kun je er zien
hoe mensen in de achttiende- en negentiende eeuw leefden, hoe hun klaslokalen
er uitzagen, welke oude ambachten ze beoefenden, welke karren en gereedschappen
de boeren uit de streek gebruikten… het leek ons een ‘educatief verantwoord’
uitje. Joke, een vriendinnetje van onze dochter, was mee. Een woelwater, altijd
goed geluimd, telkens in voor het scheppen van sfeer, maar soms wat te impulsief
en vooral een tikkeltje te luidruchtig, zo mochten we ondervinden.
Na afloop van het museumbezoek gingen we met heel de bende een glas drinken
in de antieke drankgelegenheid in één van de gebouwen van de hofboerderij. Toen
we de deur van het etablissement openden, leek het alsof we net uit een
teletijdmachine waren gestapt. Het aanwezige cliënteel vormde als het ware een
symbiose met het museum. De gemiddelde leeftijd lag ver boven de bejaardengrens,
en de gezichten waren getooid met een versteende glimlach. De koffie op de
tafels was al lang uitgedampt en het bier verschaald. Van de blikken die ons
werden toegeworpen, werden wij lichtjes ongemakkelijk. Maar we hadden dorst en zetten
noodgedwongen ons ongemak opzij.
We namen plaats aan een ronde tafel waarover een wollig wandtapijtachtig
tafelkleed lag dat stoffig oogde en muf rook, en bestelden drankjes die ons gebracht
werden door een beverig mannetje met kromgewerkte vingers. Meteen nadat we een
eerste slok hadden genomen, stelde het onvermoeibare Joke voor om een spelletje
te spelen. Om beurten moesten we een dier noemen dat begon
met de laatste letter
van het vorige.
Dat tijdverdrijf kenden mijn vrouw en ik nog uit onze jeugd, en dus lieten we ons
overhalen om mee te spelen. Kat – tijger – raaf – flamingo – olifant – tapir –
reebok – koe – everzwijn - neushoorn… alle
mogelijke dierennamen passeerden de revue. Maar reeds na enkele rondjes werd
het een hele klus om nog een dier te bedenken dat alweer met een ‘r’ of een ‘n’
of een ‘d’ begon en nog niet eerder was genoemd.
Toen zoonlief na lang nadenken
uiteindelijk toch ‘luipaard’ wist op te werpen als antwoord op mijn ‘ezel’, zuchtte Joke, die aan zet was, diep.
“Gôôôh, wéér een ‘d’!” steunde ze
verongelijkt.
Aangenomen dat zij zou moeten
passen, dacht ik al na over welk dier ik zou kunnen antwoorden, indien ik terug
aan de beurt zou komen. Maar de dieren met een ‘d’ leken uitgeput. Ik kon er zelf
geen enkel meer verzinnen.
Omdat het er naar uit zag dat niemand nog een idee had, nam ik reeds genoegzaam
een slok van mijn bier. Maar dan veerde het hele jonge lijf van Joke plots recht
als gevolg van een lumineuze ingeving.
“Ik weet het, een dildo!” riep ze luid. “Een dildo!”
Een angstwekkende stilte vulde terstond het café. Het bier in mijn keel
aarzelde welk pad het zou kiezen. Terwijl ik mijn hoest trachtte te onderdrukken,
keek ik voorzichtig om me heen, en zag dat de versteende glimlach van het
gelaat der ouderlingen was gekruimeld als eeuwenoude verf van een deur. Mijn
vrouw en ik keken elkaar aan met een mengeling van geamuseerdheid en gêne.
“Je bedoelt wellicht een dingo, zo’n wilde hond uit Australië,”
trachtte ik Joke op het juiste spoor te zetten.
“Nee, ik bedoel een dildo!” riep ze nog gejaagder en zekerder van haar
stuk dan tevoren. “Ik geloof dat het een vogel is! Ja, het is een vogel, een uitgestorven vogel, ik
weet het zeker!”
“Je bedoelt een dodo,” wierp mijn vrouw op.
Dat was al eens gezegd.
Dat was al eens gezegd.
“Nee! Een dildo!!!” gilde Joke onbeheerst.
Ik keek opnieuw om me heen en zag het gros van de aanwezigen - dat deel dat niet gebukt ging onder extreme
doofheid - onrustig heen en weer schuifelen op zijn stoel.
“Oké,” keerde ik me snel naar onze dochter om de aandacht af te leiden,
“het is aan jou. Ken jij nog een dier dat begint met de letter ‘o’?”
“Ik wel!” antwoordde Joke enthousiast.
“Ja, maar het is nu aan Elisabeth,” zei ik vlug.
Onze dochter dacht diep na, maar kon geen dier met een ‘o’ meer bedenken.
Mijn vrouw dan maar? Ook zij had geen idee. Mijn beurt dan. Helaas… okapi,
olifant, orang-oetang, otter, ooievaar, onzelieveheersbeestje… het was allemaal
al eens gezegd. Ik kon ook niks meer bedenken, en zoonlief evenmin.
“Oké, dan mag ik!” poneerde Joke, die de spelregels maar al te goed
kende en wist dat ze - hoewel reeds gewonnen - nog een nabeurt had.
“Goed
dan,” zei ik, snel in mijn geheugen gravend om na te gaan of ik weet had van
een seksspeeltje waarvan de naam met een ‘o’ begon.
“Een oeros!” klonk het.
Opgelucht haalden mijn vrouw en ik adem. We wierpen een steelse blik op
de ouden van dagen in onze nabije omgeving, in wie stilaan weer wat leven leek
te komen. Gevaar geweken, dacht ik, tot plots het schelle stemmetje van ons zoontje
door de stilte kliefde, dat - weetgierig als altijd - met een prangende vraag zat.
“Mama, wat is een dildo
eigenlijk?” klonk het luid en duidelijk.
maandag 3 september 2012
Beste kijkbuiskindertjes,
Helaas... vanwege een lang weekend in Parijs en het inblikken van een promotiefilmpje ten voordele van mijn langverwachte boek, deze week geen aflevering uit fabeltjesland. We hebben even andere katjes te geselen. Waarvoor onze nederige excuses.
Wel even meegeven, voor de 'die hards', dat mijn avonturen van de chroniqueur rond half september in de winkels zullen liggen. Het boek draagt niet langer de titel 'de Lekenspiegel', maar 'de vergeten kronieken van Tstadt'. Het eerste deel, dat de periode bestrijkt 1830-1850, heeft als ondertitel: 'de opkomst van Hendrik Conscience'. De prijs van het boekje, dat een heerlijk zakformaat heeft, bedraagt een luttele 10 euro. Geef toe, daar kunt ge niet voor sukkelen.
Tot weldra
Lou
Helaas... vanwege een lang weekend in Parijs en het inblikken van een promotiefilmpje ten voordele van mijn langverwachte boek, deze week geen aflevering uit fabeltjesland. We hebben even andere katjes te geselen. Waarvoor onze nederige excuses.
Wel even meegeven, voor de 'die hards', dat mijn avonturen van de chroniqueur rond half september in de winkels zullen liggen. Het boek draagt niet langer de titel 'de Lekenspiegel', maar 'de vergeten kronieken van Tstadt'. Het eerste deel, dat de periode bestrijkt 1830-1850, heeft als ondertitel: 'de opkomst van Hendrik Conscience'. De prijs van het boekje, dat een heerlijk zakformaat heeft, bedraagt een luttele 10 euro. Geef toe, daar kunt ge niet voor sukkelen.
Tot weldra
Lou
maandag 27 augustus 2012
TOPSPORTER
Ik heb veel te laat ontdekt in
welke sport ik een uitblinker had kunnen zijn. Het heeft me eeuwen gekost om te
achterhalen dat ik niet zo handig was met mijn voeten, maar wél goed uit de
voeten kon met mijn handen, om het met een goedkope zinsnede te zeggen. Tenzij
de bal te groot was, zoals bij basket, of het leder met de vingertoppen moest
worden beroerd, zoals bij volleybal. In alle andere gevallen wist ik aardig om
te gaan met een opgepompte
varkensblaas. De balsport waarin ik ongetwijfeld met mijn grote handen en
meterslange ledematen een rol van betekenis had kunnen spelen, is handbal. Wat
zou ik het overigens prettig gevonden hebben om, hoog boven de tegenstanders
uittronend, het doel van de vijandelijke ploeg onophoudelijk te bestoken met
krachtig geworpen ballen. In gedachten zie ik mezelf nog vaak als een ballerina
om de tegenstanders heen draaien en me afzetten op één been, om dan met een machtige
veersprong de verdedigingslinie te doorbreken… Ik heb de techniek nooit
aangeleerd gekregen, maar ik weet zeker dat deze sport me op het lijf
geschreven was.
Dat weet ik nu. Maar toen ik jong was, wilde ik maar één ding:
voetballen. Naast deze in mijn ogen meest edele der balsporten, verzonk elke
andere sport in het niets. Ik droomde van een carrière als topspits en
spiegelde me aan een kerel met wie ik af en toe een balletje trapte en die tot
op heden nog steeds recordinternational van België is. Maar ik bakte er niets
van. Een harde schop geven tegen dat lompe stuk leer lukte me nog wel, maar
lopen met dat ding aan de voet kreeg ik maar niet onder de knie, laat staan
dribbelen. Ik dolde niet met de tegenstrevers. De tegenstrevers dolden met mij.
Net als veel
middelmatige voetballers belandde ik na een tijdje in het doel. Met mijn lange
armen zou ik moeiteloos het grootste deel van de ballen uit de netten weten te
houden… dacht men. Helaas… ook tussen de palen bleek ik een onbenul. Duiken kon
ik merkwaardig genoeg alleen maar naar links, en dat had elke tegenstander al gauw
in de gaten. De ballen vlogen mij dan ook steevast rechts om het oor. Hoe ik
ook graaide met mijn uitgerekte ledematen, karrenvrachten doelpunten kreeg ik te
slikken. Het kwam zo ver dat ik op een dag bij de trainer werd geroepen. Hij
zei me zonder omhaal dat er bij de boer om de hoek nog een vacature liep als
vogelverschrikker. Ik begreep zijn 'stille' wenk en vertrok met hangende
schouders.
Dan maar mijn toevlucht gezocht tot het minivoetbal, een sport die
gespeeld werd op een plein met stenen ondergrond, nauwelijks groter dan een
flinke badhanddoek. De doelen kwamen amper tot op heuphoogte, en bij middel van
een lichte spreidstand kon ik met mijn twee voeten moeiteloos beide palen
raken. Makkelijk zat om het netje van deze gapende mond schoon te houden, dacht
ik. Maar omdat onze ploeg van sukkels geen enkele keer voltallig was, zag ik
mij genoodzaakt telkens ‘vliegende keeper’ te spelen. Vliegende keeper is geen
echte voetbalterm, maar een verzinsel van kinderen waarmee ze aangeven dat de
doelman deelneemt aan het spel. Dat het doelpunten régende in mijn kleine
goaltje zal wellicht niet verbazen. Terwijl ik aan de overkant van het plein
met opgeheven arm om een pass stond te bedelen, legden de tegenstrevers de ene
na de andere bal in mijn lege doel: 25-0, 31-6, 19-11 (ons grootste succes), 35-12,
53-3… het is maar een greep uit onze legendarische opdoffers.
Na één seizoen
hield ik ook het minivoetbal wijselijk voor bekeken. Op aanraden van een
vriend, die mijn lengte als een voordeel zag, probeerde ik vervolgens basketbal.
Een heel jaar lang hoste ik over dat speelveld van snerpend kunststof, hoewel
ik van meet af aan al voelde dat ik nooit één pot zou breken in deze sport, die
ik overigens saai vond als een theekransje. Trainen deed ik rigoureus, maar
tijdens de wedstrijd ontpopte ik mij telkens weer tot het kneusje. Vrijwel
iedere partij mocht ik even invallen… doorgaans op het einde, wanneer de
trainer al lang zeker was van winst of verlies. Ontelbare ontwrichte vingers
heb ik aan deze kortstondige optredens overgehouden, maar nooit heb ik ook maar
één punt gescoord. Eén keer (1 x) waagde ik het een bal richting de basket te
gooien. Het was tijdens de voorlaatste wedstrijd van het seizoen. Zoals steeds
liep ik op het plein met mijn grote lijf wat in de weg te draven, tot ik plots
de bal kreeg toegespeeld van een ploegmakker die er even geen blijf mee wist.
Ik stond helemaal in de hoek van het terrein en overzag het deelnemersveld om
zo snel mogelijk een vrijstaande maat te vinden, teneinde gauw weer van die bal
af te zijn. Ik vond evenwel niemand aanspeelbaar, en kreeg ineens het lumineuze
idee om de bal dan maar naar de ring te gooien. Net voor ik door twee
robuuste tegenstrevers zou worden besprongen, legde ik de bal op mijn
rechterhandpalm, boog even door mijn benen en keilde opverend het lederen
projectiel zo ver en zo hoog ik kon. Terwijl
de bal bij middel van een enorme curve op de basket afstevende, leek iedereen
heel even de adem in te houden.
“Trrrrr” klonk het luid.
De ijzeren ring beefde als een riet en katapulteerde de gigantische bal
terug het veld in, waar een tegenstrever er mee aan de haal ging en een prachtig
dunkshot scoorde aan de overkant.
Toen ik even later
moe en onvoldaan het veld verliet, kwamen enkele bestuursleden van de club op
me afgestormd. Ik wilde meteen dekking zoeken, maar tot mijn grote verbazing
waren ze niet boos. Wel integendeel. Ik werd bejubeld alsof ik net de winnende
treffer in een levensbelangrijke wedstrijd had gescoord. Een bestuurlid vroeg
me op de man af wat ik die ochtend gegeten had. Toen ik antwoordde “choco”,
werd er hartelijk gelachen.
Na die gedenkwaardige wedstrijd heb ik mijn ‘basketsloefkens’ aan de
wilgen gehangen, wetende dat ik mijn plafond wellicht had bereikt. Een
topsporter kan maar beter op zijn hoogtepunt stoppen.
zaterdag 18 augustus 2012
JAN VAN HOLLAND
Vader en moeder
hadden er weinig van: vrienden. Vriendschap moet je niet alleen verdienen, je
moet er ook voor openstaan. Vooral moeder deed dat niet. Zij had zo’n afkeer van menselijke inmenging in haar eigen kleine
wereldje dat ze muren om zich heen bouwde… letterlijk. Toen ze pas het nieuwe huis betrokken
hadden waar ik een jaar of zes later ter wereld zou komen, kwam de kersverse
buurvrouw eens langs de achterdeur om een schaaltje melk bedelen voor de kat.
Dit vond moeder zo verschrikkelijk dat ze vader onmiddellijk gebood een
afscheiding tussen de tuinen op te trekken. Enkele weken later was onze tuin
verworden tot een enclave, omzoomd door twee meter hoge betonplaten muren. Geen
ongewilde inmenging meer mogelijk.
De weinige
vrienden die vader en moeder hadden, waren zonder uitzondering kennissen uit
vaders soldatentijd. Eén van de
vrienden die bij ons wel eens over de vloer kwamen, was Jan. Jan was een Nederlander
en droeg vermoedelijk een familienaam, maar bij ons stond hij bekend als: ‘Jan van Holland’. Hij was een typische Nederlander: een man van om en
bij de twee meter die het hart op de tong droeg en wie enige verbale
exuberantie niet kon worden ontzegd. Heel hartelijk ook. Hij wreef me altijd
vriendelijk over de bol als hij me zag.
Heel
af en toe kwam Jan op visite, telkens in gezelschap van zijn vrouw en zoontje.
Omdat zij hoog in Noord-Holland woonden en geen auto hadden, kwamen ze nooit
voor één
dag, maar bleven ze altijd minstens één nacht slapen, meestal twee. Moeder
had er een bloedhekel aan dat mensen bleven logeren, maar vader droeg af en toe
ook wel eens de broek. Hij stond erop Jan en zijn gezin onderdak te verlenen.
Wanneer het gezin van Jan ten tonele verscheen,
trachtte moeder - huichelachtig als ze was - haar ongenoegen te verbergen
achter een masker van beleefdheid. Maar wij kenden haar. Als ze niet oprecht
was, uitte zich dat in een lichte tremor die haar hoofd zachtjes heen en weer
deed wiegen, en een nadrukkelijk neergeslagen blik. Niet geoefende waarnemers
hadden zelden iets in de gaten. Jan en zijn gezin voelden zich dan ook uiterst
welkom en warm onthaald.
Zoals het kinderen van bijna dezelfde leeftijd
betaamt, verbroederde ik met het zoontje - ik geloof dat hij Bram heette -
hoewel verbroederen een groot woord is. We deden beiden ongelooflijk onze best,
maar er stond een taalbarrière in de weg.
In die tijd was Vlaanderen nog een oord waar vrijwel uitsluitend dialect werd
gebekt. Bram sprak een taaltje dat ik enkel kende uit de Fabeltjeskrant en niet
helemaal machtig was. En mijn - met wat schoolnederlands doorspekt - dialect
was voor het oor van Bram wellicht een geseling. Bovendien bleek het volk van
boven de Moerdijk er andere interesses op na te houden. Bram had opvallend
weinig aandacht voor mijn matchbox wagenpark, vond mijn batmobiel met
uitslaande plastiekvlam maar niks en betoonde vooral geen enkele belangstelling
voor mijn verzameling foto’s van Vlaamse
wielrenners.
Monica, de
mooie en beminnelijke echtgenote van Jan, op wie hij zo trots was, leek het
bij ons best naar haar zin te hebben. Zij ontpopte zich tot een echte
klapekster. Het viel me toen voor het eerst op dat Hollanders wel eens de
neiging hebben om twintig paragrafen te besteden aan een onderwerp dat
Vlamingen met één zin of wat
geknor afdoen. Moeder, nochtans doorgaans ook een ratel op haar terrein, hoefde
nauwelijks een woord uit te brengen. En maar goed ook, want de familie ‘van Holland’ verstond geen ene moer van het platte taaltje dat
moeder uitkraamde.
Toen
Jan en zijn gezin twee dagen later weer weg waren, viel er zichtbaar een grote
last van moeders schouders.
In de
daaropvolgende jaren kwamen Jan en zijn gezin nog enkele keren op visite.
Telkens bleven ze overnachten. En iedere keer keek ik reikhalzend uit naar het
bezoek dat wat leven in de troosteloze stal bracht. Ik leerde van langsom de
taal van Bram beter te beheersen. We konden het best met elkaar vinden.
Maar
halverwege de jaren zeventig werd het plots stil. Van over de Nederlandse grens
kwamen ons van de ene dag op de andere geen berichten meer toegewaaid. Twee
jaar lang hoorden we niets meer van Jan, tot hij op een dag een teken van leven
gaf. Er kwam een kort briefje als antwoord op een schrijven van vader. Jan
meldde droog dat hij enkele dagen later zou langskomen. Hij vroeg niet eens of
het wel schikte.
Tegen het uur
dat Jan met zijn gezin zou arriveren, stond ik zoals altijd op de uitkijk. Mijn
hart sprong op toen ik de rijzige figuur van Jan zag verschijnen. Maar er was
iets vreemds aan de hand. Jan was niet vergezeld door vrouw en kind, en liep
niet netjes op de stoep, maar schreed met onzekere passen over de rijweg in het
midden van de straat. Hij leek te laveren als een zeilschip dat tegen de wind
in vaart. Hij zag er bovendien opvallend verdwaasd en verfomfaaid uit.
Toen
hij aankwam bij ons huis en zijn lange lijf onder de deurstijl door boog, wreef
hij mij niet over de bol zoals anders, maar liep mij argeloos voorbij. Na een
korte begroeting aan vader en moeder liet hij zich futloos en scheef op een
stoel zakken, de kont helemaal vooraan op de zitting, de lange benen als
doorhangende slagbomen wijd uitgestoken en een arm lusteloos naast zich bengelend, met
bruingerookte vingers die de grond raakten. Hij leek wel dodelijk vermoeid, en
bovendien kraamde hij een wartaal uit, waar nauwelijks wat uit op te maken
viel. Pas een goed half uur later kwamen we mondjesmaat te weten dat Monica hem
verlaten had. En blijkbaar had ze niet alleen Bram maar ook zijn luciditeit meegenomen.
Jan was nog slechts een schim van zichzelf, verward tot in de diepste van zijn
vezels.
Om
zich een houding te geven en de alcohollucht die Jan met zich meebracht te
verdrijven, zette moeder een kan koffie. Terwijl Jan over zijn
stomend kopje troost gebogen zat, als een zieke over een dampbad met
eucalyptus, hoorde ik vader en moeder in de keuken met elkaar praten. Ze leken
in een discussie verwikkeld, maar dempten hun stemmen. Enkele minuten later
verscheen vader weer ten tonele, met een zorgelijke frons op het gelaat. Hij
zette zich neer tegenover Jan en zocht zichtbaar naar een manier om een
onprettige mededeling te doen. Moeder bleef intussen in de keuken
rondscharrelen als een rusteloze kip.
De
melding dat er geen plaats was voor een logé deed Jan nog meer onderuitzakken. De
woorden die vader sprak, verscheurden zichtbaar een oude vriendschapsband.
Jan
is even later stilletjes weggegaan. Ik heb hem nagekeken tot zijn zeilschip de
straat was uit gelaveerd. Zijn schouders hingen nog lager dan toen hij aankwam,
en zijn pas verried verregaande doelloosheid.
Sinds die dag
hebben we nooit nog iets van Jan gehoord, noch van Monica of Bram. Als een
uitdovende kaars verdween alweer een lichtpuntje uit mijn jonge leven. Ik vraag me nog wel
eens af hoe het hen is vergaan. Hopelijk hebben ze allemaal het geluk gevonden,
hier of elders…
zondag 12 augustus 2012
HARD VOOR DIEREN
Ik heb een groot hart voor dieren. Dat hebben talloze viervoeters en
een hele rist gevleugelde exemplaren al aan den lijve mogen ondervinden. Er is
een tijd geweest dat ik zowat elk dier dat me voor de voeten liep mee naar huis
nam, en dat tot grote ergernis van mijn ouders. Vooral vader had een
onredelijke afkeer van elk wezen dat meer dan twee poten of een stel vleugels telde.
Maar een beetje intelligent kind weet in zo’n geval zijn minder kordate moeder
wel te bespelen. Zo kreeg ik alsnog de kans om geregeld houder te zijn van een
of meerdere dieren, zij het onveranderlijk met weinig succes, en heel vaak
zelfs met desastreuze afloop.
De eerste diertjes die ik ooit onder mijn hoede kreeg, waren een stel
knalgele donzige kuikentjes. Drie stuks, gekregen voor mijn Pasen. Ik hield ze
in een grote kartonnen doos voor de warme kachel. Na enkele dagen was de bodem
van de doos al doorweekt van hun natte ontlasting, en begon de indringende geur
van vogelmest zich onstuitbaar door het hele huis te verspreiden, wat heel wat
gemopper aan vader ontlokte. Toch liet hij
aanvankelijk betijen… tot het pluizige gele dons verwerd tot bloedloze witte
veren, en de bodem van de doos aan de grond ging plakken. Toen moest dat
‘stinkende ongedierte’ het huis uit, en kregen de vogels een nieuwe stek in
onze tuin. Een deel van het gazon achterin werd afgebakend met een heuphoge
draad. Daar konden mijn kippen zich nog nuttig maken door ons dagelijks van
eieren te voorzien… dacht hij. Helaas bleken de ‘kippen’ het ei leggen niet
meester te zijn, en kraaiden ze zich elke morgen om zes uur de keel schor! De bouillon
die moeder er van trok, was naar verluidt best lekker, maar ik kreeg er geen
hap van door mijn keel.
Enige tijd later, toen ik op een mooie zomerdag aan de hand van
grootvader een ommetje liep te maken, ontdekten we een nest kraaien. Eigenlijk
was er van een nest geen spoor, want moeder kraai zat met haar drie jongen
gewoon op de grond, in een hoekje van een groot gebouw. Van zodra ze ons zag,
spreidde ze haar beschermende vleugels over haar jongen.
“Wil je graag een kraai hebben?” vroeg grootvader plots.
Ik keek hem verbaasd aan en knikte snel voor hij van gedacht kon
veranderen. Hij nam zijn geruite pet van het hoofd, mikte en gooide ze feilloos
over één van de drie piepende jongen. Hij gaf me het beestje aan, waarna ik het
teder aan mijn hart drukte, als was het mijn liefste knuffelbeer.
Het kooitje waarin ik het diertje huisvestte, bleek al gauw veel te
klein. Van vader kreeg ik er geen grotere, zodat ik mij genoodzaakt zag de
vogel vrij te laten. Dolgelukkig was ik toen bleek dat de kraai niet wegvloog ,
maar altijd in de buurt bleef. Verder dan drie tuinen vloog ze nooit. Helaas
stonden uitgerekend in die derde tuin twee grote fruitbomen te blinken, getooid
met knalrode kersen waarin mevrouw kraai maar al te gretig haar bek zette. De
vruchten die niet in haar hongerige maag verdwenen, vertoonden zonder
uitzondering lelijke sporen van haar vraatzucht. Daar waren de buren niet mee
opgezet, en het duurde dan ook niet lang of ik kreeg het dwingende advies mijn
kraai ‘van de hand te doen’. Maar geen haar op mijn hoofd dacht eraan afscheid
te nemen van een dier dat me zo nauw aan het hart lag… tot mij op een hete
zomerdag door mijn ernstig kijkende moeder een bijzonder verontrustende
mededeling werd gedaan. Mijn kraai was ernstig ziek, zei ze, waarop ik me snel naar
buiten haastte en er mijn zieltogende vogel aantrof, zittend op het gras, met vervaarlijk
wijd opengesperde bek. Het diertje had, luidens de diagnose van moeder, een
steentje ingeslikt dat in de keel ter hoogte van de krop was blijven steken. Voor
vader, die vanachter zijn krant het tafereel van commentaar voorzag, zat er
maar één ding op: het dier afmaken. Grote broer was kandidaat om de vreselijke
klus te klaren. Gewapend met een stevige bezemsteel als doodsknuppel, toog hij
de tuin in. Op aanraden van moeder bleef ik veilig binnen. Toen ik vijf stevige
stokslagen hoorde en één enkele gesmoorde kik uit de keel van mijn kraai,
scheurde mijn hart.
Dat het vermeende steentje in de keel een drogreden was om mijn kraai
het hoekje om te helpen, kwam ik pas veel later te weten, toen ik op school
leerde dat vogels niet kunnen zweten en, net als een hond die gaat hijgen, hun
overtollige lichaamswarmte kwijt raken via een opengesperde bek. Deze vermetele
samenzwering heb ik vader, moeder en grote broer nooit vergeven!
Enkele jaren later kwam ik bij toeval in het bezit van een handtamme
ekster. Geen idee wie ze opgevoed had, maar ze kwam gewoon naar me toe
gehuppeld, op straat. Ik nam de vogel mee naar huis, maar ook deze keer was mijn
plezier van korte duur. Mijn ekster bleek de duiven van de overbuur de stuipen
op het lijf te jagen. Met dreigend opgestoken wijsvinger bezwoer hij mij dat
het beestje ofwel weg, ofwel dood moest. Omdat het droevige einde van mijn
kraai me nog iets te vers in het geheugen lag, liet ik me overtuigen om de
ekster enkele kilometer verderop in een bos vrij te laten.
Omdat het me met vogels maar niet wilde lukken, richtte ik mijn
aandacht vervolgens op viervoeters. Ik wist zeker dat vader een hond of een kat
in huis nooit zou dulden, maar ik kon wel wat dieren bedenken die ik in een kooi
kon houden, en die hem niet voor de voeten zouden lopen. En die ook niet van
kersen hielden, en onmogelijk op eigen houtje een duiventil in konden. Eerst
wist ik bij moeder een konijn af te bedelen. Maar van zodra de pruimen rijp
waren, eindigde dit onfortuinlijke diertje pelsloos bengelend aan de wasdraad
om te versterven. Daarna volgde een koppeltje cavia’s, waarvan ik zeker wist
dat ze in onze contreien niet tot voedsel werden verstrekt. Nog geen drie
maanden later zat ik tot aan de lippen in de pels… en de stront. Weg met die
dieren! Niettegenstaande ik begreep dat ik niet al die onschuldige diertjes kon
houden, bedacht ik een snood plan: ik hield de mannetjescavia achter en
verstopte hem in een kleine kooi onder mijn bed, waar ik dacht dat hij een
beschut en onbekommerd leven zou kunnen leiden. Maar toen ik op een dag van
school thuiskwam, trof ik moeder in kennelijke staat van doodsangst aan in de
keuken. Er zat volgens haar een rat op mijn kamer. Terwijl ze mijn bed had staan
opmaken, was mijn cavia kennelijk een fluitconcert beginnen te geven, waarop ze
de kamer was uitgevlucht, en zich met gesloten deuren had verschanst in de
keuken. Ik moest toen wel opbiechten dat ik een cavia onder mijn bed hield,
maar zei er meteen stellig bij dat ik hem nooit of te nimmer zou wegdoen!
Wanneer later die dag vader thuiskwam en moeder hem het gebeurde vertelde,
plaatste hij mij voor een in zijn ogen verscheurende keuze: of die cavia buiten
of zij. Voor mij was de keuze nochtans snel gemaakt: het onschuldige beestje
lag mij net iéts nauwer aan het hart dan lastige ouders van wie ik toch alleen
maar tegenstand ondervond. Omdat hun verbale dreigement niet veel uithaalde,
dachten ze me te kunnen overtuigen door de daad bij het woord te voegen: ze hesen
zich in hun jas en vertrokken met slaande deuren. Ik bleef alleen achter met
mijn cavia.
Een halfuurtje later werd aan de voordeur gebeld. Grote zus, die in de
buurt woonde, had vader en moeder doelloos langs de oever van de rivier zien
wandelen en vroeg zich af wat er gaande was. Toen ik vertelde wat er zich had
voorgedaan, barstte ze in lachen uit. Ik lachte met haar mee, maar een dag
later vloog mijn cavia alsnog met kooi en al de deur uit.
Dieren groter dan mijn handpalm hebben nadien nooit nog een weg naar
ons huis gevonden, maar ik vrees dat ik in mijn eentje verantwoordelijk kan
worden geacht voor het feit dat het salamanderbestand in Vlaanderen sindsdien tot
een minimum is herleid.
zondag 5 augustus 2012
HET VIJFDE WIEL
Als kind was ik extreem verlegen en bang voor de grote boze wereld. Het
zou me niet verwonderen mocht ik als boreling eerst angstig door de tien
centimeter brede opening heb gegluurd alvorens ik de beschermende baarmoeder
durfde te verlaten. Ik ben nu de vijftig voorbij en weet nog steeds niet wat
het was dat me zo bang maakte. Dat het verlammend werkte, weet ik wel.
Ik voelde mij van kleins af aan het vijfde wiel aan de wagen...
letterlijk. Het gezin waarin ik ter wereld kwam, bestond uit vier kinderen,
mooi verdeeld over twee jongens en twee meisjes. De broers waren de oudsten:
elf en tien jaar ouder dan ik, gevolgd door mijn zussen, acht en vijf jaar ouder.
Zeggen dat ik erg welkom was, kan ik niet. De twee broers, op de drempel van
hun puberteit, hadden geen boodschap aan een huilerige baby die de rust in huis
kwam verstoren. En de meisjes hadden liever nog een zusje tot het gezin zien
toetreden. Van meet af aan liep ik er in dat kroostrijke gezin wat verloren
bij. Als ik ergens toe diende, dan was het als dankbaar slachtoffer voor
plagerijen. De huid rond mijn polsen hangt er nog steeds losjes bij van de
ontelbare 'slangenbeten' die ik te verduren heb gekregen. Vooral mijn oudste
broer was daar erg bedreven in. Enige sadistische trekjes waren hem niet vreemd.
Het aantal oorwormen dat kronkelend zijn dood vond op de heet gestookte bodem
van een conservenblik is met geen wiskundige oefening te berekenen.
Van mijn andere broer herinner ik me merkwaardig genoeg minder. Misschien
lag dit aan zijn grote onverschilligheid tegenover mij. Eén beeld staat me wel nog
klaar voor de geest: toen we in rijen stonden aan te schuiven bij het enige
toilet in huis, terwijl hij doodgemoedereerd op de pot gitaar zat te spelen, en
de doffe, galmende klanken van een lied van de Beatles uit het besloten kamertje
opstegen. Ook kwam hij ooit eens mooi ‘ABN’-pratend terug van een zomerkamp, wat
hij wekenlang heeft volgehouden, terwijl wij met z'n allen rustig dialect
bleven kwekken.
Van mijn oudste zus herinner ik me evenmin bijster veel, tenzij het
feit dat zij misschien nog een groter slachtoffer was van plagerijen dan ik.
Minder begaafd dan de jongens liet ze zich door hen telkens weer overhalen om
dingen uit te halen waar vader uitzinnig van werd. Om haar een pak rammel te
kunnen geven, achtervolgde hij haar ‘Tom en Jerry’-gewijs over de tafel als het
moest. Ik zie het beeld nog zo voor me: die grote woeste man op de chique tafel
in de woonkamer met de kristallen luster in zijn nek, draaiend en kerend als
een leeuw in een kooi, klaar om zich op zus te werpen. Tegen de tijd dat hij
zijn sprong waagde, stond zus echter meestal al lang weer aan de andere kant
van de tafel. Maar o wee als hij haar te pakken kreeg! Dan volgde een pandoering
die in de hedendaagse maatschappij niet straffeloos zou blijven.
Van mijn jongste zus herinner ik me nog het meest. Zij was 'slechts'
vijf jaar ouder dan ik. Toen ik al wat groter was, vormde zij een dankbaar
publiek voor mijn idiote grappen en mijn licht overtrokken imitaties van
personen met opmerkelijke eigenschappen. Haar schaterlach weerklonk vaak door
het huis, waarbij haar mond zo ver openstond dat haar kaakgewrichten het
dreigden te begeven, en haar brilglazen besloegen. En toch heeft zij er in mijn
eerste levensjaren ongewild misschien nog het meest voor gezorgd dat mijn zelfbeeld
tot nul werd herleid. Zij had het er namelijk erg moeilijk mee dat moeder een
jongetje had ‘gekocht’, terwijl ze nadrukkelijk om een zusje had verzocht. Om
aan haar eigen wens toch enigszins tegemoet te komen, hulde ze me de eerste
jaren van mijn leven voortdurend in haar afgedragen kleertjes en voorzag ze mij
van de welluidende naam Rita. Indien het ‘Guinness Book of Records’ destijds
een deurwaarder naar ons gezin had afgevaardigd, dan stond ik nu wellicht nog
steeds geboekstaafd als jongste travestiet ooit.
Ook op de lagere school speelde ik een rol van weinig betekenis. Ik was
niet meer dan een grijze muis met een enorme faalangst die tot de risee diende
bij diverse schoolmeesters en leerlingen. Omdat ik opviel door mijn
uitzonderlijke lengte en tengerheid, bedachten klasgenoten mij met denigrerende
spotnamen als 'de lange', 'de rietstengel', 'de plank' of 'de suikerstek'.
Pas in het middelbaar begon het tij te keren. In die tijd werd ik op
sleeptouw genomen door een jongen met lange wilde haren en hopeloos
scheefgegroeide tanden die door het leven ging met de klinkende naam ‘Knüppel'.
Door zijn naam alleen al diende hij eveneens geregeld tot spot. We voelden een zekere
verbondenheid, en trachtten in de klas altijd naast elkaar te zitten. Algauw
vormden we een berucht duo dat stevig van zich af wist te bijten en na enige
tijd zelfs populariteit begon te genieten vanwege onze soms uitzinnige humor.
Daar, op die schoolbanken, had ik het gevoel dat mijn leven eindelijk begon.
Enkele wilde tienerjaren later, en nadat ik als allerlaatste het steeds
killer wordende nest verlaten had, ontdekte ik in mij haast bij toeval een
acteertalent, en belandde mijn trein definitief op de juiste sporen. Het
angstige jongetje was een man geworden die op de voorgrond durfde te treden.
Desalniettemin is die diepgewortelde verlegenheid latent aanwezig
gebleven. Talrijk waren zij die dachten dat ik hen uit een soort van pretentie
niet wilde aanspreken, terwijl ik enkel gehinderd werd door mijn schuchterheid.
Nu ben ik de vijftig gepasseerd, en voel ik mij eindelijk verlost van
dat juk. Ik durf nu op straat recht op oude bekenden af te stappen en
wildvreemden aan te spreken, zonder eerst die vreemde angst te hoeven overwinnen.
Nu zijn het vaak zelfs anderen die rood aanlopen wanneer ik hen onverwacht benader.
En telkens denk ik dan: ‘Wellicht ook een vijfde wiel aan de wagen.’ Lotgenoten
begrijpen elkaar.
Abonneren op:
Posts (Atom)
