Zelfs voor Vlamingen die er niet mee vertrouwd zijn, blijkt de familienaam waarmee ik reeds vierenvijftig jaar door het leven ga niet altijd een evidentie te zijn. Geluyckens! Hoe vaak overkomt het me niet dat men mij vraagt om de naam even te spellen. De schrijfwijze kan dan ook erg variabel zijn.
"U, igrec, cee, kaa, mijnheer."
Een makkie is het niet.
Eenvoudiger is het wanneer mijn naam gelezen moet worden. De meeste Vlamingen die verder dan de papschool zijn geraakt, weten immers drommels goed dat een U gevolgd door een Y uitgesproken dient te worden als UI. Niks moeilijks aan.
Erger is het gesteld wanneer ik bij onze Noorderburen vertoef, daar waar men drager is van de meest vreemdsoortige namen, als daar zijn 'Zoetemelk', 'Zuurbier', 'Hakbijl', 'Gruwel' of 'Maneschijn'.
Een voorbeeld van heel wat jaartjes geleden: bij naamafroeping in een bekende meubelzaak, waar we een nieuwe slaapkamer voor één van onze kinderen hadden gekocht, en we geduldig op onze beurt bij de afhaaldienst wachten, klonk plots een moeizaam gehakkeld woord door de luidspreker, waar ik pas na enkele lange seconden en heel wat haastig denkwerk ternauwernood mijn naam in herkende.
"Cheeluwijkens," klonk het luid en onduidelijk. Tja, waar halen die Vlamingen ook die rare namen vandaan, hoorde ik de jongeman achter de microfoon denken.
Uit de middeleeuwen, beste vriend!
Toch kan het nog erger, met name wanneer ik onze zuidergrens overtrek, daar waar ze de ui-klank nog niet hebben uitgevonden. Hoe leg je aan pakweg een Parijzenaar uit hoe hij die hoogst merkwaardige oer-Vlaamse naam uit zijn strot dient te persen? Na talloze vruchteloze pogingen heb ik er een alleraardigst trucje voor gevonden. Dien ik mijn naam in la douce France ten berde te brengen, dan doe ik dat op de meest Franse manier die men zich kan inbeelden. Ik zeg gewoon: "Je m'appelle 'Je, Louis quinze', monsieur."
Makkelijk zat!
Je kijkt vreemd op? Zeg het even luidop en schuif intussen met je vinger over mijn naam: 'Geluyckens'. Je zult het zien: het klopt als een bus!
(met dank aan mijn goede vriend Werner Lefebvre voor het werkelijk uitmuntende staatsieportret)
dinsdag 23 april 2013
donderdag 11 april 2013
GEWONNEN !
Op woensdag 10 april 2013 heb ik de eer genoten op het stadhuis van Gent de jaarlijkse Polleke Pluymprijs in ontvangst te mogen nemen voor een cursiefje dat ik ter ere van de Arteveldestad geschreven heb. Je vindt het hieronder.
DE WAARZEGGERS
Zeggen dat ik een waarzegger ben, zou me te veel tot eer strekken, waar? Ik bezit geen glazen bol, draag geen overmaatse oorringen, bind geen bandana om mijn hoofd en resideer niet in een woonwagen op de plaatselijke foor. En wat meer is: ik behoor niet tot de vrouwelijke kunne. Maar ondanks al deze schromelijke tekortkomingen, slaag ik er bij tijd en wijle in zeer nauwgezet de toekomst te voorspellen, waar? Zo weet ik ’s avonds reeds jaar en dag met zekerheid aan te kondigen dat er ‘s morgen een nieuwe dag zal aanbreken. Nog nooit gefaald, waar? En tijdens barre februaridagen durf ik me al jaren te bezondigen aan de gedurfde uitspraak dat het gauw weer lente zal zijn. Eveneens een voorspelling die me nog nooit zuur opgebroken is, waar? Om nog te zwijgen over mijn boude frase, dat na elke plensbui zonneschijn volgt. Deze zinspreuk bevat zoveel ontegensprekelijke waarheid dat hij reeds lang in een licht aangepaste versie zijn stek gevonden heeft tussen de wijsheden van wijlen Phil Bosmans, waar? Goed, ik hoor u denken: “Wat een wonderlijke waarzegger moet je zijn om met zulke alledaagse wetenswaardigheden voor de dag te komen. En wat een eergierigaard om te stellen dat dit straffe voorspellingen zijn! Dan brengt Frank Deboosere het er beter vanaf, waar? ” Waar! Ik heb geen enkele moeite om toe te geven dat het dagelijks weerpraatje van onze guitige weerman meer indruk maakt dan mijn goedkope dooddoeners. Tracht in een land met de oppervlakte van een forse reigerspetter maar eens drie dagen op voorhand te bepalen waar die ene zonnestraal de harten zal verwarmen en waar men de voeten niet droog zal kunnen houden. In vergelijking met mijn goedkope waarzeggerij is dat een heuse heksentoer, waar? Nee, ik heb geen enkele moeite om toe te geven dat ik geen Frank Deboosere ben, net zo min als het me zwaar valt om in een Jan Bardi of een Gili mijn meerdere te erkennen. Met mijn gedurfde quotes reik ik nog niet tot aan de enkels van deze hooggewaardeerde heren, waar? Maar toch wil ik even stipuleren dat de drie voornoemde brave huisvaders evenmin over bovennatuurlijke gaven beschikken als ik. Neem nu Frank Deboosere. Pak deze radde tong al zijn elektronische hulpmiddelen af en drop hem in het midden van de woestijn en zijn voorspellingen zullen al heel wat minder accuraat zijn. Hoewel de woestijn in dat opzicht misschien een foute keuze is, aangezien malse regenbuien daar niet meteen tot de alledaagse gebruiken behoren, waar? Schotland dan misschien? Ook niet, want daar regent het elke dag vijfentwintig uur aan een stuk, waar? Nederland dan? Of Duitsland? Of toch maar gewoon België? Welja, zet Frank Deboosere in het midden van een koeienwei in Ukkel, zorg dat hij over niet één van zijn hulpmiddelen kan beschikken en laat hem het weer eens voorspellen voor drie dagen en evenveel nachten door hem enkel een blik op de lucht te gunnen. Eens benieuwd hoe hij het er dan vanaf zal brengen!
En Jan Bardi en Gili, hebben deze brave zielen zelf niet herhaaldelijk gesteld dat paranormaliteiten niet bestaan? Zij zijn niet meer dan verméénde waarzeggers; doortrapte schurken die op lepe manier truken van de foor aanwenden om de goedgelovigheid van de goegemeente op de proef te stellen, waar? Bovendien… Jan Bardi, van waar is deze illustere man afkomstig? Van Leuven of all places! Een wat uit zijn voegen gebarsten provincienest dat zichzelf al eeuw en dag de enige echte universiteitsstad van de Lage Landen waant, waar? Hoe kun je beschouwd worden als ‘waar’zegger als je niet eens durft toe te geven dat Gent als universiteitsstad op z’n minst Leuvens gelijke is?! Nee, dan komt Lieven Gheysen, alias Gili, al wat meer in de buurt van de echte waarzeggerij. Hij mag dan wel het levenslicht gezien hebben in Kortrijk en daarna tien jaar lang een café uitgebaat hebben in – hou je vast – Stasegem. Sinds 2007 bewijst deze brave man zijn hoge intelligentie door zijn intrek genomen te hebben in een stulpje dat zich situeert in de fiere stede aan de samenvloeiing van de Leie en de Schelde, daar waar men met trots de strop om de nek draagt, waar? En als er nu één volk op de aarde is dat met recht en rede aanspraak kan maken op de titel van ‘waar’zegger, dan zijn het toch de Gentenaars, zeker. Waar?
DE WAARZEGGERS
Zeggen dat ik een waarzegger ben, zou me te veel tot eer strekken, waar? Ik bezit geen glazen bol, draag geen overmaatse oorringen, bind geen bandana om mijn hoofd en resideer niet in een woonwagen op de plaatselijke foor. En wat meer is: ik behoor niet tot de vrouwelijke kunne. Maar ondanks al deze schromelijke tekortkomingen, slaag ik er bij tijd en wijle in zeer nauwgezet de toekomst te voorspellen, waar? Zo weet ik ’s avonds reeds jaar en dag met zekerheid aan te kondigen dat er ‘s morgen een nieuwe dag zal aanbreken. Nog nooit gefaald, waar? En tijdens barre februaridagen durf ik me al jaren te bezondigen aan de gedurfde uitspraak dat het gauw weer lente zal zijn. Eveneens een voorspelling die me nog nooit zuur opgebroken is, waar? Om nog te zwijgen over mijn boude frase, dat na elke plensbui zonneschijn volgt. Deze zinspreuk bevat zoveel ontegensprekelijke waarheid dat hij reeds lang in een licht aangepaste versie zijn stek gevonden heeft tussen de wijsheden van wijlen Phil Bosmans, waar? Goed, ik hoor u denken: “Wat een wonderlijke waarzegger moet je zijn om met zulke alledaagse wetenswaardigheden voor de dag te komen. En wat een eergierigaard om te stellen dat dit straffe voorspellingen zijn! Dan brengt Frank Deboosere het er beter vanaf, waar? ” Waar! Ik heb geen enkele moeite om toe te geven dat het dagelijks weerpraatje van onze guitige weerman meer indruk maakt dan mijn goedkope dooddoeners. Tracht in een land met de oppervlakte van een forse reigerspetter maar eens drie dagen op voorhand te bepalen waar die ene zonnestraal de harten zal verwarmen en waar men de voeten niet droog zal kunnen houden. In vergelijking met mijn goedkope waarzeggerij is dat een heuse heksentoer, waar? Nee, ik heb geen enkele moeite om toe te geven dat ik geen Frank Deboosere ben, net zo min als het me zwaar valt om in een Jan Bardi of een Gili mijn meerdere te erkennen. Met mijn gedurfde quotes reik ik nog niet tot aan de enkels van deze hooggewaardeerde heren, waar? Maar toch wil ik even stipuleren dat de drie voornoemde brave huisvaders evenmin over bovennatuurlijke gaven beschikken als ik. Neem nu Frank Deboosere. Pak deze radde tong al zijn elektronische hulpmiddelen af en drop hem in het midden van de woestijn en zijn voorspellingen zullen al heel wat minder accuraat zijn. Hoewel de woestijn in dat opzicht misschien een foute keuze is, aangezien malse regenbuien daar niet meteen tot de alledaagse gebruiken behoren, waar? Schotland dan misschien? Ook niet, want daar regent het elke dag vijfentwintig uur aan een stuk, waar? Nederland dan? Of Duitsland? Of toch maar gewoon België? Welja, zet Frank Deboosere in het midden van een koeienwei in Ukkel, zorg dat hij over niet één van zijn hulpmiddelen kan beschikken en laat hem het weer eens voorspellen voor drie dagen en evenveel nachten door hem enkel een blik op de lucht te gunnen. Eens benieuwd hoe hij het er dan vanaf zal brengen!
En Jan Bardi en Gili, hebben deze brave zielen zelf niet herhaaldelijk gesteld dat paranormaliteiten niet bestaan? Zij zijn niet meer dan verméénde waarzeggers; doortrapte schurken die op lepe manier truken van de foor aanwenden om de goedgelovigheid van de goegemeente op de proef te stellen, waar? Bovendien… Jan Bardi, van waar is deze illustere man afkomstig? Van Leuven of all places! Een wat uit zijn voegen gebarsten provincienest dat zichzelf al eeuw en dag de enige echte universiteitsstad van de Lage Landen waant, waar? Hoe kun je beschouwd worden als ‘waar’zegger als je niet eens durft toe te geven dat Gent als universiteitsstad op z’n minst Leuvens gelijke is?! Nee, dan komt Lieven Gheysen, alias Gili, al wat meer in de buurt van de echte waarzeggerij. Hij mag dan wel het levenslicht gezien hebben in Kortrijk en daarna tien jaar lang een café uitgebaat hebben in – hou je vast – Stasegem. Sinds 2007 bewijst deze brave man zijn hoge intelligentie door zijn intrek genomen te hebben in een stulpje dat zich situeert in de fiere stede aan de samenvloeiing van de Leie en de Schelde, daar waar men met trots de strop om de nek draagt, waar? En als er nu één volk op de aarde is dat met recht en rede aanspraak kan maken op de titel van ‘waar’zegger, dan zijn het toch de Gentenaars, zeker. Waar?
vrijdag 15 maart 2013
VERGANKELIJKHEID
aan mijn dierbare vader 14/03/1922 - 13/03/2013
De oude knotwilg is geveld
Jarenlang heeft hij overgeheld
de
felste stormen doorstaan
Met zijn kale kruin
tegen
een beukende wind
Op een eenzame vlakte
Als een verdwaasde soldaat
op
een oorlogsveld
Zijn wortel is dood
Met ’t neergaan zijn ziel ontbloot
zijn
houvast in grillige vormen
Wat rest is de stronk te ruimen
hem geven
aan ’t slagveld der tijd
En als de wind der eeuwigheid
het laatste blad verdrijft
is een
kale vlakte alles wat overblijft
woensdag 16 januari 2013
MORSIG
“Hallo, met Rinus,” klonk een vriendelijke mannenstem in mijn oor.
“Goede morgen! Wij zijn de familie 'G....'. Wij hebben een kamer bij u geboekt voor het weekend, maar ik merk dat we wat voor zijn op het schema. Zou u het erg vinden indien we wat vroeger...”
“Oooooooooooowwwwwwwwwwww!” klonk het luid en tergend lang in mijn oor. “Komt u nu al?! Nou, dan heb ik een klein probleempje. Ik zit nog op m'n boot!”
“O... ja, maar dat is niet erg,” zei ik vlug. “In dat geval maken we wel een ommetje.”
“Neeeeeeeeejjjjjj, hoeft niet!” boorde de stem van Rinus zich door mijn trommelvlies. “Ik haast me wel naar huis. Tot zo.”
Een kwartiertje later belden we aan bij een chic herenhuis in een Amsterdamse buitenwijk. Een grote man met een forse buik, die hem noopte licht achteruithellend door het leven te gaan, opende de deur. Prominent op de voorzijde van zijn trui zaten enkele vieze vetvlekken, en hij keek ons een beetje onwennig aan. Meteen bekroop me de vrees of de B&B wel aan onze verwachtingen zou voldoen, een vrees die even later werd bevestigd toen we de ruimte te zien kregen waar we zouden overnachten. Wat een kamer moest voorstellen, bleek niet meer dan een in aller haast opgetrokken vertrekje op het gelijkvloers te zijn dat de achterste helft van de woonkamer besloeg. De scheidingswand tussen de twee ruimtes werd gevormd door een grote kleerkast en enkele houten panelen die erg amateuristisch waren aangebracht. Het meubilair bestond uit een klein tafeltje, een aftandse stoel, een tweepersoonsbed en twee krappe spondes voor de kinderen. Bovendien hing er een nadrukkelijke slaapkamergeur en vertoonden alle drie de bedden duidelijk woelsporen van vorige bezoekers.
“Het kamermeisje is niet komen opdagen,” was Rinus' verontschuldigende commentaar toen hij onze lichtjes verbijsterde blikken opmerkte. “Ik breng het straks wel in orde wanneer jullie de stad in zijn, want ik neem aan dat jullie hier zijn om Amsterdam te verkennen, nee? Mag ik jullie overigens ineens een goede tip geven? Ik raad jullie aan een rondvaart te maken op de grachten. Een unieke ervaring! Moeten jullie zeker doen. Maar voor jullie gaan, zal ik nog even de keuken tonen waar jullie het avondeten en het ontbijt kunnen bereiden.”
De kookplaats in kwestie bleek een krap kruipkot te zijn, waarvan het aanrecht volgestapeld stond met allerhande keukentoestellen en de kasten puilden van deels vervallen levensmiddelen. Het keukengerei was zonder uitzondering vies. Potten en pannen waren zwartgeblakerd, tassen vertoonden aan de binnenzijde op de bodem een bruine koffierand, glazen waren zo vuil dat ze uit mat glas leken te zijn vervaardigd en aan vorken en lepels kleefden de resten van vorige eetbeurten. Mijn vrouw en ik besloten meteen stilzwijgend om onze maaltijden elders te nuttigen.
Hoewel het weer niet optimaal was en we af en toe een druilerige regen te verwerken kregen, maakten we een lange leuke wandeling door de stad. Tegen de avond kreeg ik plots telefoon van Rinus: of we nog lang zouden wegblijven.
Toen ik vroeg waarom hij dat wilde weten, zei hij: “Nou, ik denk dat het stilaan wat laat wordt om nog te eten, nee?”
“O, maar we hebben al gegeten,” antwoordde ik. “U hoeft met ons geen rekening te houden.”
"Maar jullie hadden hier toch alles bij de hand!" reageerde hij ontzet.
Ik smeerde hem gauw wat stroop aan de baard.
"Nou goed, maar jullie hebben toch die boottocht gemaakt?" herpakte hij zich.
"Euh... nee..." antwoordde ik aarzelend.
"Maar ik had jullie dat toch aangeraden!” riep hij haast in wanhoop. “Tjonge, wat zonde!"
Toen we later die avond terug op de kamer kwamen, bleken de bedden netjes opgemaakt te zijn en was de ergste slaapgeur verdreven. Maar omdat tussen de bovenkant van de kast en het hoge plafond een gapende ruimte van ruim een meter zat, kostte het ons geen enkele moeite om te horen wat Rinus in het andere gedeelte van de woonkamer uitvoerde - en andersom – wat onze privacy sterk beknotte.
Om tien uur, net toen onze veertienjarige dochter even in onderbroek en behaatje de kamer was uitgeglipt om nog een laatste bezoekje aan het toilet te brengen, werd er indringend op de deur geklopt. Voor we de kans kregen te reageren, trad Rinus binnen. Zonder zich om onze weinig verhullende nachtkledij te bekommeren, vatte hij post aan het voeteneinde van het bed waarop we lagen te lezen, en ontstak in een monoloog.
“Nou moet me toch van het hart dat ik het sneu vind dat jullie mijn goede raad niet hebben opgevolgd,” begon hij. “Die boottocht is werkelijk fantastisch! Ik zou jullie toch met aandrang willen vragen het morgen te doen.”
Vervolgens onderhield hij ons een kwartierlang met wetenswaardigheden betreffende de stad. En dan was er nog de kwestie van het avondmaal. Dat we niet van zijn gastvrijheid gebruik hadden gemaakt, leek hem nog het meest dwars te zitten.
“Maar goed,” zuchtte hij tot besluit, “dan moeten jullie hier morgenvroeg maar ontbijten. Koffie zit in de bus. Er is melk, suiker, brood, margarine, beleg, pindakaas...”
“Dat is heel vriendelijk,” mompelde ik beschroomd, “maar ik denk toch dat we elders gaan ontbijten.”
“Wáár dan?!?” deed hij onbegrijpend. “Jullie gaan zich blauw betalen voor een eitje, een kop koffie en een broodje, terwijl hier alles uit de kast te halen is!”
Ik zocht naar een aanvaardbare uitleg, maar vond er geen omdat ik hem de waarheid wilde besparen.
“Nou goed, dan moeten jullie het zelf maar weten,” zuchtte hij gelaten. “Maar laat me dan tenminste jullie ontbijt betalen.”
Hij haalde zijn portefeuille tevoorschijn, diepte een briefje van twintig op en stak het me toe. Ik keek hem ongelovig aan en zei dat dit niet nodig was, maar hij stond erop dat we het geld aannamen.
“Maar dan moeten jullie me wel beloven dat jullie dit bij 'De Joffers', hier om de hoek gaan besteden,” zei hij. “Het is er hartstikke lekker en gezellig.”
We beloofden plechtig aan zijn bede te zullen voldoen.
Toen Rinus eindelijk weg was, verscheen onze dochter ten tonele. Op haar billen tekende zich in een dieprode kleur de toiletbril af.
Het spreekt voor zich dat ik niemand deze Bed and Breakfast wil aanraden, maar loop je ooit in Amsterdam langs 'De Joffers', ga dan gerust even binnen om een hapje te eten. Het ontbijt is er erg lekker, de broodjes zijn er knapperig vers en er is beleg in overvloed. Bovendien is het bestek er schoon, de glazen doorzichtig en wordt de koffie geschonken in kraaknette tassen. Toch bedankt voor het heerlijke ontbijt, Rinus.
maandag 31 december 2012
ZUIGNAPPEN EN DRUIPSPOREN
Zoetemelk is zonder twijfel de bekendste, maar er
zijn wellicht nog tal van andere voorbeelden op te noemen. Ze zijn immers van
alle tijden, de wieltjeszuigers. In wielerwedstrijden zijn het de mindere
goden, de jongens met het net-niet-talent die in het doorgedreven aanklampen hun
enige mogelijkheid zien om in het spoor van de grote vedetten te blijven en op
die manier af en toe, zij het steels en met diepliggende ogen en schuimbekkend
van de inspanning, een overwinning weg te kapen. Een verwerpelijke staaltje van
plat opportunisme dat zijn oorsprong vindt in de vette prijzenpot die de
winnaar mee naar huis mag nemen. Begrijpelijk aangezien ook mindere goden zich
wel eens wat luxe willen veroorloven, maar het minste wat men van deze
derderangscoureurs zou mogen verwachten, is dat zij tijdens de koers op z'n
minst de indruk wekken met aanvalslust begiftigd te zijn. Zelfs al draagt een
occasionele demarrage niet verder dan enkele tientallen meters en wordt de
onbezonnen aanvaller meteen daarna door de superhelden met huid en haar
verslonden, dan nog kan hij na één zo’n aanval bogen op een zekere status. De
doorsnee wielerfan sluit underdogs die gezegend zijn met een onstuimige aanvalsdrift
immers graag in de armen. Daar was Ludo Dierckxsens het perfecte voorbeeld van.
Een verwerpelijker soort van wieltjeszuigers vind je dan ook
in het dagelijks leven, waar doorgaans geen prijzen te rapen vallen. Als
gewoontefietser word ik er haast iedere dag mee geconfronteerd. Je bent rustig
naar je werk aan het peddelen en plots word je gewaar dat je schaduw vlees
geworden is. Op een zucht van jezelf, alsof je snelbinder in het stuur van een
achterligger verstrikt is geraakt, word je gevolgd door een man (heel soms een
vrouw) die er alles aan doet om in je zog te blijven, met als doel zichzelf doodleuk
uit de wind te zetten. Erg hinderlijk. Niet omdat ik aan een milde vorm van
achtervolgingswaan lijd, maar zelfs te voet kan ik het niet hebben dat een
exemplaar van het leidingbehoevende gepeupel, dat het grootste gedeelte van de
wereldbevolking uitmaakt, vlak achter me aan blijft lopen. De wereld biedt
plaats genoeg om in de nodige ruimte voor het aura te voorzien. Maar waar de
slaafse volgzaamheid van deze wandelende subcategorie slechts voor mentaal
ongemak en een lichte irritatie zorgt, is er in het geval van de spatbordklevers
ook nog eens een levensgevaarlijk element aan verbonden. Eén kleine stuurfout
van jezelf of je achtervolger kan een vreselijke valpartij tot gevolg hebben. Telkens
ik zo'n zuignap aan mijn wiel voel hangen, ga ik dan ook wat feller op de
trappers beuken in een poging de vermaledijde schaduw af te schudden. Soms lukt
dat, maar net zo goed zit je opgescheept met een pitbull die het vertikt zijn
beet te lossen. Je hoort hem kreunen als een barende vrouw, voelt zijn hijgende
adem je nek strelen en na afloop moet hij wellicht aan de zuurstoffles, maar
lossen doet hij niet.
Laatst had ik de idiootste van allemaal achter me aan. Ruim
anderhalve kilometer hing de uitslovende sukkel op millimeters van mijn
achterwiel. Het leek wel alsof hij zich met een enterhaak aan mijn bagagerek
had vastgeklonken. Nadat ik drie keer een tandje bijgestoken had en het
duidelijk werd dat ik hem niet zou kunnen afschudden, hield ik in. Kun je een
wieltjeszuiger niet losrijden, dan is hem laten voorbijrijden meestal een betere
optie. Dit exemplaar wou echter zelfs daar niet van weten. Ook hij hield de pedalen
stil.
“Doe maar, doe maar, doe maar, doe maar!” spoorde hij me aan,
toen ik geërgerd omkeek.
Heel even flitste het door mijn hoofd dat ik misschien met
een vurige fan van Hennie Vrienten te maken had, en hij me verkeerdelijk voor deze
begenadigde zanger hield, maar zijn volgende repliek maakte duidelijk dat dit een
misvatting was.
“Heb je nooit naar het wielrennen gekeken? Daar doen ze dat
allemaal!” vertrouwde hij me belerend toe nadat ik hem had toegesnauwd “Wat,
doe maar?”
Ik schudde mijn hoofd in de hoop dat dit mijn
begripsvermogen zou verhogen, maar het mocht niet baten.
Omdat ik het surplacen nooit langer dan een halve minuut
volhoud, trok ik me noodgedwongen terug op gang, met de man meteen weer in mijn
wiel. Ik voelde me een deel van een Siamese tweeling. Een kilometer lang bleef
ik gestaag mijn tempo opvoeren tot ik het spuugzat was en de remmen bruusk dichttrok.
De pseudo-Zoetemelk scheurde rakelings langs me heen, keek even kwaad om en
riep: “Halve gare!!!”
Nog een ander slag idiote fietsers waar je al eens mee te
maken krijgt, is 'de bewijzer', het haantje dat zo graag wil tonen dat hij de
roodste lellen van het hok heeft. Dit soort macho komt je met haast
supersonische snelheid voorbij geijld om even verder halfdood over zijn stuur
te hangen omdat zijn recuperatievermogen ontoereikend is. Het gevolg is dat je
genoodzaakt bent hem even later terug in te halen om niet zelf tot wieltjeszuiger
gedegradeerd te worden. Helaas vindt de bewijzer net daarin meestal zijn tweede
adem om je opnieuw als een ziedende vuurpijl voorbij te stuiven, om even verder
weer een stille dood te sterven.
Jaren geleden vocht ik ongewild een robbertje uit met zo'n
sujet. Tot vijf keer toe zag ik me genoodzaakt hem terug in te halen omdat hij
van de inspanning als een pudding in elkaar was gezakt. Bij mijn laatste inhaalmanoeuvre
hoorde ik hem tot mijn afgrijzen van pure frustratie het zware geschut
bovenhalen. Met een vervaarlijk keelgeluid zoog hij zijn neusholtes leeg en
zijn sinusholte vacuüm en mikte het opgehaalde slijm met onvermoede kracht
achter me aan. Ik trapte mijn ketting haast aan flarden om het ranzige
projectiel voor te blijven en reed in één moeite mijn belager uit het wiel. Klus
geklaard, dacht ik. Helaas… toen ik een half uur later thuiskwam, trof ik op de
rugzijde van mijn jas een walgelijke kwak afdruipend slijm aan. Het venijn van
mijn antagonist had dan toch doel getroffen.
Conclusie: de aanschaf van zo’n carnavaleske fietshelm heb
ik nooit overwogen, maar een beschermend pak lijkt me als fietser in sommige gevallen
geen overbodige luxe.
zondag 23 december 2012
Pijplijn
Beste lezers,
Er zitten nog een massa cursiefjes aan te komen, maak jullie vooral geen zorgen. Helaas neemt mijn ander schrijfwerk heel wat tijd in beslag en moet ik me zowat in vieren delen om alles uit mijn brein geperst te krijgen. Ik kan dus niet beloven dat er nog klokvast elke week een cursiefje zal verschijnen op mijn blog. Indien gewenst kunnen jullie intekenen met jullie e-mailadres op 'follow by e-mail', dan krijgen jullie automatisch een berichtje toegestuurd wanneer ik weer een nieuw stukje heb gepubliceerd. Handig en makkelijk zat.
Alvast prettige feestdagen toegewenst en tot one of these days
Deloux
Er zitten nog een massa cursiefjes aan te komen, maak jullie vooral geen zorgen. Helaas neemt mijn ander schrijfwerk heel wat tijd in beslag en moet ik me zowat in vieren delen om alles uit mijn brein geperst te krijgen. Ik kan dus niet beloven dat er nog klokvast elke week een cursiefje zal verschijnen op mijn blog. Indien gewenst kunnen jullie intekenen met jullie e-mailadres op 'follow by e-mail', dan krijgen jullie automatisch een berichtje toegestuurd wanneer ik weer een nieuw stukje heb gepubliceerd. Handig en makkelijk zat.
Alvast prettige feestdagen toegewenst en tot one of these days
Deloux
zaterdag 15 december 2012
SUPERMAN
Ik heb weleens een jongetje van acht in
woede zien ontsteken alleen maar omdat een treiterig vriendje zich laatdunkend
had uitgelaten over zijn vader. Kinderen van die leeftijd, ten prooi aan blinde
adoratie, hebben de gewoonte hun helden onvoorwaardelijk te verdedigen. Een mooi
maar wat naïef trekje. Zelf was ik nochtans niet anders. Ook ik ging in die
tijd voor mijn held door het vuur. Enkel jammer dat ik hem nooit aan de
ontbijttafel trof, zoals de meesten van mijn vriendjes. Mijn grote voorbeeld
hield zich op in een klein kastje in de woonkamer, achter een bol scherm waarop
hij één keer per week in sombere zwart-wittinten en lichtjes korrelig werd
geprojecteerd. Moet het verwondering wekken dat ik meer dan eens overvallen werd
door een opstoot van jaloersheid, wanneer ik weer eens een jongetje koesterend
aan de nek van zijn vader zag bengelen. Papa hoort immers de enige échte grote
held te zijn van jongetjes van acht, niet een wat vreemde kerel die, getooid
met een goedkoop plastieken masker en gezeten achter het stuur van een auto
waar de vlammen uitslaan, het onuitroeibare kwaad in de wereld tracht te
bestrijden! Ik had graag - zoals andere kinderen - kunnen pochen dat ‘mijn papa’
de stoerste van de wereld was, niet bang om desnoods die vijfkoppige draak uit
mijn nachtmerries te lijf te gaan. En ik had met hen in dispuut willen treden
over het feit dat MIJN papa zonder twijfel de slimste was, aangezien hij op
iedere vraag die ik stelde het sluitende antwoord wist.
Helaas liep het bij vader zo’n vaart niet.
Ik vond 'mijn papa' helemaal niet stoer. Hoewel hij groot en zonder meer angstaanjagend
was, zag ik hem niet dadelijk een draak te lijf gaan, zelfs niet één met maar een
kop of twee. Bovendien luidde op eender welke waarom-vraag die ik stelde zijn
antwoord steevast "Daarom!" Geen juiste attitude voor een held.
Nee, het lijdt geen twijfel dat heel
wat jongetjes van acht in hun dromen vaak hun papa door het luchtruim zien
klieven, één gestrekte arm voor zich uit, een lange rode mantel achter zich aan
wapperend, een grote sierlijke 'S' op de borst die staat voor 'Superpapa'! Ik
heb ook vaak over vader gedroomd, maar nooit kliefde hij door de lucht. Hij
stond met zijn twee van schimmelnagels voorziene voeten altijd stevig op de
grond. En op zijn borst prijkte geen 'S', maar een grote 'B'. Van boeman. Niet
dat vader een slechte man was, maar hij was doorgaans wat kort aangebonden en
ruw, en bovenal liet hij zich al te vaak opjutten door moeder die hem met
plezier als schrik opvoerde.
Toch heb ik één keer kortstondig in de
waan verkeerd dat ik op het punt stond de superman in mijn verwekker te
ontdekken. Het was op een mooie lentedag. Ik had net mijn eerste fiets gekregen
voor mijn verjaardag: een wankel geval dat te klein geworden was voor mijn opgroeiende
broer en dat voordien nog aan een andere jongen had toebehoord, die het jaren
daarvoor had overgenomen van een vriend van hem. Of zoiets. Vader zou me -
weliswaar onder lichte druk van moeder - leren fietsen. Er stond plots heel wat
te gebeuren in mijn jonge leven.
Terwijl vader met zijn koolschoppen van
handen mijn stalen ros in bedwang hield, sloeg ik met enige moeite mijn been voorwaarts
over de horizontale buis en hief mijn achterwerk op het afgeleefde lederen
zadel. Om me te helpen gauw vaart te maken, zou hij me een fikse duw geven,
waarna het een fluitje van een cent zou zijn om de hele straat uit te rijden. Het
enige waar ik moest voor opletten, was dat ik niet tegen één van de jonge
boompjes aan knalde waarmee het hele voetpad in de straat was afgezoomd.
Ik hoorde de grote voeten van vader
zwaar op de straattegels ploffen, terwijl ik langzaam aan snelheid won. Op het
moment dat hij me losliet, kneep ik krampachtig in de verduurde handvatten van
het stuur. Freewheelend als een afgehaakt zweefvliegtuig zocht ik vervolgens mijn
weg over het voetpad. Heel even voelde ik me als een engel op een wolk, maar dan
zag ik plots vanuit het niets zo'n jong boompje voor me opdoemen. In paniek
trachtte ik een botsing te vermijden, maar hoezeer ik ook aan mijn stuur trok,
het lukte me niet om van koers te veranderen. En waar de remmen stonden, had
vader nagelaten te vermelden. Een ogenblik later hing ik als de slingerende
rank van een haagwinde rond de stam van het boompje gedraaid, terwijl ik
angstvallig mijn vervaarlijk slagzij makende fiets tussen mijn knieën geklemd
hield om verdere averij te vermijden. Mijn hele tengere lijf deed pijn, maar
daar schonk ik geen aandacht aan. Ik werd helemaal in beslag genomen door de
gedachte dat het grote moment, waarop mijn superman in actie zou treden, was
aangebroken. Ik zag vader in mijn verbeelding reeds een arm voor zich uitstrekken,
zich losmaken van de grond en naar me toe komen zweven, waarna hij mijn ranke
lijf vakkundig van het boompje zou wikkelen, en me in zijn sterke armen te
rusten zou leggen.
Helaas... toen ik met enige moeite het
hoofd wist te draaien, kon ik enkel vaststellen dat mijn held al lang de vlucht
naar binnen had genomen. Op dat moment verkreeg ik zekerheid: het zou me nooit gegund
zijn toe te kijken hoe mijn eigen persoonlijke superman aan de ontbijttafel zijn
boterhammen zat te smeren.
Van verdere fietslessen is nooit nog iets
in huis gekomen, maar ach... nu, vijfenveertig jaar later, ben ik een
voortreffelijk fietser. Ik lijk wel met een stalen frame tussen de benen geboren
te zijn. Wellicht zal iedere topsporter het wel beamen: de harde leerschool is
de beste.
Abonneren op:
Posts (Atom)
.jpg)